Geen tijd voor foute debatten

Column

Geen tijd voor foute debatten

Geen tijd voor foute debatten
Geen tijd voor foute debatten

Ik schrijf dit met tegenzin want het zint me niet dat ik de nood voel om de zoveelste tekst te schrijven die te maken heeft met de aanval op Charlie Hebdo. Dat ik deze nood voel, komt niet door de aanval zelf maar door de gevolgen van die aanval. Alle reacties die we nu zien, gaande van 'debatten' over islam, fellere racistische uitingen en een versterking van politie- en legerdiensten had ik verwacht omdat ik geen hoge verwachtingen heb van deze samenleving.

Ik wist dat er ‘debatten’ gingen komen over of islam ‘verzoenbaar’ is met democratie, vrije meningsuiting, emancipatie van de vrouw of nog andere zaken die in dat soort debatten onvermijdelijk geframed worden als ‘Westerse’ verworvenheden, als goede dingen die eigen zijn aan de christelijk-seculiere beschaving en waarmee elke witte Westerling geboren wordt.

“Ja maar wij in het Westen hebben de Verlichting in ons, in ons denkbeeld, maar jullie niet en dat is toch het verschil tussen moslims en het Westen.”

Ik overdrijf niet met dat laatste. Een klasgenoot zei me ooit heel serieus: “Ja maar wij in het Westen hebben de Verlichting in ons, in ons denkbeeld, maar jullie niet en dat is toch het verschil tussen moslims en het Westen.” Ik stond versteld van hoe hij echt geloofde dat politieke of maatschappelijke overtuigingen en waarden niet aangeleerd en bediscussieerd hoeven te worden maar dat mensen ermee geboren worden. Hij staat niet alleen in dit geloof.

Het is een illusie waardoor heel wat Westerlingen niet inzien dat hun eigen instituties en denkbeelden constant geëvalueerd, onderzocht, getest en bekritiseerd moeten worden om te checken of die wel verzoenbaar zijn met democratie, vrije meningsuiting, emancipatie van de vrouw, dierenrechten, enzovoort.

Nochtans zijn er genoeg aanleidingen om daarover debatten te organiseren: het koloniaal verleden en neokoloniaal heden van Europese landen, een hypocriet en niet zelden barbaars buitenlands beleid, een ondemocratische en onbeschaafde behandeling van ‘allochtonen’, vluchtelingen en sans-papiers, daklozen en alleenstaande moeders. De lijst is lang.

Door de illusie van een Europa of Westerse wereld die op moreel niveau superieur is aan andere werelddelen zagen we de grote hypocrisie na de moordende aanval op de redactie van Charlie Hebdo. Door deze illusie zag ik een heel aantal tweets van mensen uit dit Westen die zonder schaamte of twijfel het volkomen normaal vonden dat heel de wereld zou moeten spreken over die aanval, dat het in alle hoeken van de wereld een minuut stil moet zijn. Het bleef niet bij het betreuren van doden. Een racistisch magazine werd opgehemeld. Het constant viseren van gemarginaliseerde groepen in Frankrijk werd moedig genoemd met het excuus dat niet alleen deze groepen beledigd werden.

Meteen werd weer duidelijk dat ook vele witte progressieve mensen nog niet wisten wat racisme is. Sommigen dachten zelfs dat ze in een positie zaten om aan mensen als mij uit te leggen wat satire is. Vanuit die positie is het mogelijk om nu debatten te organiseren met als titel “kunnen moslims lachen?”, “kan islam omgaan met vrije meningsuiting?”, “heeft islam een progressieve hervorming nodig?” en te doen alsof het die debatten zijn die we nu nodig hebben. Dit komt bovenop de maandenlange discussies over ‘radicalisering’. Dat woord is zo fel in een negatieve definitie geduwd dat mensen me nu erg vreemd aankijken als ik wil spreken over positieve radicalisering.

Maar ik wil niet mee geduwd worden in die debatten. Na meer dan tien jaar van dat soort debatten te zien zonder verandering kan niemand me overtuigen dat racisme aangepakt kan worden door een ongelijke ondervraging die voorgesteld wordt als een dialoog.

We hebben geen nood aan debatten waar we moeten bewijzen dat moslims gelijke rechten verdienen.

Ik zal dus niet meedoen aan debatten over of islam een plaats kan hebben in Europa of België. We hebben geen nood aan debatten waar we moeten bewijzen dat moslims gelijke rechten verdienen, waar we doen alsof de islam verdedigd en uitgelegd moet worden en waar racisten en verantwoordelijken van een racistisch beleid een rol als gastspreker krijgen in plaats van hun zeggenschap in onze levens in vraag te stellen. De neiging om dergelijke figuren toch uit te nodigen wordt eens uitgelegd als “om het gesprek spannend” of “pittig” te maken

Op dit moment worden kinderen door leerkrachten als terrorist bestempeld en zijn straten en het openbaar vervoer in verschillende steden nog onveiliger geworden voor (vooral) moslimvrouwen. Of hun geloofsovertuiging een gevaar vormt is dan niet de juiste vraag. Ik hoop dat organisatoren van debatten inzien dat sensatie geen reden mag zijn om de juiste vragen niet te stellen. Of verwacht ik hiermee toch te veel van deze samenleving?