Drie raadsels over de Millenniumdoelen

Analyse

Drie raadsels over de Millenniumdoelen

Drie raadsels over de Millenniumdoelen
Drie raadsels over de Millenniumdoelen

Amper één van de oorspronkelijke 18 streefcijfers in de Millenniumdoelen zal gehaald worden: gendergelijkheid in het lager onderwijs. Toch gaan 50 miljoen kinderen nog steeds niet naar school en blijft de kwaliteit van het onderwijs in vele gevallen bedenkelijk. Maar de echte vraag is: waarom zijn de overige 17 niet gehaald?

Sinds 1990 is de wereld minder vlug vooruit gegaan op gebied van menselijke ontwikkeling dan voordien. De gaande verklaring daarvoor is dat het bereiken van streefcijfers zoals de MDG’s drie essentiële ingrediënten vereist: economische groei, goed bestuur en meer/betere ontwikkelingshulp. Ze worden soms de drie g’s genoemd: growth, governance en grants. Maar dat verhaal klopt niet helemaal.

Pinokkio en de ontwikkelingshulp

Op basis van berekeningen van Jan Timbergen, die als eerste de Nobelprijs voor economie in ontvangst nam, beloofden de rijken landen, in 1970, om 0,7 procent van hun nationaal inkomen te besteden aan ontwikkelingshulp. Die doelstelling werd nooit gehaald.

Gezamenlijk besteden ze momenteel ongeveer 0,3 procent van hun inkomen aan hulp. Vijf landen houden zich wel aan de belofte: Nederland, Luxemburg, Denemarken, Noorwegen en Zweden; alhoewel de huidige regering in Nederland onlangs besliste om de 0,7 norm niet langer te handhaven.

België ligt normaal in zesde positie, maar blijft ver onder de 0,7 grens. Gezamenlijk doen de donorlanden het ondermaats omdat belofte blijkbaar geen schuld maakt in grote landen. Enkel het Verenigd Koninkrijk neemt dit streefcijfer momenteel ernstig; terwijl Italië, Japan en de Verenigde Staten haar nog steeds aan hun laars lappen.

Dat de 0,7 norm onhaalbaar is omwille van de crisis is een drogreden. Het gaat immers niet over grote sommen geld, maar over prioriteiten.

Duitsland en Frankrijk doen het iets beter, maar vallen eveneens in de categorie van Pinokkio. Vandaag wordt vaak beweerd dat de 0,7 norm onhaalbaar is omwille van de crisis. Dat is een drogreden. Het gaat immers niet over grote sommen geld, maar over prioriteiten.

Alhoewel de 0,7 norm niet wordt gehaald, is ontwikkelingshulp niet gedaald in de voorbije jaren. Integendeel, hij is lichtjes gestegen in relatieve termen en forser in absolute valuta. Daarbij komt dat het gebruik van de ontwikkelingsfondsen waarschijnlijk verbeterd is omdat de donorlanden zich er geleidelijk toe verbonden hebben hun hulpbeleid bij te stellen.

Het debat heeft zich gericht op de effectiviteit van ontwikkelingshulp. Dit heeft geleid tot de Verklaring van Parijs (2005), de Accra Agenda for Action (2008) en het Busan Partnership Agreement (2011). Terecht onderstrepen ze het belang van national ownership, alignment, harmonisation en policy space.

Dit betekent niet dat ontwikkelingshulp niet langer gekenmerkt is door incoherentie, versnippering, onvoldoende maatwerk, kortzichtige betrokkenheid, en donor-driven prioriteiten. Het hulpdoolhof gedijdt, met een reeks bilaterale en multilaterale donoren, tal van ngo’s, filantropische stichtingen, en een toenemend aantal vertikale fondsen (bijvoorbeeld voor aids).

Het is echter niet mogelijk om het niet halen van de MDG’s toe te schrijven aan te weinig ontwikkelingshulp. Vandaag is er meer hulp, en van betere kwaliteit, dan twintig jaar geleden. We moeten dus op zoek naar een andere verklaring voor de vertraging die sinds 1990s is ingetreden in de globale vooruitgang vis-à-vis de MDG’s.

Democrazy of goed bestuur?

Democratie en goed bestuur worden gezien als voorwaarden voor menselijke en duurzame ontwikkeling. Hun relatie is echter complexer en minder lineair dan veelal wordt aangenomen. Er zijn te veel uitzonderingen op de veronderstelde regel die uitleg vereisen over de precieze relatie tussen goed bestuur en ontwikkeling.

In zijn boek _Bad Samaritan_s (2007) bespreekt de Cambridge-econoom Ha-Joon Chang een aantal concrete gevallen in dit verband. Hij contrasteert, bijvoorbeeld, Zaïre onder Mobutu met Indonesië onder Soeharto om het inherente probleem bloot te leggen met de heersende opvatting dat “corruptie één van de grootste, zo niet de grootste hindernis is voor economische ontwikkeling”.

De stelling dat “corruptie één van de grootste, zo niet de grootste hindernis is voor economische ontwikkeling” is niet aantoonbaar.

Het is uiterst moeilijk om het verband tussen goed bestuur en ontwikkeling hard te maken. Dat dit theoretische argument rammelt, wordt ook aangetoond in Bangladesh. Dat land is een van de kampioenen in termen van MDG-vooruitgang. Ondanks zijn respectabele prestatie op gebied van menselijke ontwikkeling in de afgelopen decennia, rangschikt Transparency International het land als een van de meest corrupte naties.

Zulke raadsels moeten ontward worden, zo niet riskeren we in de valkuil te belanden van confirmation bias. Het verband tussen goed bestuur en ontwikkeling is blijkbaar complexer dan wat sommige poneren.

Bovendien is het zo dat sinds 1990, met het einde van de Koude Oorlog, heel wat landen in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en het Midden-Oosten een democratisch regime hebben ingevoerd. Na de val van de Berlijnse muur zijn ettelijke dictaturen gesneuveld, maar dit heugelijk gebeuren heeft niet geleid tot een versnelling van menselijke ontwikkeling in de wereld, wel integendeel.

De Oxford-econoom Paul Collier beschouwt vele van de verwachtingen die uit de democratisering zouden voortvloeien als overdreven; hij noemt ze democrazy. Goed bestuur blijkt dus evenmin een verklaring te bieden voor de MDG-vertraging die de wereld is opgelopen na 1990.

Economische groei is de mantra

Dat brengt ons bij de derde verklaring. Maar hier zijn de aanwijzingen evenmin overtuigend. Sinds 1990 heeft de wereldeconomie het immers behoorlijk goed gedaan. Gedreven door de groeilanden, lag de economische groei na 1990 hoger dan in de jaren ‘70 en ‘80. Nochtans ging het minder snel vooruit op gebied van onderwijs, volksgezondheid en andere dimensies van menselijke ontwikkeling dan vóór 1990.

Versnelde groei ging de voorbije jaren samen met trage sociale vooruitgang.

Het neoliberale cliché, dat geen sociaal paradijs gebouwd kan worden op een economisch kerkhof, is blijkbaar op zijn kop gezet. Versnelde groei ging immers samen met trage sociale vooruitgang.

Vandaag beweert men dat de relance van de economie vereist dat de loonkosten, de belastingen en de overheidsuitgaven omlaag moeten. Daarbij wordt voortdurend gesteld dat er geen alternatief is; wat de aanhangers van het neoliberale verhaal tot ‘de bende van Tina’ maakt – naar hun refrein There is no alternative.

Daarbij wordt vaak een crisisscenario geschetst, alsof rijke landen niet langer rijk zouden zijn. Maar dat verhaal klopt helemaal niet. Zoals De Grauwe stelt in zijn boek De Limieten van de Markt (2014), zijn “hoge loonkosten het resultaat zijn van  hoge productiviteit”.

‘Een goede manier om mensen van onwaarheden te overtuigen, is frequente herhaling, omdat bekendheid niet goed van waarheid kan worden onderscheiden.’

Ons productiviteitsniveau stagneert niet; het daalt evenmin. België is het derde rijkste land ter wereld, gemeten volgens het nettovermogen van de gemiddelde inwoner. Ons vermogen blijft wel degelijk aangroeien; de Belgische spaarboekjes zwellen nog steeds aan. Toch wordt een klimaat geschets dat we in een diepe crisis verkeren. Vreemd.

Hoe worden dergelijke halve waarheden populair gemaakt? De psycholoog Daniel Kahneman, Nobelprijswinnaar voor economie, geeft een verklaring in zijn boek Ons feilbare denken (2011), waarin hij schrijft ‘een goede manier om mensen van onwaarheden te overtuigen, is frequente herhaling, omdat bekendheid niet goed van waarheid kan worden onderscheiden’.

De industrie die kennis ondergraaft

De term ‘agnotologie’ komt hier van pas. Hij werd gemunt in 2008 door de Stanford professor Robert Proctor. Daarmee verwijst hij naar de studie over ons ‘niet-weten’, afgeleid van het Griekse woord agnosis. Hij toont aan dat onze onwetendheid vervaardigd en gemanipuleerd wordt door middel van studies, rapporten en persberichten die als doel hebben om zekerheden als onzeker voor te stellen; of om onzekerheden te presenteren als absoluut zeker.

Onze onwetendheid wordt vervaardigd en gemanipuleerd door middel van studies, rapporten en persberichten

De manier waarop de tabaksindustrie de publieke opinie heeft beïnvloed in het verleden wordt nu gerepliceerd door de voedingsindustrie met betrekking tot obesitas. Klimaatsceptici gebruiken dezelfde techniek in een poging om zekerheden als onzeker voor te stellen.

De proliferatie van denktanks en de concentratie van mediagroepen zijn symptomatisch voor de groeiende productie van onwetendheid. De meeste van hen worden gefinancierd door vermogende particulieren, grote bedrijven en machtige belangengroepen.

Ze zijn ook actief op het gebied van het sociaal en economisch beleid. Vaak is het de bedoeling de aandacht af te leiden van de echte problemen van armoede en werkloosheid door populistische opvattingen te verspreiden dat misbruik wordt gemaakt van sociale uitkeringen of dat de verantwoordelijkheid voor zwaarlijvigheid of armoede uitsluitend toe te schrijven is aan een verkeerde levensstijl of foute beslissingen van het individu zelf.

Tegelijkertijd betwisten en weerleggen die denktanks en mediahuizen andere mogelijke pistes en verklaringen. Dit werd onlangs blootgelegd door de mislukte poging in de Financial Times om de bewijsstukken die de Franse econoom Thomas Piketty gebruikt in zijn baanbrekend werk Kapitaal in de 21st eeuw (2014) in diskrediet te brengen.

Raadsel?

Ontwikkelingshulp, goed bestuur en economische groei spelen uiteraard een rol in het bevorderen van menselijke ontwikkeling. Daar gaat de discussie niet over. Het is echter zo dat ze geen sluitende verklaring bieden voor de vertraging die de wereld heeft opgelopen in het nastreven van de MDG’s. Voor het antwoord op de vraag in de titel, moet ik uitnodigen om ook de volgende bijdrage in deze serie over ontwikkeling in en na 2015 te lezen. We kunnen nu reeds stellen dat het niet om een onverklaarbaar raadsel gaat.