Gele hesjes raken achilleshiel van het groene verhaal

Analyse

De weg naar een sociale energietransitie

Gele hesjes raken achilleshiel van het groene verhaal

Gele hesjes raken achilleshiel van het groene verhaal
Gele hesjes raken achilleshiel van het groene verhaal

Klimaatbeleid was tot nu toe vooral interessant voor de beter gegoede middenklasse. Hoe verander je dat? John Vandaele onderzocht onze energietransitie. Vaststelling: hernieuwbare energie ontsnapt niet aan het mattheuseffect.

© Reuters / Benoit Tessier

© Reuters / Benoit Tessier

Achteraf bekeken is het verbazend dat het zo lang heeft geduurd voor er gele hesjes aan de einder verschenen om – aanvankelijk – tegen de CO²-heffing op benzine te protesteren, die de Franse president Macron had ingevoerd in het kader van zijn klimaatbeleid. Het is immers al jaren zo dat de meeste overheidsmaatregelen om de overgang naar een koolstofarme samenleving te ondersteunen vooral dezelfde meer gegoede groepen helpen, terwijl de laagste inkomens doorgaans niet kunnen meedoen.

Van de premies voor energiebesparende maatregelen ging slechts drie procent naar mensen in een kwetsbare situatie.

Voor de Vlaamse en Belgische situatie hadden verschillende studies van deelaspecten dat al aangetoond. Zo gaf Griet Verbeeck, hoogleraar bouwfysica aan de Universiteit Hasselt, in haar studie van 2017 aan dat 58 procent van de belastingverlaging voor energiebesparende maatregelen naar de hoogste inkomensgroep (met een netto belastbaar jaarinkomen boven de 40.000 euro) is gegaan.

Van de premies voor energiebesparende maatregelen ging slechts drie procent naar zogenaamde beschermde afnemers – dat zijn mensen in een kwetsbaarder situatie. ‘Voor de minst gegoede huishoudens, die het meest baat zouden hebben bij energiebesparende maatregelen, vanuit een nood aan beter comfort en/of een lagere energiefactuur, blijkt de stimulans duidelijk niet groot genoeg te zijn en/of te weinig bekend. Voor hen zijn hoogstwaarschijnlijk de hoge initiële investeringskosten een (voorlopig) onoverbrugbare barrière’, besloot Verbeeck.

In een Leuvens Economisch Standpunt uit 2016 toonden de economen De Groote, Pepermans en Verboven dan weer aan dat de subsidiëring door middel van Groene Stroomcertificaten van zonnepanelen vooral bij welgestelde gezinnen belandde. ‘In gebieden waar het inkomen tien procent hoger ligt, is het aantal zonnepanelen zestien procent hoger… Er is dus sprake van een mattheuseffect waarbij de subsidies vooral ten goede komen aan de hogere inkomens’, besloten de auteurs. Bovendien stelden de onderzoekers vast dat de adoptiegraad vooral hoger was bij grotere gebruikers (dat zijn ofwel grote gezinnen of grote woningen), bij huiseigenaars en bij nieuwere huizen.

Uiteraard konden zonnepanelen pas goedkoper worden als ze op een zekere schaal werden geproduceerd en dat kon wellicht alleen maar gebeuren door de middenklasse in de rijke landen, met behulp van subsidies, aan te moedigen om die nieuwe technologie uit te proberen. Die aanpak is erg succesvol gebleken want de prijzen zijn ingestort maar intussen is het nog altijd zo dat de onderhand goedkope zonnestroom moeilijk bereikbaar is voor de lagere inkomensgroepen. Wie geen eigen dak én geen drieduizend euro heeft, komt niet in aanmerking.

Toen energiecoöperatie Energent in 2016 aan Eandis (intussen Fluvius) vroeg waar in Gent de zonnepanelen lagen, bleek dat in wijken met meer mensen met hogere inkomens tot tien procent van de geschikte daken zonnepanelen had. In wijken met meer armere gezinnen en/of huurders lagen op amper één procent van de geschikte daken zonne-installaties. Het lijkt er dus op dat – met de huidige regelingen – diegenen die de goedkope zonnestroom het best kunnen gebruiken hem het laatst zullen krijgen.

Bedrijven en gezinnen

Eind 2018 zette de Brusselse denktank Bruegel alle types van klimaatmaatregelen op een rijtje. ‘Ons onderzoek leert dat de meeste beleidsmaatregelen om afstand te nemen van koolstof in de praktijk regressief zijn, dat wil zeggen dat ze vooral mensen met een hoger inkomen helpen, dan wel gezinnen met een lager inkomen meer raken’, aldus Gregory Claeys van Bruegel.

‘Net als in Duitsland hebben bij ons vooral de gezinnen de kosten van de energietransitie gedragen tot nu toe.’

Een CO²-heffing op elektriciteit is volgens Bruegel regressief omdat armere gezinnen een groter deel van hun inkomen besteden aan hun stroomfactuur en vaak niet de middelen hebben om hun consumptie te doen dalen door de aanschaf van energie-efficiëntere toestellen. Hetzelfde geldt voor verwarming. Subsidies voor lage koolstoftechnologie zoals zonnepanelen, isolatie, elektrische voertuigen gaan, zoals al gezegd, in hoofdzaak naar de hogere inkomens. Bruegel schat dat alleen een CO²-heffing op luchtverkeer echt progressief is omdat rijkere mensen veel vliegen.

Claeys: ‘Of je moet proberen om de maatregelen zo te ontwerpen dat ze niet vooral de rijkere groepen helpen of de armsten meer raken, of je moet compenserende maatregelen nemen.’

© Reuters / Benoit Tessier

Gele hesjes eisen meer sociale rechtvaardigheid

© Reuters / Benoit Tessier

Het Bruegelrapport wijst er tevens op dat de Europese emissiehandel voor grote (energie-intensieve) bedrijven lange tijd regressief werkte omdat hij toeliet dat bedrijven voordeel haalden uit gratis emissierechten ten koste van gezinnen en regeringen. Pieter Verbeek, de milieu- en energiespecialist van het Vlaams ABVV: ‘Net als in Duitsland hebben bij ons vooral de gezinnen de kosten van de energietransitie gedragen tot nu toe. Energie-intensieve bedrijven worden vrijgesteld van groene stroomcertificaten, gedeeltelijke vrijstelling van de federale offshoretoeslag, geen of een lage Turteltaks… Gezinnen en kmo’s daarentegen betalen een steeds groter deel van allerlei kosten die aan de stroomfactuur worden toegevoegd. De vraag is of dat wel rechtvaardig is, en of er niet dringend sociale correcties moeten komen.’

Ook in het Nederlandse klimaatplan bleek de verdeling van de lasten tussen bedrijven en gezinnen een erg gevoelig punt.

Ongetwijfeld heeft men de grote bedrijven ontzien met als argument dat ze internationaal concurrerend moeten zijn en tegen dezelfde energieprijzen moeten kunnen werken als in andere landen. Dat roept dan enerzijds de vraag op of de EU geen coördinerende rol moet vervullen en anderzijds of er geen behoefte is aan ecologische grensheffing die Europese bedrijven beschermt tegen niet-Europese bedrijven die in hun land niet bijdragen tot de energietransitie. Anders gezegd: is mondiale of Europese concurrentie een goed argument om vooral de gezinnen de lasten van de energietransitie te laten dragen? Zo dreig je het draagvlak voor Europese eenwording én globalisering verder te ondergraven.

280.000 Vlaamse gezinnen verkeren in woonnood.

Deze aanpak van de energietransitie geeft populistische politici – denk aan Trump of Baudet – veel kansen om klimaatverandering voor te stellen als een religie van de beter gesitueerden die de lagere inkomens alleen maar geld kost.

Daarom heeft deze kwestie niet alleen een rechtvaardigheidsdimensie, ze is ook nauw verbonden met het welslagen van de energietransitie. Als die nu echt op kruissnelheid moet komen – en dus in de breedte moet gaan en iedereen meenemen – dan zal er uit een ander vaatje moeten worden getapt. Anders kan het verzet toenemen.

© Reuters / Wolfgang Rattay

Groene jongeren zetten klimaat bovenaan de politieke agenda

© Reuters / Wolfgang Rattay

Een ander ontwerp is mogelijk

Hoe kunnen we voldoende snel alle woningen klimaatneutraal en energie-efficiënt maken, op een manier die iedereen meeneemt? We moeten ons de unieke schaal van die uitdaging realiseren én het sociale aspect vanaf het begin incalculeren. Een krachtig voorbeeld van hoe dat kan, vinden we in het boek Fundamenten van de denktank Minerva. Daar tekent Pascal De Decker, hoogleraar aan de KU-Leuven, uit hoe we de unieke uitdaging van de klimaatverandering kunnen aangrijpen om een ander oud en groeiend zeer aan te pakken: het feit dat meer en meer Vlamingen na het betalen van hun woonkosten in de armoede belanden.

Volgens het grote woononderzoek van het Vlaamse Steunpunt Wonen steeg tussen 2008 en 2013 het aantal gezinnen dat in armoede terechtkomt na het betalen van de woonkosten van 269.606 naar 312.409. Dat is een kleine vijftigduizend extra in vijf jaar tijd. Meer dan de helft daarvan zijn mensen die aan een woning geraken op de particuliere huurmarkt. 80.000 onder hen zijn mensen die een eigen woning afbetalen, ruim 60.000 betrekken een sociale huurwoning.

Uit dat alles komt naar voren dat 280.000 Vlaamse gezinnen in woonnood verkeren. De Decker stelt voor om 280.000 goed geïsoleerde sociale huurwoningen extra te bouwen en meer dan een miljoen andere woningen op te knappen. Dat zou een enorme impuls geven aan de werkgelegenheid in de bouwsector maar ook veel meer mensen een gezonde woning verschaffen, met alle voordelen van dien.

‘Sinds jaar en dag gaat het leeuwendeel van de overheidssubsidies voor wonen naar de woonbonus, terwijl de grootste sociale nood eigenlijk op de particuliere huurmarkt zit.’

Het bouwen van tienduizenden huurwoningen op centraal gelegen plaatsen, in grote en kleinere steden, niet ver van knooppunten van openbaar vervoer zou ook een stap zijn naar een ecologisch verantwoorder ruimtegebruik en een tegenwicht bieden voor de gentrificatie van onze steden. Opdat wie in onze steden werkt, er ook kan blijven wonen.

De grote vraag is natuurlijk hoe zo’n inspanning kan worden gefinancierd. Investeringen in isolatie betalen zichzelf immers niet snel terug. Er is dus geld nodig dat geen of een laag rendement eist. Doorgaans wordt daarvoor in de richting van de overheid gekeken. Koen Schoors, hoogleraar economie aan de UGent, lanceerde het idee dat geïnteresseerde burgers zouden kunnen inschrijven op laagrentende eco-obligaties (green impact bonds). Het is onzeker of die veel succes zouden hebben. Als het gaat om overheidsmiddelen suggereert De Decker om de woonbonus te heroriënteren naar zijn Marshallplan.

‘Sinds jaar en dag gaat het leeuwendeel van de overheidssubsidies voor wonen naar de woonbonus (de fiscale aftrek waarvan we genieten na aanschaf van een woning) terwijl de grootste sociale nood eigenlijk op de particuliere huurmarkt zit, waar meer dan de helft meer dan dertig procent van zijn of haar inkomen aan wonen besteedt. Bij de afbetalende eigenaars is dat maar tien procent.’ Bovendien wijzen economen als Geert Noels er al jaren op dat de woonbonus vooral de woningprijzen opdrijft en zodoende in de zakken van de eigenaren en de vastgoedsector belandt.

Sociaal geïnspireerd klimaatbeleid zou mensen die moeite hebben om het einde van de maand te halen de transitie anders laten ervaren.

Er zijn nog andere voor de hand liggende financieringsbronnen: een meerwaardebelasting op de verkoop van woningen en gronden, de opbrengst van een realistischer kadastraal inkomen, de opbrengst van de emissiehandel (ook door het afbouwen van de gratis emissierechten)… Om geen te grote schokeffecten teweeg te brengen, is een beetje van dat alles wellicht een goede aanpak.

Mathias Bienstman, beleidsverantwoordelijke bij BBL: ‘Politiek gaat het nooit lukken om een bepaalde subsidie die al jaren bestaat in een klap af te schaffen. Daarom vervangen wij de woonbonus ten dele door een klimaatbonus die burgers fiscaal steunt in het renoveren van hun woning, terwijl we toch een deel ervan heroriënteren naar de renovatie van sociale woningen.’

De Gentse schepen voor klimaat, energie en wonen Tine Heyse, die al zes jaar aan de weg naar een sociale energietransitie timmert in haar stad, wijst op een andere flessenhals: ‘De uitdaging is zo groot dat de vraag rijst of er geen tekort aan bouwondernemingen dreigt.’

Josefine Vanhille van Universiteit Antwerpen wijst er verder op dat een wijkgerichte aanpak en trajectbegeleiding bijdragen tot succes. In het Nederlandse klimaatplan wordt ook sterk de nadruk gelegd op de wijkgerichte aanpak. Zeker in wijken met soortgelijke woningen levert een wijkaanpak schaalvoordelen op, en voorts is er uiteraard de dynamiek die in een wijk kan ontstaan.

Zo’n grootschalig plan zou de lastige problemen om de particuliere huurmarkt te renoveren voor een stuk omzeilen. Josefine Vanhille leert uit proefprojecten dat het moeilijk is om private huurwoningen te renoveren. Een van de redenen is de split incentive: als de eigenaar een investering doet om de woning te isoleren, gaat het voordeel daarvan – de lagere energiekost – naar de huurder, tenzij de huurprijs kan worden verhoogd. Die prijzen zijn omwille van de krapte op de markt al relatief hoog. Er zijn ook verhuurders die niet over de middelen beschikken om hun woningen te renoveren.

De meeste sociaal geïnspireerde klimaatvoorstellen houden in meerdere of mindere mate een inkomensherverdeling in. Of daar een maatschappelijk draagvlak voor is, zal moeten blijken. Zeker is dat op die manier klimaatbeleid anders zou worden waargenomen door mensen die het moeilijk hebben om het einde van de maand te halen.

© Reuters / Wolfgang Rattay

© Reuters / Wolfgang Rattay

De zon is van iedereen

Hoe maak je de productie van hernieuwbare energie minder onderhevig aan het mattheuseffect? Van nature lenen zonne- en windenergie zich beter voor zogenaamde decentrale productie.

Alleen als overheidsbedrijven mee de windenergie exploiteren, worden in principe alle burgers beter van de winst.

Gezinnen leggen zonnepanelen op hun dak en voorzien in hun eigen stroom, heel anders dan gascentrales of kerncentrales die tienduizenden mensen tegelijk van stroom voorzien. De winst van de productie wordt zo over meer mensen verdeeld.

Bij windenergie lijkt het minder eenvoudig om iedereen de opbrengsten ervan te laten genieten: je kan nu eenmaal geen windmolen in je tuin zetten. Daar bieden burgercoöperaties die participeren in windprojecten de kans om hun vennoten een graantje van de door de overheid gegarandeerde winst te laten meepikken. Maar ook dat is vooral interessant voor mensen met spaargeld. Alleen als overheidsbedrijven mee de windenergie exploiteren, worden in principe alle burgers beter van de winst.

De Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen werkt aan een project van 40 miljoen euro om 20.000 sociale woningen van zonnepanelen te voorzien. Directeur Björn Mallants: ‘Het merendeel van die bewoners zal dan per jaar 200 tot 400 euro minder betalen voor zijn stroom.’ Als dat lukt, zal het de eerste keer zijn dat in Vlaanderen zo’n grote groep mensen met kwetsbaar profiel profiteren van goedkope zonnestroom.

Toch vallen ook bij zonne-energie mensen zonder eigen dak of zonder de vereiste middelen uit de boot. Zonnedelen zou dat kunnen verhelpen, maar dat is er nog altijd niet in Vlaanderen. In Nederland heeft de regering met de postcoderoos wel zonnedelen mogelijk gemaakt in geografische zones die dezelfde postcode hebben: mensen investeren samen in een zonne-installatie op het dak van een school en kunnen hun stroom daarvan betrekken tegen verlaagd tarief. Hoewel de regeling veel kinderziekten heeft gekend, lijkt ze nu op kruissnelheid te komen. Katrien Prins van Hieropgewekt.nl licht toe: ‘De regeling bestaat sinds 2014. In het begin zijn er heel wat aanpassingen nodig geweest om het systeem aantrekkelijk te maken, maar in 2018 was er wel een sterke toename met een honderdtal nieuwe projecten van zonnedelen.’

Maar ook bij deze regeling kan alleen wie de vereiste middelen op tafel kan leggen van de voordelen genieten. De coöperatie Op rozen heeft nu het postcoderoosmodel zo aangepast dat deelnemers nog slechts één procent van hun investering moeten financieren. Wilma Paelman: ‘Ons standaardmodel is dat de deelnemer maar één procent van de investering zelf betaalt, negentien procent komt van de coöperatie en tachtig procent van goedkoop krediet, doorgaans van de Bank Nederlandse Gemeenten. Voor een doorsnee gezinsverbruik van 3000 kWh per jaar betaalt een deelnemer dan 30 euro, en zal hij dankzij de postcoderegeling gedurende vijftien jaar 120 euro minder betalen op zijn factuur. In dat model kunnen alle burgers profiteren van hernieuwbare energie, of ze nu een eigen dak hebben of niet, of ze geld hebben of niet.’

© Reuters / Gonzalo Fuentes

© Reuters / Gonzalo Fuentes

De “energiegemeenschappen” van de EU

Daar staan we in België nog ver van af omdat zonnedelen hier nog niet kan. Daardoor blijven veel grote daken onderbenut: in het huidige rekenmodel is een grote zonne-installatie immers pas rendabel als het grootste deel van de opgewekte stroom in het betrokken pand zelf kan worden verbruikt. Vlaanderen heeft recent wel een wet aangenomen die regelluwe zones mogelijk maakt, waar mogelijk ook met zonnedelen kan worden geëxperimenteerd.

Het is de vraag of dat genoeg zal zijn voor de EU, die eind 2018 een richtlijn heeft goedgekeurd over het stimuleren van hernieuwbare energie. Die legt de lidstaten op om “hernieuwbare-energiegemeenschappen” (HEG’s) van burgers, lokale besturen en kmo’s mogelijk te maken die samen kunnen investeren in productie van hernieuwbare energie. De richtlijn wil dat die openstaan voor ‘alle consumenten, met inbegrip van huishoudens met een laag inkomen en kwetsbare huishoudens’.

De richtlijn eist verder dat lidstaten het mogelijk maken dat de leden van de HEG de hernieuwbare energieproductie van hun installaties kunnen delen. Het ziet er dus naar uit dat Vlaanderen/België door de EU verplicht zal worden zonnedelen mogelijk te maken en formules uit te werken die iedereen laten deelnemen.

Wat leren we uit dit alles? Dat beleidsmakers hun maatregelen goed moeten ontwerpen als ze willen dat iedereen mee kan in de energietransitie. Niet alleen om de voor- en nadelen eerlijk te verdelen, maar ook omdat mensen zich uitgesloten voelen als ze geen deel kunnen hebben aan het project dat onze tijd mee definieert. Zodat wie nu een geel hesje draagt, straks met plezier een groen hesje wil aantrekken.

Zodat de schreeuw om waardigheid van de gele hesjes en de roep om duurzaamheid en klimaatbeleid van de groene marsen niet langer botsen, maar samen klinken.

Dit artikel werd geschreven voor het zomernummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!