Afghanistan heeft een gouden randje

Opinie

Afghanistan heeft een gouden randje

Afghanistan heeft een gouden randje
Afghanistan heeft een gouden randje

Tine Danckaers werkt in Kaboel aan een reportage over gerepatrieerde Afghaanse asielzoekers uit Europa. Niet bekend met het ware Kaboel, wel met de schrikbeelden ervan in het Westen, ontdekt ze dat niets is wat het lijkt.

N. leidt me rond, om een eerste impressie te geven van Kaboel, de stad van zeventien districten. De stad is in wekelijkse rustmodus. Terwijl mensen elkaar ontmoeten in parken of eeuwenoude gebedshuizen, krijgt Kaboel een ademkuur. Zelfs het zwerfvuil, de verlaten kraampjes, de rijen vrachtwagenbanden lijken zich minstens beter te vermengen met de achtergrond. Tegen deze rustmodus lijken ook de vele checkpoints, roadblocks en het stoffige militaire groen en grijs op de straat niet bestand.

Gie Goris

Zonsopgang op de Hindu Kush bij Kaboel

Gie Goris

Een gouden licht aan de einder

Dit is niet wat een buitenstaander verwacht, ook niet diegene die, zoals ik, hardnekkig maar duidelijk tevergeefs, probeerde geen voorgedrukt beeld van Kaboel te hebben. De late namiddagzon op de Wazir Akbar Khan heuvel licht het nieuw aangelegde park rondom op en vervaagt tegelijk de bruine bergwanden met hun aangegroeide huizen. ‘Wij, Afghanen, noemen het ons gouden licht’, zegt N.

En dan volgt een waarschuwing tegen mogelijks teveel romantische beelden van zijn stad in mijn hoofd: ‘Een oktobervrijdag in Kaboel, daags na Eid, verzacht het oorlogsimago van Kaboel’. De stad zal haar ware gelaat nog tonen. Dat zegt ook Abdul, blogger, activist tegen gedwongen terugkeer uit Europa, en zelf migrant-af na een gedwongen retour uit Noorwegen. Geweld is geen constante aanwezige, maar komt en gaat, en zoekt daarbij de gaten om er door te glippen en onverwacht toe te slaan.

Een paar dagen later ontploft in Oost-Kaboel een zelfmoordterrorist. Drie Amerikaanse militairen geraken gewond, de tweede dode is een Afghaanse burger. Nog in de provincie Kaboel, in Qarabagh, geraken diezelfde dag bij een andere aanslag 22 mensen gewond: Afghaanse burgers. De dag erna volgt alweer een terreurdaad, opnieuw Afghanen die geraakt worden.

Het geweld blijft de Afghanen harder treffen dan de westerlingen en de daaraan gekoppelde hulpindustrie hier. Maar de anti-imperialistische sfeer is grimmiger geworden. Jolyon Leslie, een geïntegreerde Zuid-Afrikaan die al 27 jaar in Kaboel woont, is een pragmaticus. Hij begrijpt de anti-sentimenten, vertelt dat hij de beledigingen perfect verstaat die hem in het Dari of Pasjtoe, meestal door stoere jongens, naar het hoofd worden geslingerd.

‘Niet prettig’ noemt hij die groeiende ervaringen, uiterst ongepast ook, maar ‘can you blame them?’ Voor de gewone Afghaan is Kaboel een bijwijlen immobiele en ontoegankelijke stad, in de grip van veiligheid voor de elite, buitenlands èn binnenlands. Kaboel is ook een stad geworden die zich wentelt in de enorme hulpindustrie. De elite vindt het prima zo, de mindere klassen aanvaarden, uit angst voor represailles.

Gie Goris

Gie Goris

De Nieuwe Generatie

Tegelijk stromen jongens èn meisjes ’s ochtends naar school en de universiteit, staan auto’s in de file, weigeren geldwisselaars Amerikaanse dollars van vijf, ‘too small’, en puilen de straatkarren uit met heerlijk Afghaans fruit. Tegelijk ook waait, nog licht en bescheiden, toch een tegenwind: jongeren, weliswaar uit de middenklasse, pikken het niet meer. Verenigd onder nog onbekende namen als de ‘Afghaanse Nieuwe Generatie’ eisen ze hun stad terug, van de elite, èn van de buitenlanders.

‘Of ik mijn hoofddoek opnieuw om wil slaan, ook al is het donker, of net daarom?’, zegt Abdul discreet wanneer we het restaurant verlaten. Toch kan de hoofddoek het staren van twee jongens niet tegenhouden. Ze zien het, denk ik, ik ben een vreemde die probeert haar ware gelaat te bedekken.

‘Ik hou van de Europese stijl waarop je je hoofddoek draagt’, verzekert Fauwzia Koofi, parlementslid en vrouwenrechtenactiviste. Ik heb haar, voor het interview, verteld hoe het dragen van de hoofddoek me geruststelt en tegelijk bang maakt dat ik hem als een verkeerd gevouwen, ongestreken prop draag. ‘Respect’, zegt ze even later, ‘respect onder de gewone burgers is de levensader van Afghanistan. Daarom valt het land nog niet uit elkaar.’