‘Er is nog zoveel dat we niet begrijpen van de wereld onder onze voeten’

Interview

Suzanne Simard, wetenschapster en woordvoerster van oude bomen

‘Er is nog zoveel dat we niet begrijpen van de wereld onder onze voeten’

‘Er is nog zoveel dat we niet begrijpen van de wereld onder onze voeten’
‘Er is nog zoveel dat we niet begrijpen van de wereld onder onze voeten’

Van een kind dat aarde at werd Suzanne Simard bosecologe die de grond onder onze voeten bestudeert. ‘Daar is een hele wereld te ontdekken’, vertelt ze. ‘En vooral: er is nog zo veel dat we niet begrijpen over hoe het leven onder de grond samenhangt en hoe het ook ons leven bepaalt.’

© Reuters / Andy Clark

© Reuters / Andy Clark

Breed lachend met een mond vol grond en wormen. Het is een kinderfoto van haarzelf die de Canadese bosecologe Suzanne Simard altijd bij zich draagt. Daar zit ze, een meisje van twee jaar, midden op de bosgrond, haar twee knuisten vol aarde die ze gulzig in haar mond stopt. ‘Van een kind dat bosgrond at werd ik een wetenschapster die bosgrond bestudeert en probeert de wereld onder onze voeten zichtbaar te maken.’

Simard is de vrouw die het netwerk van schimmeldraden, de mycorrhiza, in kaart bracht. Dat netwerk verbindt boom- en plantenwortels met elkaar, en bomen wisselen er koolstof, mineralen en voedingsstoffen mee uit. Het wetenschappelijke tijdschrift Science muntte er in 1997 een nieuw woord voor, het Wood Wide Web, en zette haar onderzoek zo ook op de cover.

Sindsdien dringt Simard steeds dieper door in de geheimen van de bosgrond. Maar met iedere ontdekking kwamen nieuwe vragen en dook ook de nodige weerstand op. Veel van wat zij vond, druiste in tegen gangbare gedachten en praktijken. ‘Ik was een ketter’, lacht ze. ‘Terwijl ik gewoon wil begrijpen.’

Het verhaal van haar wetenschappelijke zoeken, haar verbinding met inheemse wetenschap, haar tasten als moeder, echtgenote en later gescheiden vrouw en voormalig kankerpatiënte bracht ze samen in het boek Op zoek naar de moederboom.

De dag waarop wij elkaar elk aan onze kant van de oceaan online spreken, is het in haar deel van de wereld loeiend heet en razen de bosbranden op amper tien kilometer van waar ze woont. Rondom mij zwelt het water aan en storten huizen in. ‘Klimaatverandering’, zegt ze. ‘Zo veel mensen ervaren het nu dicht bij huis. Het haalt onze levens onderuit. Nu al.’

‘Wanneer zal deze totale ontrafeling stoppen?’

Een week eerder had ze me een berichtje gestuurd. Of we het gesprek konden uitstellen? Ze was thuisgekomen en had haar moeder op de bank gevonden. Uitgeput door de hitte. Ze zweette niet meer, was uitgedroogd en sloeg wartaal uit. Ondertussen gaat het beter met haar. Maar de warmte is niet verdwenen en het vuur woedt nog steeds.

‘Het is vreselijk. In de provincie Brits-Columbia alleen al zijn driehonderd brandhaarden geteld. De vriend van mijn dochter is brandweerman. Hij werkt ’s nachts, van zes tot zes. Hij noemt het “totaal abnormale” bosbranden. Omdat het zo warm is, creëren deze branden hun eigen onweersbuien en bliksems, die op hun beurt weer meer branden veroorzaken.’

Maar ook het nog steeds gangbare bosbeheer en de bijhorende exploitaties spelen een rol. ‘We hebben onze oude, meer robuuste bomen omgehakt en vervangen door monotone naaldboomplantages. Die zijn niet opgewassen tegen het vuur. De soorten die we planten zijn erg brandbaar, de manier waarop we planten voedt het vuur. En de natuurlijke vegetatie van berken en espen, die vochtiger zijn en het vuur afremmen, hebben we gerooid. Het is als een woonwagen en een huis. We hebben van onze bossen woonwagens gemaakt. Als het zo heet is als nu, gaan ze in vlammen op. Whoosh’, zegt ze.

Het stemt haar niet vrolijk. Hoe kan het ook? Ze vertelt dat ze op weg naar huis rijen en rijen van opleggers met boomstammen passeerde. ‘We weten dat boskap goed is voor 25 procent van de globale CO2-uitstoot. De andere driekwart komt van de verbranding van fossiele brandstoffen. Toch blijven we onze oude bossen vernietigen.’

Er bestaat geen woord voor rouw over toekomstig verlies, schrijft Simard in Op zoek naar de moederboom. Toch is dat wat ze soms voelt. Wanneer zal het stoppen, vraagt ze zich ook af, deze totale ontrafeling?

Geven en nemen

Simard stamt uit een familie van houtvesters. Allemaal kapten ze bomen. Haar overgrootvader, grootvader, haar vader, haar nonkels, zijzelf. ‘We oogstten bomen’, vertelt ze. ‘Er werd zeer selectief gekapt. Het was geven en nemen. Ik herinner me hoe mijn grootvader een kaart maakte van dat deel van het bos waarin ze die dag zouden werken. Alle bomen stonden erop, en dan koos hij zorgvuldig uit welke boom ze zouden omleggen.’

‘Een volledige dag waren ze met die ene boom bezig. Eens die omgelegd was trok het paard de boom naar de rivier, waarlangs hij via handgemaakte kokers werd afgevoerd. De bosbodem bleef onaangeroerd. Het bos herstelde zich. Maar natuurlijk: toen ik bosbouwer werd, zag de praktijk er helemaal anders uit.’

19 jaar was ze toen. Een vrouw in een mannenwereld waar strikte en bijna dogmatische protocollen golden. Het ambacht van haar familie was een industrie geworden. Het was niet langer geven en nemen, maar alles nemen en weinig geven. Delen van het bos werden eenvoudigweg kaalgekapt, zware machines woelden routineus de bosgrond om en rond de zaailingen die geplant werden spoot men ondergroei van bessen of scheuten van berken en espen dood.

De aanname was dat dit concurrenten waren voor licht en water, en dat leven rond competitie over schaarse bronnen draait. Hoe minder begroeiing rond de zaailingen, hoe groter en sterker zij zouden worden. De dood van de berken betekende het leven van de aangeplante sparren.

© Diana Markosian

‘Suzanne Simard, bosecologe, stamt uit en familie van houtvesters: ‘Ik was een ketter. Terwijl ik gewoon wil begrijpen.’

© Diana Markosian

‘Heel vaak bleek het omgekeerde waar. De naalden kleurden geel, de boompjes groeiden trager dan gehoopt, de wortels hadden last van wortelrot. De protocollen die we hanteerden misten hun doel. Ik wilde weten waarom.’ Ze glimlacht. ‘Het werd mijn levenswerk.’

Natuurlijk had ze zo haar vermoedens over waar het fout liep met deze exploitatieve houtindustrie. Telkens ze in de bosaarde keuterde, legde ze die kilometerslange schimmeldraden bloot die zich rond wortelharen kronkelden en schijnbaar alles ondergronds met elkaar verbonden. Door al het leven rond de nieuwe zaailingen uit te rukken of dood te spuiten, slaagden die jonge boompjes er niet in zich breed en diep genoeg te wortelen. Intuïtief wist Simard dat ze het antwoord op haar vraag in de aarde moest zoeken.

Maar intuïtie is geen wetenschappelijke theorie. En dus legde ze proefvelden aan. Waarbij ze enerzijds experimenteerde met minder tot geen onkruidverdelger en anderzijds het verschil registreerde tussen bomen die in het web van mycorrhiza stonden en bomen die ze er bewust van afsneed door greppels rond hun wortelstel te graven.

Verband tussen de soorten

Een jaar observatie bevestigde wat ze veronderstelde. Dat de aangeplante sparren beter gedijden in een divers landschap in plaats van in een doodgespoten woestenij, en dat bomen niet floreerden als ze buiten het ondergrondse schimmelnetwerk wortelden. Voor planten die het zonder ondergrondse verbinding met andere moesten doen, was het leven een voortdurende strijd.

‘We hebben een hele wereld onder onze voeten te ontdekken. Het zou zo veel goeds met zich meebrengen mochten we ons een beetje meer om die aarde bekommeren.’

Het was een ontdekking die bij Simard de bewondering en fascinatie voor die onzichtbare en amper gekende wereld onder onze voeten enkel vergrootte. Want wat was de relatie tussen mycorrhiza en bomen? Wisselden ze voedingsstoffen uit? Stonden bomen in verbinding met elkaar? Hadden bomen ook contact met niet-soortgenoten? Simard onderzocht het allemaal op proefvelden in bossen, waarbij ieder antwoord dat ze vond minstens tientallen nieuwe vragen opriep.

‘We weten nog zo weinig’, zegt ze nu, na bijna dertig jaar van experimenten en onderzoek. ‘Aarde is moeilijk te doorgronden en makkelijk te negeren. We hebben allerlei manieren ontwikkeld om in die grond te kijken. We kunnen een lepel aarde nemen en de om en bij negentig miljoen wezens die erin leven genetisch analyseren. Dan nog hebben we geen idee van wat het verband is tussen al die soorten.’

‘Miljarden soorten onder de grond worden gevoed door de fotosynthese van de planten en de bomen. Ze zijn verbonden met de atmosfeer door de bomen. CO2 en licht worden omgezet in chemische energie en dat drijft de stikstofcyclus, de watercyclus en de koolstofcyclus aan. Alle cycli waar onze levens afhankelijk van zijn, en toch weten we er zo weinig over. Welk organisme speelt welke rol?’

Woordvoerster van oude bomen

Er glijdt een glimlach over haar gezicht. Het is een zachte, maar ook lichtjes geïrriteerde glimlach. ‘Ik moet er zo om lachen. Die miljardairs, Bezos, Branson en Musk, die de ruimte willen veroveren. Waarom? We hebben een hele wereld onder onze voeten te ontdekken, en het zou zo veel goeds met zich meebrengen mochten we ons een beetje meer om die aarde bekommeren. We springen er zo achteloos mee om.’ Ze zucht. ‘Zo verdomd achteloos.’

‘Het idee van competitie (tussen bomen) klopte gewoon niet, terwijl ons hele beheersysteem op dat idee rustte.’

Want zelfs met wat we ondertussen weten over hoe bomen, lucht en aarde verbonden zijn met elkaar, doen we niet altijd zo veel. De eerste jaren werd Simard smalend bekeken door haar voormalige collega’s bij bosbeheer. Ze noemden haar de berkenfluisteraar omdat ze steeds weer voor het behoud van de berk ijverde. ‘Tuurlijk deed ik dat’, antwoordt ze. ‘Ik had aangetoond dat berken en sparren via het ondergrondse netwerk koolstof met elkaar uitwisselen. Hoe meer de spar in de schaduw van de berk stond, hoe meer koolstof er van de berk naar de spar vloeide. Het idee van competitie klopte gewoon niet, terwijl ons hele beheersysteem op dat idee rustte.’

En dus werd haar onderzoek in twijfel getrokken en weggezet als onnauwkeurig en moeilijk te reproduceren. Ongewild ontpopte ze zich tot woordvoerster van oude bomen en bosgrond en kreeg ze het stempel van bosactiviste, terwijl ze in haar hart enkel gedreven werd door de drang om te doorgronden.

‘Ik wist dat er een terugslag zou komen, maar ik was er niet op voorbereid. Ik werkte tussen al die mannen die bijna koortsachtig bezig waren met spuiten en kappen en het vernietigen van inheemse planten. En ik had het over het belang van die ondergroei, de bessen, de berken, de espen. Ik meende dat het goed was om die vastgeroeste praktijken te veranderen, omdat ze het ecosysteem verzwakten en zelfs vernietigden. Maar ze spuiten nog steeds de berken en espen dood. Al zijn de dosissen wel wat verlaagd.’

‘De sinistere ironie is dat het net die planten zijn die ons kunnen beschermen tegen zowel bosbranden als keverplagen, die onze bossen nu kapotmaken en die met de klimaatcrisis enkel zullen verergeren. We hebben onze landschappen zo verarmd dat ze kwetsbaar zijn geworden. Het wordt tijd om aandacht te schenken aan het geheel van een ecosysteem, aan alle onderlinge relaties, en van daaruit het hout te oogsten dat we nodig hebben. Maar wat we nu doen, grote gebieden kaalkappen en dan achteraf onderzoeken wat er fout liep, waarom bomen sterven of ziektes ontwikkelen?’ Ze schudt het hoofd. ‘Zijn we echt niet slimmer dan dat?’

© Panos / Andrew Testa

‘In Canada kappen ze nu de boreale wouden om die te versnipperen tot houtpellets als vervanging van fossiele brandstoffen.’ (foto: boreale bossen in Canada die verdwijnen voor een waterkrachtcentrale)

© Panos / Andrew Testa

Moederbomen

De bosecologe vermoedt dat het in 2015 was. Haar kankertherapie was bijna afgerond en ze reed van Vancouver naar Nelson langs bossen en aanplantingen van verdorde en kaalgevreten douglassparren. Omdat de temperatuur in de winter nog amper onder de dertig graden zakt, blijven de larven van de bergdenkevers leven. Volgroeid richten ze in de monotone bossen een ware ravage aan.

‘Als we de klimaatcrisis ernstig nemen, dan hebben we het niet alleen over het planten van bomen. Dan stoppen we nu met het kappen van oude bomen en bossen.’

Het zette Simard op het spoor van haar volgende onderzoeksproject, dat van de moederboom, waarnaar de titel van haar boek ook verwijst. ‘Moederbomen,’ legt ze uit, ‘vormen de knooppunten van het mycorrhizale netwerk. Ze zorgen voor hun nakomelingen, maar vormen evengoed verbindingen met andere boomsoorten.’

Haar Mother Tree Project bestaat uit negen experimentele bossen, verspreid over verschillende klimaatgordels. Simard wil met haar team onderzoeken welke combinatie van rooien en planten het best bestand is tegen de stressfactoren van de klimaat- en biodiversiteitscrisis.

Wat ze nu al weet en proefondervindelijk kan onderbouwen, is hoe cruciaal deze moederbomen zijn voor de opslag van koolstof in hun stam, takken en wortels, maar ook in de ondergrond. ‘Vijftig procent van de koolstof wordt opgeslagen in de boom, maar evenveel stockeert hij in de ondergrond. Bovendien blijven bomen CO2 opslaan. Die capaciteit verdwijnt niet met het ouder worden. Ze vermindert wat, omdat een oudere boom ook energie stopt in plaagbestrijding of in het herstel van zijn schors, maar het stopt niet.’

‘Natuurlijk: als je een handvol naalden van een jonge boom vergelijkt met de naalden of bladeren van een moederboom, dan doet die eerste relatief gezien meer aan fotosynthese dan de laatste. Maar daarbij mag je niet vergeten dat de kruin van een moederboom zo veel groter is. Met andere woorden: als we de klimaatcrisis ernstig nemen, dan hebben we het niet alleen over het planten van bomen. Dan stoppen we nu met het kappen van oude bomen en bossen. Omdat het minstens honderd jaar duurt vooraleer je de CO2-opslag weer opbouwt die je verliest als je een oud bos rooit. Die tijd hebben we niet.’

Deel van het geheel

Weer glijdt die glimlach over haar gezicht. Zoals een boom zich verweert tegen kevers door chemische stoffen aan te maken, zo beschermt Simard zich tegen de stilaan zelfdestructieve praktijken van de houtindustrie door haar ergernis weg te glimlachen. ‘Toch springen we zo gedachteloos met onze oude bossen om. In Canada kappen ze nu de boreale wouden om die te versnipperen tot houtpellets als vervanging van fossiele brandstoffen. De koolstofberging die we zo hard nodig hebben, stoken we gewoon op, waardoor we de klimaatcrisis nog versnellen. Gekmakend is het soms.’

Een gebrek aan verbondenheid, noemt ze het ook. Het is wat de bomen haar leerden: hoe alles met elkaar in relatie staat en hoe elk van de delen een rol speelt in het geheel. Misschien was het dat wat ze als kind al voelde toen ze tussen de bomen op de bosgrond zat. Maar het is zeker een kennis die ze aanscherpte door de contacten die ze uitbouwde en onderhield met de inheemse bewoners van Canada.

‘Ik ben opgegroeid met inheemse mensen om me heen’, vertelt ze. ‘Maar toen begreep ik niet veel van hun wereldbeeld. We kregen er geen les over, het werd beschouwd als marginaal, iets waar we van af wilden. Maar later had ik het voorrecht te mogen samenwerken met inheemse onderzoekers. Ze deelden zo veel van hun kennis met mij, en ik besefte dat veel van wat ik ontdekte tot hun traditie behoorde. Nu ben ik ervan overtuigd dat onze westerse opvatting van wetenschap er enkel rijker op wordt als we de inheemse wetenschap omarmen.’

En ja, ze gebruikt bewust de woorden ‘inheemse wetenschap.’ ‘Kennis of wijsheid wordt door wetenschappers niet al te serieus genomen. Terwijl de manier waarop inheemse volkeren hun kennis over de wereld ontwikkeld hebben, gebaseerd is op waarnemingen en op experimenten. Op basis daarvan hebben ze een relatie met hun omgeving opgebouwd. Hoe nauwer ik met hen samenwerk, hoe belangrijker ik het vind onze kennissystemen te verbinden. We hebben heel veel van hen te leren.’

Dit interview werd geschreven voor het herfstnummer van MO*magazine. Voor slechts 32 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.