De globalisering is verkeerd beheerd

Analyse

De globalisering is verkeerd beheerd

De globalisering is verkeerd beheerd
De globalisering is verkeerd beheerd

Hugo Van de Voorde

26 november 2014

De huidige globalisering moeten we zien als de (tijdelijke) climax van een historisch proces dat ergens rond 1500 is opgestart. Het is onmiskenbaar een evolutie naar één wereld, maar een evolutie die in drie stappen van globalisering is verlopen.  Binnen de huidige globalisering is een race to the bottom bezig, zegt Hugo Van de Voorde in zijn pas verschenen 'Naar 1 wereld. De drie stappen van de globalisering'. Uit inleiding en conclusie mocht MO* onderstaand essay samenstellen.

De eerste globalisering voltrok zich van de 16de tot de 18de eeuw. Het was een mercantiele en koloniale globalisering. Door de ruimte van de Atlantische Oceaan en de Amerika’s (de Ultramar) aan te hechten, hebben de Europeanen de bestaande internationale economie omgevormd tot een wereldeconomie. De internationale handel werd een wereldhandel. Maar de Aziaten bleven baas.

De tweede globalisering van de lange 19de eeuw was een industriële en imperialistische globalisering. Bij de Eerste Industriële Revolutie deden de Aziaten aan surplace. En de Europeanen kregen zo de kans om via hun technologische sprong een kloof te slaan met Azië. Deze machtsverschuiving was historisch: de groei-economieën van de eerste globalisering in Noordwest-Europa promoveerden tijdens de lange 19de eeuw tot kerngebied van de wereldeconomie ten koste van Azië.

Tijdens de tweede helft van die eeuw beleefde Europa de Tweede Industriële Revolutie, die de ‘great divergence’ – de kloof tussen de samenlevingen van de Noord-Atlantische ruimte en die op de andere continenten – nog verder uitdiepte (Kenneth Pomeranz, 2000). Voor de Aziaten volgden twee eeuwen van verval en vernedering, van de Opiumoorlogen in de eerste helft van de 19de eeuw tot de rampspoed van Japan (Hiroshima, 1945) en China (het Mao-fiasco, 1949-1976). Typisch is dat de groei-economieën van de tweede globalisering – de Verenigde Staten, Wilhelm-Duitsland en Japan – op drie continenten te zoeken waren.

Drie: de terugkeer van Azië

De derde globalisering  is een digitale en financiële globalisering, want ondersteund door de ICT-spitstechnologie en gekenmerkt door een financialisering van de economie. Ze kwam stilaan op gang in de jaren 1970. En manifesteerde zich door drie globale veranderingen: - de technologische revolutie van de computers, het internet en de mobiele telefonie; - de historische comeback van Azië in de wereldeconomie; tenslotte de nieuwe ecologische crises, die van een globale omvang zijn.

Het was in de eerste plaats Japan dat de comeback van Azië signaleerde. Het Japanse (economische) mirakel veroorzaakte in de westerse wereld, en zeker in de States, heel wat onrust. Het was nochtans slechts de inleiding tot een mondiale schokervaring, veroorzaakt door de opkomst van China. Het Opendeurbeleid, circa 1980 gelanceerd door Deng Xiaoping, dat niet alleen de handel maar ook de investeringen betrof, is voor de wereldeconomie onbetwistbaar een Evenement geweest. China zou een game changer worden. Geen enkel continent zou er de impact kunnen van ontlopen.

China zou een game changer worden. Geen enkel continent zou er de impact kunnen van ontlopen.

In het tijdvak sinds 1945 zijn de jaren 1979-1980 een mondiaal kantelmoment geworden. Een dissonant waarvan men de uitstraling op dat eigenste moment onmogelijk kon bevroeden. Dissonantie is mentaal moeilijk te verwerken, niet alleen voor individuen, maar ook voor samenlevingen en staten. Het impliceert immers dat men aanvaardt dat een hele periode met haar eigenheid aan structuren en gewoonten hetzij wordt afgewezen hetzij afgesloten.

Dat is moeilijk te vatten en nog moeilijker te verwerken omdat het om een verschuiving gaat die aanvankelijk nauwelijks merkbaar is, want ze is niet vast te pinnen op één datum of één feit. Het gaat altijd om een stille transformatie.

We verwijzen naar de rehabilitatie van Deng in 1979, omdat hij vanaf dat moment in Beijing terug een machtspositie bekleedde, die hem in staat stelde een eigen stempel te drukken op het beleid. Het zou resulteren in het al vermelde Opendeurbeleid. Meteen was China ‘vertrokken’ voor een ‘revolutie’ waarvan de eerste fase zo’n dertig jaar zou duren. Vandaag is de dynamiek van die eerste fase uitgewerkt. De rek is uit de elastiek.

Xi Jinping en Li Keqiang staan voor de immense taak een tweede dertigjarige cyclus op gang te trekken en de schitterende prestatie van Deng Xiaoping voortgang te geven, te leren uit de fouten van de eerste fase en een continentaal land van 1 miljard 300 miljoen mensen een nieuwe dynamiek te geven. Een nieuwe dynamiek in een intussen weer totaal gewijzigde globale context.

Die economische globale kanteling is toen samengevallen met een machtspolitieke ‘aardverschuiving’ van tectonische allure. De implosie van de Sovjet-Unie (1991) was de meest cruciale geopolitieke gebeurtenis sinds 1945. Rusland degradeerde tijdens de Jeltsin-jaren van een grootmacht tot een schurkenstaat (corruptie en massale kapitaalvlucht). Moskou kon niet langer de elementaire overheidstaken (namelijk wet en orde) garanderen. Het GOS werd een fiasco en circa twintig miljoen Russen werden inwoners van vreemde staten, geregeerd door nationalistische elites, na decennialange gedwongen russificering.

Toen volgde het ‘unipolair moment’ (Richard N. Haas) van de Verenigde Staten. De euforie duurde dus niet lang, de tijd van een moment. De Nieuwe Wereldorde – onder de stuwende leiding van Washington – was in de jaren 1990 nog ver weg. Nu is al lang duidelijk dat het een fata morgana was. En het ‘einde van de geschiedenis’ (Fukuyama) bleek een farce. Nine Eleven was een eerste signaal, een brutale historische schok.

De financiële en economische crisis die in 2008 losbarstte, toonde dat ook de economische dominantie van de Verenigde Staten voorbij was. Fareed Zakaria sprak terecht van a post-American World (2008): de Verenigde Staten zijn nog steeds een cruciale speler, maar domineren niet langer de wereld zoals ze dat na 1945 decennia lang gedaan hebben. Nu zijn er de groei-economieën van de derde globalisering die hun plaats opeisen.

Mondialisering, vrije markten en de rol van de staat

Doorheen de drie globaliseringen is de interactie en de spanning tussen staatsinterventie en vrije markten een permanente factor van primordiaal belang. Het neoliberalisme heeft die interactie echter geïnterpreteerd als een onverenigbaarheid. Dat was een foute diagnose. Fernand Braudel heeft indertijd met historische voorbeelden onweerlegbaar aangetoond dat economische groei en welvaartscreatie telkens opnieuw tot stand komen in periodes waarin een synergie tussen beide aan het werk is, telkens wanneer de staatsoverheid en de wereld van de vrijemarkteconomie tot welbegrepen samenwerking komen.

Er is weinig reden om te beweren dat markten efficiënt zijn.

Het is dus verkeerd de interactie tussen beide te zien als een alternantie, als een wissel. In om het even welke markt doen zich verstoringen of tekortkomingen voor. En er is dus weinig reden om te beweren dat markten efficiënt zijn. Tegelijk onderstreept het dat er een enorme potentiële rol voor een regering is om markttekorten te corrigeren. En het is pas als een regering erin slaagt om de meest belangrijke markttekortkomingen bij te sturen dat een economie tot bloei komt.

De recente geschiedenis van de Verenigde Staten leert ons dat na de Grote Depressie een correcte financiële regulering er veertig jaar lang in geslaagd is te verhinderen dat een grote crisis uitbrak. De deregulering van de jaren 1980 daarentegen heeft tijdens de volgende dertig jaar geleid tot een reeks financiële crises. De crisis van 2008-2009 was de laatste in het rijtje.

Dat de staatsoverheid voor de vrijemarkteconomie overbodig is, is een simplistische opvatting. Dat ‘de staat het probleem is’, zoals Ronald Reagan met veel overtuigingskracht en gering inzicht proclameerde, is een dwaas statement dat tot een echte dereguleringsgolf heeft geleid. Deze oneliner heeft zich echter wel in het collectieve geheugen genesteld en is in vele landen tegelijkertijd een vanzelfsprekend richtsnoer voor het beleid geworden.

Nochtans heeft de financiële crisis aangetoond dat ongecontroleerde kapitaalstromen nefast zijn en dat er nood is aan controle en bijsturing. Als er geen bijsturing gebeurt, als er geen correcties zijn, regeert hebzucht de financiële wereld. En dat leidt tot crimineel gedrag en een aantasting van de reële economie. Niet alleen de Grote Recessie (2008 en volgende jaren) heeft ons dit duidelijk gemaakt, ook de Grote Depressie die na de deregulering van de Gay Twenties kwam, gaf een vergelijkbaar patroon te zien.

De huidige globalisering

De globalisering is verkeerd beheerd. Joseph Stiglitz en Dani Rodrik, en vele collega’s met hen, zijn het daar over eens. Zij zijn economisten, die hun kritische zin behouden hebben en zich niet hebben laten verblinden door de waan van de dag.

De derde globalisering is een asymmetrische globalisering, De balans is weg. Globalisering en technologie hebben bijvoorbeeld geleid tot de polarisering van de arbeidsmarkt, niet als gevolg van abstracte marktkrachten maar wel degelijk als resultaat van doelgerichte beleidskeuzes. Globalisering kan de hele samenleving ten goede komen. Maar dat slechte beheer van de globalisering heeft integendeel in het nadeel van vele mensen gespeeld. En dat hoeft nauwelijks te verbazen, aldus Stiglitz, omdat bedrijven en andere specifieke belangengroepen de kans hebben gegrepen om de globalisering ten eigen bate te beheren.

Globalisering en technologie hebben geleid tot de polarisering van de arbeidsmarkt, als resultaat van doelgerichte beleidskeuzes

De globalisering heeft arbeid ten aanzien van kapitaal in een ongunstige positie weggeduwd. Arbeiders – de meeste werknemers – zien hun lonen dalen en maken het mee dat ook hun sociale zekerheid wordt aangetast. Ander voorbeeld: in vele landen heeft de in- en uitstroom van hot money een vernietigende impact gehad en economische en financiële crises veroorzaakt. Eerder is al gewezen op het feit dat transnationale kapitaalstromen – zeker als het gaat om speculatief geld-op-de-korte-termijn – moeten gereguleerd worden.

Binnen de globalisering is een race to the bottom bezig. Joseph Stiglitz is van mening dat de globalisering dan ook een nieuwe vorm moet krijgen. Daarmee bedoelt hij vooral een matiging. En daar zouden ook de verdedigers van de globalisering alle baat bij hebben. Want zo globalisering niet beter beheerd wordt, is het risico op een terugval groot. Zoals we al eerder hebben gezegd is een terugkeer naar protectionisme steeds mogelijk of een afbreken van de globalisering zoals dit door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog met de tweede globalisering het geval is geweest.

Hoe ook, het slecht beheer van de globalisering bedreigt de democratie en stimuleert polarisering zowel binnen staten als op mondiaal vlak. We trachten een en ander toe te lichten in deze vierde reflectie.

Twee fasen in de huidige globalisering

Professor Dani Rodrik heeft aangetoond dat de huidige globalisering feitelijk twee fasen heeft gekend. De eerste fase heeft haar fundamenten gekregen in Bretton Woods (1944). In een tweede fase, vanaf de jaren om en rond 1980,  is de hyperglobalisering op kruissnelheid gekomen. De eerste fase noemt Rodrik de tijd van de smart globalization, de tweede fase van de blind globalization. Japan en daarna China hebben zich volgens hem geïntegreerd in de geglobaliseerde economie op basis van het Bretton Woodssysteem. De tweede fase van de huidige globalisering noemt hij ‘blind’ omwille van het feit dat ze extreem is.

Rodrik sluit aan bij Stiglitz: ze is slecht beheerd, want gedreven door een ambitieuze agenda van economische globalisering en diepgaande integratie. Economische globalisering werd immers een doel op zich. De limieten werden overschreden. Het kon dan ook moeilijk anders dan tot ontgoochelingen leiden. De financiële globalisering leidde tot instabiliteit in plaats van tot hogere investeringen en snellere groei. De liberalisering van de kapitaalmarkt, die ermee gepaard ging, zorgde voor groeiende instabiliteit en ongelijkheid. Binnen de landen genereerde deze blinde globalisering ongelijkheid en onzekerheid in plaats van iedereen in zijn elan mee te voeren.

Een fundamenteel politiek trilemma

Dani Rodrik en met hem Joseph Stiglitz en andere collega’s-economisten zijn het erover eens dat de wereldeconomie nood heeft aan steviger en veiliger fundamenten. Daartoe is het dringend nodig om af te stappen van het simplisme van het neoliberalisme en wat genuanceerder opvattingen te hanteren over de fragiele balans tussen markten en overheden.

De globalisering heeft voor effect dat de zeggingskracht van nationale overheden verzwakt

De globalisering heeft wel voor effect dat de zeggingskracht van nationale overheden verzwakt. De peripetieën van de economische conjunctuur, de delokalisatie van bedrijven, de concurrentiepositie van ondernemingen en landen, de situatie op de arbeidsmarkt… regeringen en parlementen voelen dat de impact van hun beleid beperkt is en doorkruist wordt door beslissingen die elders genomen worden.

Ze regeren nog wel maar ervaren telkens opnieuw dat hun specifieke economische en sociale doelstellingen niet langer richtinggevend zijn. In het neoliberale klimaat wordt het als vanzelfsprekend voorgesteld dat de sociale zekerheid, die in Europese landen het resultaat is van een decennialang bevochten emancipatie, wordt afgebouwd. Het democratische deficit oogt enorm. Niet alleen de welvaartstaat staat op de helling, ook de democratie staat ter discussie. Concreet gaat het dan om de democratische legitimiteit van maatregelen en ontwikkelingen binnen de geglobaliseerde economie.

Volgens Dani Rodrik confronteert de wereldeconomie ons met een fundamenteel politiek trilemma. We vinden democratie, nationale soevereiniteit en economische globalisering uiterst belangrijk, maar het is onmogelijk om ze tegelijkertijd na te streven. We krijgen ze nooit alle

De prijs van ongelijkheid

The Price of Inequality’ is een recent boek van Joseph Stiglitz (2013). Hij analyseert daarin hoe de hyperglobalisering de ongelijkheid heeft opgevoerd. Zowel binnen samenlevingen als tussen landen als op mondiaal vlak heeft de hyperglobalisering gepolariseerd.

De globalisering is sinds de jaren 1980 extreem geworden, heeft diepe integratie in de wereldeconomie nagestreefd en geen limieten erkend. Zoals we daarnet hebben betoogd, is daardoor de confrontatie tussen de hyperglobalisering enerzijds en nationale staten en democratieën anderzijds onvermijdelijk geworden. Daarenboven is echter ook een polarisering gestimuleerd, die de gezonde evenwichtige ontwikkeling van samenlevingen en landen en van de wereldgemeenschap heeft doorkruist. Dat staat ogenschijnlijk haaks op de vaststelling dat het gemiddelde inkomen tussen landen naar elkaar toegroeit en de extreme armoede wereldwijd daalt.

De uitzichtloosheid van samenlevingen vormt broeihaarden van menselijke miserie, maar ook van internationale onveiligheid.

Groei, globalisering, de spreiding van kennis en technologie hebben zeker gunstige effecten. Dat is niet te ontkennen.  Toch is de globalisering ook een enorme stoorzender geworden. De ongelijkheid is in de rijke landen onmiskenbaar gestegen. Tegelijk zijn er de allerarmste landen, de bottom billion, zoals Paul Collier ze noemt. Zij zitten gevangen in een doodlopende steeg en hebben geen uitzicht op ontwikkeling en groei.

Zoals we eerder al hebben betoogd is het dringend nodig dat de internationale gemeenschap focust op de uitzichtloosheid van die samenlevingen. Het zijn broeihaarden van menselijke miserie, maar ook van internationale onveiligheid. Centraal staan mensen en hun basisbehoeften: zowel voor de samenlevingen in de armste landen als voor de samenlevingen elders in de wereld is het cruciaal dat de bottom billion worden opgetild en perspectief krijgen. Een laatste bedenking in verband met de keerzijde van de globalisering: de asymmetrie is opvallend tussen de financiële globalisering en de reële economie.

Snelheidsduivels

De drie globaliseringen hebben ervoor gezorgd dat de verdichting van de wereld een groeiende intensiteit heeft gekend en op de dag van vandaag heeft geleid tot een globale kanteling. De mensheid ziet zich geconfronteerd met globale problemen die globale oplossingen moeten krijgen. Nieuwe termen om de huidige situatie te benoemen en te duiden zijn het resultaat van een nieuwe manier van denken. Maar de inertie is groot.

De denkpatronen van de 20ste eeuw werken door, maar niet overal met dezelfde intensiteit. Die verscheidenheid is onheilspellend. Want de snelheid waarmee situaties veranderen en problemen rijpen vraagt alerte reacties van de wereldgemeenschap en niet louter van een aantal koplopers. Zoals de problemen van de bottom billion aantonen is verwaarlozing onverantwoord, niet alleen vanuit de belangen van de betrokken samenlevingen, maar vanuit het algemeen belang van de wereldgemeenschap.

Fragmenten uit: Hugo Van de Voorde, Naar één wereld. De drie stappen van de globalisering. 16de-21ste  eeuw. Kalmthout, 2014. Uitgeverij Pelckmans/Walburg Pers. 382pp.