Carl Devos: 'Ik zorg dat de politiek me niet opeet'

Interview

Carl Devos: 'Ik zorg dat de politiek me niet opeet'

Carl Devos: 'Ik zorg dat de politiek me niet opeet'
Carl Devos: 'Ik zorg dat de politiek me niet opeet'

Mikaël Soinne

04 januari 2015

Zijn kracht om zeer ad rem commentaar te geven op het politieke klimaat, maakt van Carl Devos een gegeerde politicoloog in alle media. Al vele jaren is hij één van de belangrijkste Wetstraatwatchers: 'Ik leef al meer dan tien jaar in dat niemandsland tussen pers, politiek en de academische wereld', schetst Devos. 'Of ik het gevoel heb dat ik meer invloed heb dan de Wetstraatjournalisten? Soms wel, ja. Maar mijn rol is verwaarloosbaar.'

Zijn wij even blij dat we niet als student maar als journalist op de koffie gaan bij Carl Devos. De vakken van de politicoloog zijn naar verluidt echte ‘buisvakken’. De professor lacht als hij onze opluchting hoort. ‘De meeste studenten die mijn vak gehad hebben of mij als prof hebben voor een paper, masterproef of bachelor, vinden dat nogal lastig en moeilijk en uitdagend. Ze vloeken wel eens.’

‘Ik lijd niet aan behaagzucht. Ik wil niet populair zijn.’

‘Maar achteraf, als het vak of het jaar voorbij is, en zeker ook bij de proclamatie, krijg ik heel vaak deze opmerking: ‘Op het moment zelf vond ik het verschrikkelijk, maar achteraf ben ik blij dat we het gehad hebben.’ In zekere zin zijn ze dankbaar voor het feit dat we het hen moeilijk gemaakt hebben, dat we veeleisend geweest zijn. We hebben hen uitgedaagd om het beste uit zichzelf te halen. Bij de eerste kennismaking begin ik daar ook vaak mee. Ik stel mezelf heel kort voor en schets mijn rol. En ik zeg: ‘Ik lijd niet aan behaagzucht. Ik wil niet populair zijn.’ Maar ik wil ook niet per se de strenge of de lastige zijn.’

‘Het enige wat me echt interesseert, is de kwaliteit van de geleverde opleiding en dus ook de reputatie die ontstaat bij ‘wat betekent het om in Gent politieke wetenschappen te hebben gestudeerd.’ Hen ten dienste zijn en de waardigheid van hun diploma hoog houden. Hen kennis, inzichten en vaardigheden bijleren en van hen intellectuele, kritische burgers maken met een zeker maatschappelijk engagement. ‘The evidence of true intelligence is the question, not the answer.’ We helpen hen om goede, gerichte vragen te stellen. In plaats van via internet, google en Wikipedia overal antwoorden op te vinden.’

Zelf zou jij Rechten studeren, maar het is anders uitgedraaid.

Carl Devos: Ja, in mijn omgeving was dat het eensluidende advies: je moet Rechten studeren. Dat is gebaseerd op de zeer stereotiepe redenering dat ik het goed kon uitleggen. Dat zegt iets over mij, maar ook over hen. Namelijk de gedachte dat iemand die bepaalde verbale vaardigheden heeft, Rechten volgt om later zaken te bepleiten voor assisen. Terwijl men vergeet dat heel veel advocatenwerk puur administratief is, en dat zelfs veel procedures louter en alleen op papier worden uitgevochten.

En wie redeneerde zo? Jouw ouders?

‘Naar de unief gaan was niet iets ‘voor ons gewone mensen’.’

Devos: Mijn ouders niet zozeer. Zij zijn allebei niet naar de universiteit geweest. Die hadden dus geen goed idee wat dat inhield. Ik was ook de eerste in de familie, zowel langs de kant van mijn vader als van mijn moeder, die naar de universiteit zou gaan. Naar de unief gaan was niet iets ‘voor ons gewone mensen’. Mijn ouders baseerden zich op de zogenaamde opinion leaders van de familie: de slimste nonkel van de familie die in Brussel op de administratie werkte, bepaalde leerkrachten, de huisarts, een bedrijfsleider.

Maar de opleiding Rechten was recht van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. Dat zag ik niet zitten. En eigenlijk heel toevallig - dat zei ook wel iets over de opleiding en de reputatie ‘Pol en Soc’, met name dat men daar in het College niet over sprak - vertelde één van mijn medestudenten over de richting. Economie, Recht, Psychologie, Sociologie, Geschiedenis: allemaal vakken die ik graag had. Thuis was er eerst wat discussie, maar ze zeiden toch: ‘Doe wat je graag doet.’ Maar de rest verklaarde mij zowat zot.

© James Arthur

‘Hoezeer mensen zo’n foute ideeën over politiek zo fel kunnen verdedigen. Hoe groot de onwetendheid soms is.’

© James Arthur

Onlangs las ik een verhaal over jouw grootvader die de socialisten verwarde met de partij van Hitler.

Devos: Klopt. Mijn grootvader was weduwnaar en kwam elke woensdagnamiddag koffie drinken bij ons thuis. Wij hadden thuis geen krant en ik was als jonge gast op zoek naar informatie over politiek. Toen dus al. In de krantenwinkel kocht ik af en toe De Morgen. Toen mijn grootvader die krant zag liggen werd hij kwaad: ‘De Morgen? Dat is een socialistische gazet.’ Ik wist dat hij geen socialist was, maar begreep niet waarom hij zo kwaad was. Tijdens de discussie floepte hij het er uit: ‘Hitler was toch ook een socialist.’ Hij dacht dat de partij van Hitler socialisten waren. ‘NSDAP: Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei’ zei hij me. Ik denk dat ik er hem nooit helemaal van heb kunnen overtuigen dat de NSDAP integendeel het socialisme wou vernietigen. Ik was geschrokken, hoezeer mensen zo’n foute ideeën over politiek zo fel kunnen verdedigen. Hoe groot de onwetendheid soms is.

Had jouw grootvader een verleden in de oorlog of zo?

Devos: Ik had een zeer goede band met hem, maar dat heb ik nooit precies geweten. Men zegt dat hij de Witte Brigades heeft rond gevoerd. Hij was dus niet erg fan van de Duitsers (lacht). We spraken nooit over politiek. Maar die discussie was jaren later ook één van de redenen om ‘Pol en Soc’ te studeren: ik wou weten hoe dat zat met politiek en waarom mensen wat denken over politiek. Onlangs vroeg me iemand: ‘Hoe zou je jezelf omschrijven?’ ‘Noem het in zekere zin vertaler-tolk’, antwoordde ik. Ik probeer dat behoorlijk ingewikkeld aandoend Wetstraat-gebeuren te vertalen op een begrijpelijkere manier. Door daar krachtlijnen en bewegingswetten in te zien, context tegenover te plaatsen, te demystifiëren en te nuanceren. Met respect voor mijn publiek: die moeten er dan maar het hunne over denken.

Kritisch voor de socialisten

‘Ik hoorde thuis vaak dat we moesten accepteren wat daar in Brussel gebeurde.’

Devos: Ik kom zeker niet uit een familie die politiek actief of politiek bewust was. Integendeel. Ik ben geboren in 1970, met andere woorden vatbaar voor politieke actualiteit midden jaren ‘80. De periode van de regeringen-Martens, de instabiliteit en de discussies over de staatshervormingen. Wij hadden geen krant of tijdschrift. We keken alleen naar het journaal, als venster op de politiek. En ik hoorde thuis vaak ‘dat die politiek veel te moeilijk was voor gewone mensen, dat het niet echt zeer zinvol was om hier mee bezig te zijn, dat we voor een stuk moesten accepteren wat daar in Brussel gebeurde’.

Die twee dingen - namelijk politiek is niet te verstaan én wij hebben maar te volgen wat die heren en dames in Brussel doen - bracht bij mij een lichte vorm van geciviliseerde rebellie. Ik dacht: ‘Dat is net de reden om er wél mee bezig te zijn.’ Achteraf gezien klinkt het als een vooropgesteld plan, maar dat was het niet.

Zo lijkt het anders wel.

Devos: Ja. Maar dat was nooit de bedoeling. Toen ik ‘Pol en Soc’ begon te studeren, had ik nooit gedacht dat ik assistent zou worden. Ik heb ook Europees Recht gestudeerd. En ik had via via een stage in het Europees parlement verkregen. Om nadien daar, zo hoopte ik, in dienst te treden. Toevallig zag ik hier in de binnenkoer vooraan van de faculteit Politieke Wetenschappen een affiche ‘assistent gezocht’. Nadien zei mijn promotor Helmut Gaus: ‘Zou jij niet doctoreren?’ Ik dacht: ‘We zullen dat maar doen, want dat klinkt wel interessant.’ Nooit gedacht dat ik later doctor-assistent zou worden. En toen ik het was, heb ik gezegd: ‘Ik blijf nog drie jaar op de unief en daarna zoek ik iets anders.’ Ik was mentaal klaar voor een vacature buiten de academische wereld. Nadien opperde men: ‘We zoeken nog iemand die zich bezig houdt met de Belgische politiek’.

Welke carrière had je dan voor ogen, mocht je wél de unief verlaten hebben na drie jaar?

Devos: Ik dacht iets in de parapolitiek te doen. Aan een politieke carrière heb ik nooit echt gedacht. Maar wel bijvoorbeeld op de studiedienst van een partij, op een kabinet, bij een middenveldorganisatie, of als ambtenaar in een goed draaiende administratie. Journalistiek heeft ook een tijdlang in mijn hoofd gespeeld. Dus iets met politiek, maar niet op de voorgrond van de politiek of niet in de actieve politiek.

Je zou ook, zo wordt vaak gezegd en geschreven, de huisideoloog van de sp.a geweest zijn. Was dat diezelfde periode, of was dat iets later?

Devos: Dat is al enige tijd geleden. Ik weet dat dit de ronde heeft gedaan, omdat ergens één journalist dat geschreven heeft. En de rest neemt dat dan over, juist of niet. Zo werkt het helaas vaak. Ik ben nooit de ideoloog van de partij geweest. Ik zou dat niet willen zijn, zoals geen enkele partij met één ideoloog werkt. Ik werd gevraagd om hoofdredacteur te worden van het tijdschrift Samenleving en Politiek (SAMPOL), als opvolger van Koen Raes. Het blad stond toen vrij dicht bij de socialistische partij, bracht ook vaak heel partijdige teksten. Ik heb die functie aangenomen na heel forse gesprekken over de relatie tussen het blad en de partij. Toenmalig gouverneur en professor Herman Balthazar was eigenlijk de tussenpersoon tussen mij als hoofdredacteur en de partij. Ik wou geen officieel contact met de partij. Ik wilde het blad een onafhankelijke koers laten varen, los van de SP. Een maandblad dat nadenkt over de sociaal-democratie en progressieve politiek, onpartijdig in de zin van niet verbonden met één politieke partij.

‘Ik heb geleerd dat je goed moet oppassen dat de politiek je niet gebruikt.’

Ik heb vaak zware discussies gehad met sp.a, en zelfs regelrechte ruzie met - toenmalig partijvoorzitter - Steve Stevaert, die zijn claim op dat blad wilde blijven behouden. Ik was trouwens één van de grootste critici van het Stevaertisme. Er waren veel misverstanden over mijn relatie met sp.a. Zo was er eens op de fractiedagen van de sp.a in Nieuwpoort een debat over een beginselverklaring voor sp.a die Mark Elchardus - als er ooit een huisideoloog van de partij is geweest, dan was Mark dat - had geschreven. Men vroeg mij een recensie te brengen, een soort kritische analyse van de tekst van Mark, die ik zeer waardeer.

Ik analyseerde die tekst, gaf complimenten en kritische bedenkingen. Wat ik niet wist, was dat nogal wat mensen aan de top van de partij geen goed gevoel hadden over die tekst. Had ik het wel geweten, dan had ik niets anders gezegd: dat trek ik mij niet aan. Maar sommigen hebben mijn analyse achteraf gebruikt, om de tekst van Mark aan de kant te zetten. Ik schreef geen beginselmanifest, maar een analyse. Eén of twee journalisten, die zich op de fluisterbanken lieten informeren door hun bevriende contacten, zeiden achteraf: ‘De echte ideoloog is Devos, want hij is diegene die de lijn van de partij aangeeft.’ Onzin. Als ik al ideoloog wilde zijn, zou het in elk geval een ideoloog zonder de minste invloed zijn geweest. Want ik heb tientallen artikels gemaakt waarin ik schreef waarom de partij niet goed bezig was.

Ik ben ooit bij sommigen bekend geworden omdat ik als jonge snaak waarschuwde: ‘Stevaert is een gevaar voor sp.a’. Dat citaat werd een kop op de cover van De Morgen. Nadien vroeg Dirk Van den Bogaert, politiek journalist bij vtm, of ik dat ook voor de camera wilde herhalen. En dan ben je vertrokken. Ik heb toen ook sommige aanstormende talenten ‘klonen’ genoemd: Freya Van den Bossche, Caroline Gennez, Kathleen Van Brempt. Iedereen in de partij sprak naar de mond van de Grote Leider. En ik vond dat die partij blijkbaar niet in staat was om in haar eigen schoot een veelvoud van ideologische lijnen te ontwikkelen. Zoals een voetbalploeg waarin elke speler alle ballen naar de spits stuurt. En als die spits op een bepaald moment niet meer functioneert, is die ploeg verloren. Wat is gebleken. Ik heb geleerd dat je goed moet oppassen dat de politiek je niet gebruikt, en dat je sommige krantenartikels zeer, zeer moet relativeren.

Hypocriete academische wereld

Je bent een veelgevraagde gast om politieke commentaar te leveren. Is er jaloezie onder de collega’s aan de universiteit?

Devos: Bij sommigen wel, anderen vinden dat onbelangrijk. Soms zeggen ze dat ze daar niet mee bezig zijn, maar zie ik achteraf hoe ze proberen om in de media te komen. Ik zou niet liever willen dat er meer waren, ik suggereer heel vaak collega’s aan journalisten. Maar we hebben het er onder collega’s eigenlijk nooit over.

‘In de academische wereld is er vaak achterklap.’

Ik heb ooit gezegd dat er nog één wereld hypocrieter is dan die van de politiek en van de media, en dat is de academische wereld. In de politiek weet je: dit zijn onze belangen, wij debatteren open en hard tegenover mekaar maar dan leggen we de kaarten op tafel en achteraf drinken we een pint. In de academische wereld is er vaak achterklap. Ik zeg niet dat deze plek hel en verdoemenis is, anders zou ik er niet blijven. Ik vind de academische wereld nog altijd fijn, ben hier graag en heb heel fijne collega’s. Maar de competitiviteit is bikkelhard en zo scherp.

Als ik hoor hoe er soms over elkaar gesproken wordt, hoe ze soms anderen uit projecten buitensluiten, hoe er gemanoeuvreerd wordt om ergens bij te zijn of als eerste te staan. En zelden gaat dat openlijk, meestal heimelijk. Sluipend intellectualistisch. Bij politici heb je nog de confrontatie: boenk, het botst. Soms mooi, soms lelijk. Wij academici doen dat met maniertjes. Een wetenschapper vloekt en tiert niet. ‘We zijn intellectuelen, we doen dat properder, erudieter, fatsoenlijker.’ Maar dat maakt het soms cynischer, denk ik. Daarom vind ik de politiek, ondanks alles, oprechter. Maar laat absoluut de conclusie niet zijn: ‘De universiteit is verdorven en een plek van cynisme’. Neen. Ik kan nog altijd beter functioneren in de universiteit dan in de politiek.

© James Arthur

‘Ik ben nooit de ideoloog van de sp.a geweest. Ik zou dat niet willen zijn.’

© James Arthur

Blijf je in de universitaire wereld?

Devos: Dat weet ik niet. Ik heb geen plannen om weg te gaan. Ik heb veel dat in de plaats komt van soms financiële voordelen elders: vrijheid. Dat is relatief onbetaalbaar. Maar ik ben niet getrouwd met de academische wereld. Daarvoor is die veel te relatief.

Je bent academicus. Wat zeg je als mensen je verwijten dat je te weinig wetenschappelijk werk levert?

‘Voor velen is er een discrepantie tussen mijn aanwezigheid in het publieke debat en die in het academische debat.’

Devos: Ze hebben gelijk, tenminste als je een bepaald soort wetenschappelijk werk als criterium neemt, namelijk de internationale toptijdschriften. Maar ik ben uiteraard bezig met wetenschappelijk onderzoek, en ik publiceer, maar volgens heersende normen niet genoeg in een bepaald soort tijdschriften.

Vandaag wordt de kwaliteit van een hoogleraar bijna gereduceerd tot zijn publicaties in een zeer strikt beperkt aantal genres: internationaal wetenschappelijke tijdschriften. Dat is een bepaald model, het heersend model, maar ik stel me daar vragen bij. De universiteit zegt dat ze kritische geesten ontwikkelt, maar eigenaardig genoeg kan je dat heersend academisch model maar moeilijk in vraag stellen.

En neen, dat is geen vrijgeleide voor luiheid, je kan van elke positie een karikatuur maken. Maar voor velen is er een discrepantie tussen mijn aanwezigheid in het publieke debat en die in het academische debat, toch in dat segment. Vanuit die analyse hebben ze overschot van gelijk. Er is een lichte tegenbeweging aan het ontstaan. Maar volgens het dominante model zit ik inderdaad in het defensief. Mijn wetenschappelijke onderzoeksflank is oké, zoals blijkt uit evaluaties en uit mijn bevordering enkele jaren geleden. Ik heb ook nog lang te gaan, ik sluit niet uit dat ik die specifieke wetenschappelijke component in de toekomst verstevig.

En die andere component, namelijk de aanwezigheid op het publieke debat, wat afzwakken of afbouwen?

‘Ik heb zeer veel geleerd over hoe politiek echt werkt. En dat is soms anders dan wat wetenschappers denken.’

Devos: Misschien wel. Je hebt maar 24 uur, hè. Ik geef lezingen, doe debatten, neem ook verantwoordelijkheden op in de faculteit.

Ik heb al ongelooflijk boeiende dingen mogen meemaken, vaak van op de eerste rij. Regeringsvormingen in real time, meedenken over politieke verkiezingsprogramma’s op de VRT. Ik heb zeer veel geleerd over hoe politiek echt werkt. En dat is soms anders dan wat wetenschappers denken.

Natuurlijk, het academisch vertalen van die inzichten die ik opgedaan heb, is soms heel moeilijk. Ik kan geen toppublicatie schrijven over wat ik allemaal heb gezien. En daarom is dat academisch bijna irrelevant. Maar ik kan er politiek wel beter door begrijpen, en ik kan er ook beter over les geven. Welk soort wetenschappers willen we eigenlijk? We hebben verschrikkelijk goede politieke wetenschappers in ons land, echte toppers, ook internationaal.

Is er in deze geen ruimte voor verscheidenheid? Want de sociale werkelijkheid is complex, en de academische interpretatie en die realiteit zijn soms twee verschillende dingen. De voorstelling van politiek is in sommige onderzoeken vaak wat wereldvreemd. Dat moet soms, om het methodologisch te kunnen aanpakken is vereenvoudiging en abstractie nodig. Ik zeg niet dat het wereldvreemde mensen zijn, hè. Maar rondlopen in het leven zoals het is in de politieke wereld, helpt soms. Ik heb bijvoorbeeld veel geleerd van Siegfried Bracke. Ik beschouw hem nog altijd als een vriend. Ook al ben ik het veel oneens geweest toen we discussieerden over de formats van de programma’s. Ik ben geen Bracke-adept. Maar hij heeft mij doen inzien dat je de essentie in drie minuten kan vertellen. En je kan behoorlijk wat zinvolle, genuanceerde analyses brengen in zeven minuten.

Ik geef ook lezingen van enkele uren, en dat is anders. Er bestaan dus verschillende zinvolle formats. Dat heb ik met vallen en opstaan geleerd. Het is ook een zekere vaardigheid. Sommige mensen hebben vijf minuten nodig om aan hun eerste van zes punten te beginnen. Alle respect, maar communiceren is ook een stiel.

‘Communiceren is ook een stiel.

In 2000 stond je voor de gemeenteraadsverkiezingen op een sp.a-lijst in Izegem. ‘Maar dat zou ik nu nooit meer doen’, heb je je daarna laten ontvallen. Hoezo?

Devos: Ik wist toen niet wat daarna allemaal zou komen en dat het zo zou nazinderen. Ik neem dat mee tot de rest van mijn dagen. Op mijn overlijdensbericht zal onder meer dit feit er meer dan waarschijnlijk in staan.

Voor mij kon dat: op een lijst staan en daarna toch functioneren op een onafhankelijke, kritische, partij-ongebonden manier.

Ik krijg daar soms terechte kritiek over, maar soms ook complimenten: ‘Jouw analyses zijn evenwichtig, genuanceerd. Je rijdt voor niemand.’ Anders zou ik ook niet overleven op de plek waar ik zit.

Je hebt wel nooit spijt gehad dat je ooit op een sp.a-lijst stond, vertelde je ooit in een interview.

Devos: Klopt. Dat komt zo. Ik stapte naar Myriam Vanlerberghe (toenmalig fractievoorzitter van de sp.a in de Senaat) uit Izegem en vertelde haar: ‘Ik zou zeer graag de lokale lijstvorming, de opmaak van het programma en de coalitievorming in deze stad meemaken als bevoorrechte getuige.’ Ik lees daar boeken en artikels over. Maar wat daar precies gebeurt, weet ik niet.

Een soort stage als het ware.

Devos: Ja. Participerende observatie. Een mooie leerschool. Want dezelfde politieke methodes worden ook op hogere niveaus gebruikt. Ik heb uit die ervaringen veel geleerd. Voor mij was dat dus een pedagogische oefening. Maar voor veel mensen, ook buiten de stad, was dat een grote politieke ideologische bekentenis die dan voor eeuwig en altijd jouw denken zou structureren.

Ik wilde manifest niet verkozen worden. Ik vroeg en kreeg een onverkiesbare plaats. Ik was eigenlijk een soort schijnkandidaat - waar ik tegen ben (lacht). Ik ging bewust niet naar de fotoshoot, omdat ik niet op de affiche wilde staan. Ik wilde gewoon niet in die campagne zitten. (geamuseerd) Photoshop bestond nog niet. Ze hebben toen mijn kop uitgeknipt uit één of ander tijdschrift. En ze kleefden me ergens achteraan, zonder respect voor de verhoudingen. Gevolg: als er één kop zichtbaar was, omdat die zeer groot was, was het de mijne. Mijn plaats op de lijst was dus een soort ruil: ik mocht alles meemaken, als ik op de lijst stond. Al zou ik toen ook op geen enkele andere lijst hebben willen staan.

‘Laat ons zeggen dat alles vanaf het centrum naar links in mijn overweging aan bod komt.’

Toen Siegfried Bracke nog journalist was, vertelde hij altijd: ‘Ik stem op verschillende partijen.’ Doe jij dat ook. Of stem je nog altijd op sp.a?

Devos: Ik stem op verschillende partijen. Ik doe dat eigenlijk al zeer lang. Het is niet zo dat ik lang alleen op sp.a stemde. Hoe kan ik er nu vanuit gaan dat één partij d’office en altijd de juiste dingen deed en per definitief de beste kandidaten had? Het is geen geheim dat mijn stemgedrag zich niet ter rechterzijde bevindt. Maar laat ons zeggen dat alles vanaf het centrum naar links in mijn overweging aan bod komt.

Je onderhoudt vele en goede contacten met politici in alle partijen. Hoe moeilijk is het om al die info off the record te houden?

Devos: Ik heb daar een soort stelregel in die heel helder en simpel is. Als politici bellen - om hun kijk op de zaak te geven of om advies te vragen - en ze me plots heel vertrouwelijke dingen willen meedelen, dan zeg ik ‘stop’ als ik nog ‘stop’ kan zeggen.

Op de heetste momenten, als de belangen zeer hoog zijn, is het een verschrikkelijk harde wereld.

Soms is het er al uitgefloept voor ik dat kan zeggen. In dat geval zeg ik hen: ‘Ik ga nooit de details, de bron, de namen die je geeft, de precieze woorden, de context die je schetst of wat dan ook letterlijk gebruiken. Maar als ik die informatie kan gebruiken in een analyse, als ik die info nodig heb om naar waarheid te antwoorden, zal ik dat gebruiken.’

Een voorbeeld van tijdens de coalitieonderhandelingen. Om stoom af te blazen, en tijdens het naar huis rijden - de één naar Oostende, de ander naar Antwerpen, naar Leopoldsburg, naar Brakel - kreeg ik soms op een avond twee, drie telefoons. Los van mekaar. Mijn vrouw werd er stapelgek van. Ik dacht: ‘Als die telefoons op tape zouden staan, komt dat nooit meer goed tussen hen.’

En dan krijg je ‘s morgens De Ochtend aan de lijn. Als ik dan zou vertellen wat ik de avond ervoor precies hoorde - wat ik nooit zou doen - ontploft het. En dan? Om even de interessante uit te hangen? Bovendien gaat het ook om een vertrouwen tussen individuen, dat je niet schendt.

Maar aan de andere kant moet ik de waarheid vertellen, mijn informatie delen. Ik wil ook niet in de zak zitten van de politici. Ik ben een civil servant. Dus spreek je over ‘spanningen’ en ‘forse discussie’. Meer hoeft ook niet voor de analyse. Ik heb het ook eens meegemaakt dat een politicus me een document wilde bezorgen. ‘Je moet er eens jouw gedacht over zeggen.’ Ik vroeg: ‘Is dat document geheim? Ja? Dan moet je het mij niet sturen.’ Want als het geheim is, verwacht hij van mij dat ik daar met niemand over spreek. Ook niet ten aanzien van de vierde macht. Dan lieg ik.

© James Arthur

‘Of ik het gevoel heb dat ik meer invloed heb dan de Wetstraatjournalisten? Soms wel, ja. Maar mijn rol is verwaarloosbaar.’

© James Arthur

Nog een bijkomend element - ik ben ook niet van gisteren, ik weet hoe de politiek werkt: die politicus stuurt me in alle vertrouwen dat document, ik ontvang dat, lees het en zwijg. Ik kom de dag nadien op de radio en zeg ‘dat ik het niet weet, we zullen wel zien’. En ik zeg er bijvoorbeeld bij dat die politicus in kwestie niet goed bezig is. Dan is er niets dat die man in kwestie verhindert om ‘s avonds op de radio te zeggen: ‘Devos heeft dat document van mij gekregen. En hij heeft er in de uitzending niets over verteld. Wat is die Devos eigenlijk? Een soort van Mitspieler?’ Dus dat gebruiken ze tegen je.

Op de heetste momenten, als de belangen zeer hoog zijn, is het een verschrikkelijk harde wereld. Je moet goed weten wat je daar betekent, namelijk niets. Mijn rol is verwaarloosbaar. Maar als het hen past, word je wel meegezogen in een bepaald systeem.

Een Mitspieler, zeg je.

Devos: Niet vanuit een intentie. De aard van mijn contacten met politici is anders dan die tussen hen en veel journalisten. Ze weten dat ik geen journalist ben die ook ten aanzien van zijn werkgever na vier keer eten hoort: ‘Vriend, je moet na die diners wel met iets komen, hè.’ Ik moet ‘s anderdaags geen stuk schrijven. Of onthullende artikels maken. Ik moet niet af en toe een scoop hebben. Het zijn echt analysestukken. Ik ga niet plots alles opschrijven of straffe citaten gebruiken. Het is ook niet off the record en on the record. Alles is off.

Heb je soms het gevoel dat je meer invloed hebt dan de Wetstraatjournalisten?

Devos: (aarzelt) Soms wel, ja, in vergelijking met sommigen. Er zijn soms dingen die de krant nooit halen. Of de journalisten schrijven iets, maar weten niet altijd wat er vooraf is gebeurd.

Maar er zijn nog Wetstraatjournalisten, vaak een handvol anciens, die ook in die politieke netwerken zitten. Soms zie je in de krant met wie de journalist gesproken heeft, zelfs al staat de naam van de politicus er niet bij.

Een citaat van jou: ‘Ik ben verslaafd aan de politiek.’ Heb je ooit al eens een dégoût gekregen van de politiek?

Devos: Nee, eigenlijk niet. Ik ben verslaafd. In die zin dat ik het interessant en relevant vind. Nog steeds. Ik wil nog altijd weten hoe het zit. Ik ben soms wel verontwaardigd en boos over wat er gebeurt. Het komt er op aan dat niet te veel te laten meespelen en voelen in je werk. Uitzonderlijk moet dat wel eens kunnen. Maar ik voel nooit walging.

Ook niet tijdens de politieke crisissen?

Mijn zelfwaarde hangt niet af van de politiek of de universiteit.

Devos: Nee. Dat waren super pedagogische momenten. Het is dubbel. Op het moment dat je dat meemaakt, vloek je even luid als de burgers die dat ondergaan. Ik snap hun kwaadheid helemaal.

Maar ik besef anderzijds waarom het gebeurt, waarom die stand still er is. ‘Belgian politics is stretched to the maximum’, vertelde ik vaak in het buitenland tijdens ons wereldrecord regeringsvorming in 2010. En dan zit ik daar als toevallige passant, met de protagonisten.

Zonder het te romantiseren: over die hallucinante periode gaat men over tien, twintig jaar nog praten in de politieke geschiedenis. Dat is zoals de val van de Muur.

Nu, dat was een bevrijdende operatie. De regeringsvorming was eerder een beklemmende operatie. Wat ook altijd helpt: je kan politiek eten, maar je moet ervoor zorgen dat politiek je niet opeet. Je moet wel heel duidelijk je prioriteiten in je leven stellen. Mijn leven dat me dierbaar is, heeft met politiek niets maar dan ook niets te maken. Als het over thuis gaat en de kinderen, of over mijn vrienden. Ik kan zeer gemakkelijk alles afsluiten en de relativiteit van alles inzien. Ook van mijn loopbaan aan de universiteit. Ik ben al heel lang in het reine met de gedachte dat de dag komt dat niemand er nog aan denkt om mij te interviewen, of om mij te bellen voor radio, tv of krant. En dat er anderen opstaan. Nieuw en beter. Zo werkt het. Die aanvragen gaan ooit stoppen. Dat kan niet anders. Maar ik heb daar geen probleem mee.

Ik heb al meer dan tien jaar geleefd in dat niemandsland tussen pers, politiek en de academische wereld. Ik heb nu al het gevoel dat ik heel veel en heel lang van alles heb mogen meemaken. Ooit hoorde ik in een film de volgende uitspraak: ‘Je moet op elk moment in staat zijn om alles te laten vallen en weg te lopen.’ Op zo’n manier moet je bezig zijn met je passies. Vol overgave, maar niet zelfdestructief. Mijn zelfwaarde hangt niet af van de politiek of de universiteit.

Wat mogen we op jouw grafzerk schrijven?

Devos: Ik zou herinnerd willen worden door mijn vier kinderen als een goede vader. En al de rest interesseert mij niet. ‘Hier ligt de man die ooit wel eens in een verkiezingsprogramma op de VRT zat, of die duizenden studenten heeft proberen bij te brengen wat de politiek is, of iemand die geprobeerd heeft om duizenden mensen decennialang politiek uit te leggen.’ Dat soort dingen hoeft niet voor mij. Als we komen te gaan, wie gaat er rond het sterfbed staan? Al die kijkers, studenten, journalisten, politici? Nee, hè. Wel jouw meest dierbaren. Het enige wat voor mij echt telt, is wat zij van mij vinden. Al de rest is zo relatief.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op Intervista, het digitaal magazine met diepgaande interviews met bekende figuren uit de meest diverse werelden. Onlangs bracht Intervista ook een boek uit, met dertig gebundelde interviews.