Het middenveld hapt naar adem in Brussel

Analyse

Het middenveld hapt naar adem in Brussel

Het middenveld hapt naar adem in Brussel
Het middenveld hapt naar adem in Brussel

Laurens Cerulus en John Vandaele

06 mei 2014

Bestaat er zoiets als een Europees middenveld? Wie bevolkt het en welke rol vervult het? Dat het in Brussel bulkt van de lobbyisten weten we al. Maar het klassieke middenveld heeft een bredere maatschappelijke rol. Het heeft moeite om zich op Europees vlak te articuleren en er zijn werk te doen. De lobbyisten hebben die problemen niet en zijn getalmatig en financieel veel sterker aanwezig. Vraag is welke invloed dit heeft op het Europese beleid.

In zijn recente boekje De democratie voorbij raakt de Belgische socioloog Luc Huyse niet moe te zeggen dat de politiek zich sinds lang niet meer uitsluitend situeert in verkozen parlementen en raden. Bedrijfsleven, vakbonden, magistratuur, media… allemaal speelden ze de voorbije eeuw een groeiende rol in de productie van bindende regels.

Op nationaal niveau nam dit in elk Europees land een beetje een eigen vorm aan. België en Nederland kenden de zuilen waar elke politieke partij (christendemocratisch, liberaal en socialistisch) zijn eigen sociale organisaties zoals ziekenfondsen of werknemersorganisaties had, die hun invloed lieten gelden in de partij. Huyse: ‘In tal van beleidsdossiers, gaande van gezondheidszorg over armoedebestrijding tot onderwijs zijn de inhoudelijke beslissingen genomen in overleg binnen en tussen de zuilen.’

Scherp gesteld: de Belgische welvaartstaat is uitgebouwd door de politiek en de sociale partners samen. De oudere lezers zullen zich ongetwijfeld nog herinneren dat de Belgische devaluatie van 1982 beslist is in Poupehan met politici, bankiers en vakbondsleiders uit de christelijke zuil die samen de beslissing namen in het Ardense vakantieverblijf van de latere gouverneur van de Nationale Bank Fons Verplaetse.

In België zitten die sociale partners gewoon ingebouwd in het systeem. In de regentenraad van de Nationale Bank – aan de top van het Belgische financieel-economische beleid zeg maar – hebben patronaat en vakbonden hun afgevaardigden. De sociale zekerheid in België wordt mee geschraagd en uitgevoerd door diezelfde spelers. Wat de sociale partners afspraken als collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) krijgt in België kracht van wet: dat betekent dat alle bedrijven ze moeten naleven.

Die kruisverbanden zijn op het nationale niveau als het ware organisch gegroeid vanuit de industriële samenleving. Op het niveau van de Europese Unie ligt dat anders. Die constructie is immers van recentere datum. Uiteraard hebben de vakbonden geen stem in de Europese Centrale Bank. Een Europese sociale zekerheid is er niet. En de Europese Commissie lijkt veeleer gekant tegen cao’s die door alle bedrijven moeten worden nageleefd dan dat ze die kracht van wet zou verlenen. Ook de link tussen de Europese partijen en de Europese sociale partners ligt anders. ‘Toch onderhoudt het EVV goede contacten met de PES. Gevolg is dat men daardoor wat onderinvesteert in de relaties met de EVP en de Groenen , al wordt daar aan gewerkt’, zegt Chris Serroyen, hoofd van de ACV-studiedienst.

Goed bestuur

Hoe zit dat alles dan op het Europese niveau? Daar heeft de Europese Commissie geprobeerd om zich een “Europees middenveld 2.0” bijeen te regisseren. Vanaf 2001 stak de term good governance (goed bestuur) de kop op in beleidsdocumenten, strategieën en voorstellen van de Europese Commissie. Ze lanceerde toen het voorstel European governance – een witboek. ‘Het witboek stelt voor om de beleidsvorming open te breken om meer mensen en organisaties te betrekken in het maken van Europees beleid’, stond er te lezen. Stap voor stap openden de Commissie en het Parlement hun deuren voor belangengroepen, die vandaag in een georkestreerd proces van publieke hoorzittingen hun zeg kunnen doen over wat de EU in de wet schrijft.

De vraag naar meer inbreng zorgde voor de geleidelijke uitbouw van vertegenwoordigingen in Brussel. ‘Er zijn zo veel acroniemen in Brussel dat ik ze niet meer kan bijhouden’, lacht Alison Coleman van Social Platform, dat de stem van een resem ngo’s bij de Europese instellingen verdedigt rond sociale zaken. We bezoeken hun kantoor op het Meeusplein in Brussel, dat het epicentrum is van de Europese belangenorganisaties.  Al wie mee wil tellen in de Europese besluitvorming heeft hier wel een kantoortje. Voor elke problematiek wel een koepelvereniging; voor elk belang wel een ‘associatie’, ‘platform’ of ‘forum’. Het is een buurt van juristen en communicatieadviseurs, van belangenvertegenwoordigers, ngo’s en denktanks.

Het Meeusplein Brussel is het epicentrum van de Europese belangenorganisaties.  Al wie mee wil tellen in de Europese besluitvorming heeft hier wel een kantoortje.

Alison Coleman, die de advocacy en communicatie voor Social Platform verzorgt, leidt ons rond op de gelijkvloers van Meeusplein 18, dat op een kleine 500 meter van het Europees Parlement ligt. ‘Het is een klein kantoor,’ geeft Coleman meermaals toe. En toch: Social Platform overkoepelt 47 verschillende ngo’s die zelf ook nog eens een netwerk van nationale organisaties hebben over heel Europa. Geen kleine speler dus. Wel een klein kantoor. ‘We werken heel nauw samen met verschillende administraties in de Europese Commissie, of werkgroepen in het Europees Parlement. We zetelen ook als enige ngo-vertegenwoordiger in de bevoegde Europese Raad van Ministers maar elke ngo kan bevestigen dat die raden het moeilijkst zijn om je bezorgdheden op tafel te brengen,’ vertelt Coleman.

De gouden gids van Europese belangen

De Europese Commissie en het Parlement zetten in 2011 samen een databank op om organisaties in Brussel in kaart te brengen: het Europese transparantieregister. Wie in de Europese hoofdstad of in de lidstaten met de Europese instellingen in contact komt, wordt verwacht zich in te schrijven in het register. Vandaag zitten er meer dan 6.000 organisaties in die het Europees middenveld uitmaken.

Er zitten wel gaten in de databank. Ngo’s als Transparency International of ALTER-EU schreeuwen al jaren dat registratie verplicht dient te zijn. Ook de European Public Affairs Consultancies’ Association (EPACA), die lobbyt voor de belangen van – jawel – lobbyisten, steunt de vraag voor verplichte registratie. Het register is een onvolledig beeld waarvan de Commissie zelf inschat dat zo’n 60 tot 70 procent van alle belangenorganisaties die in contact staan met de EU zich al geregistreerd hebben. En toch: de cijfers spreken boekdelen.

In totaal vallen 4064 organisaties onder wat in de volksmond lobbyisten wordt genoemd: bureaus, advocatenkantoren of vertegenwoordigingen die bedrijven en handelsbelangen vertegenwoordigen bij de Europese Commissie of het Europees Parlement.

Ook de vakbonden worden daar door de EU toe gerekend maar met in totaal 135 geregistreerde organisaties maken zij er nog geen 3,5% van uit. Klein bier in vergelijking met de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, die met net geen tweeduizend organisaties minstens veertien keer zo sterk staan in aantallen. Non-gouvernementele organisaties maken nog eens zo’n 1.700 geregistreerde entiteiten uit; denktanks en onderzoeksinstellingen een kleine 500; religieuze organisaties een veertigtal.

De vertegenwoordiging van vakbonden is klein bier in vergelijking met die van het bedrijfsleven. Die laatste staat minstens veertien keer zo sterk in aantal.

Een zoektocht naar hoeveel geld deze spelers investeren in het beïnvloeden van de Europese regelgeving, geeft meteen de limieten aan van de databank. Zij die zich registreren geven hier en daar wel budgetten in, maar van eenvormigheid is geen sprake.

En toch zijn ook hier belangrijke verschillen op te merken. Greenpeace investeert tussen 1 miljoen en 1,25 miljoen euro in belangenbehartiging en is daarmee een van de weinige ngo’s die boven 1 miljoen gaat. Bedrijven als ExxonMobil, Microsoft of Siemens zitten dan weer aan 4 tot 5 miljoen euro per jaar voor lobbywerk in Brussel. Ze zijn in goed gezelschap: de groep van bedrijven die boven 1 miljoen euro investeert is aanzienlijk groter.

De grote spelers als het op beïnvloeding aankomt, zijn de professionele consultancies. Het Brussels bureau van Burson-Marsteller geeft jaarlijks bijna 9 miljoen uit aan belangenbehartiging; voor Hill & Knowlton is dat 8,4 miljoen. Hun cliëntenbestand omvat vooral giganten in de voedings- en farmaceutische industrie. Burson-Marsteller verdedigt onder andere Bayer of Sanofi en investeerde minstens 1 miljoen euro enkel en allen in lobbywerk voor het ‘Bromine Science and Environmental Forum’. Hill & Knowlton rekent dan weer Janssen Pharmaceutica, de European Natural Soyfood Association of Lundbeck onder zijn grootste klanten.

Het onevenwicht is soms zo groot dat het Europees parlement zelf een tegenwicht mee moet helpen scheppen. Philippe Lamberts, Europarlementslid voor Ecolo, vertelt hoe hij vanuit het Europees parlement meewerkte aan de oprichting van de ngo Finance Watch, die een tegenwicht moest vormen tegen de immense bankenlobby.

Het aantal individuele lobbyisten dat zich met EU-regelgeving bezighoudt, wordt door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling op 15.000 geschat. De Europese Commissie zelf schat het op 30.000. Het zijn die tienduizendtallen die van Brussel de tweede meest “belobbyde” stad ter wereld maken, na Washington.

Zeg nooit lobby tegen middenveld

De Belgische oud-premier Jean-Luc Dehaene, zelfs afkomstig uit het ACW, ziet een onderscheid tussen de vele lobbyisten die opkomen voor relatief beperkte belangen van een bedrijf of een bedrijfssector, en heuse middenveldorganisaties waarvan de doelstellingen breder maatschappelijk zijn.

Ook professor Luc Huyse definieert middenveldorganisaties breder en noemt ze een onmisbare schakel tussen bevolking en politiek. Ze zorgen voor politieke inburgering en collectieve belangenbehartiging. ‘Burgers hebben belangen. De verdediging ervan is uitermate zwak als die vanuit de positie van een individu gebeurt. Vele verenigingen bieden collectieve ondersteuning. We weten dat de signalen uit de samenleving over het algemeen dubbelzinnig zijn. De organisaties van het middenveld kunnen ruis uit de geluiden halen. Dat helpt om de politieke agendasetting zo dicht mogelijk te laten aansluiten op wat er in de samenleving leeft.’

Huyse: ‘De organisaties van het middenveld kunnen ruis uit de geluiden halen. Dat helpt om de politieke agendasetting zo dicht mogelijk te laten aansluiten op wat er in de samenleving leeft.’

Middenveld heeft moeite met stap naar Europa

Dat soort middenveld is dus belangrijk maar heeft het moeilijk op Europees vlak. Dehaene: ‘De traditionele middenveldorganisaties hebben het niet makkelijk om hun nationale cocoon te verlaten. De Europese dimensie heeft hun positie verzwakt. Hoe groter de schaal, hoe moeilijker om het middenveld te organiseren. Toch zijn er nieuwsoortige organisaties zoals Greenpeace of Amnesty die wel dat internationale/Europese niveau goed hebben leren bespelen.’

De vakbonden hebben het bij uitstek moeilijk met de “europeanisering”. Chris Serroyen: ‘Sommigen noemen het EVV bureaucratisch, en dat wekt dan de indruk van logheid terwijl het EVV veeleer een kleine equipe is die haar groeiende taken moeilijk aankan. Als het EVV niet zo sterk uit de verf komt,  heeft dat vooral te maken met de bijzonder sterke meningsverschillen over de te volgen strategie tussen de nationale vakbonden. Vergeet ook niet dat België in Europa en wereldwijd een eiland lijkt te midden van een rist landen waar de vakbonden en de arbeidsverhoudingen bijzondere zware klappen hebben gekregen. Die nationale verzwakking verzwakt ook het Europese syndicalisme.’

Machtsverhoudingen en sixpacks

Huyse en vele anderen met hem wijzen erop dat de opkomst van een mondiale financiële en industriële elite de machtsverhoudingen tussen staat en markt in haar voordeel heeft doen kantelen. ‘Dat bracht een geleidelijke verstoting van de syndicaten uit de arena’s waar cruciale beslissingen geboren worden.’

Zou een Belgisch sixpack denkbaar zijn zonder de vakbonden te horen? Op Europees vlak gaat dat kennelijk makkelijker. Zelfs de grootste vakbond van Duitsland – IG Metal met 2,3 miljoen leden – riep al in 2011 op tot een Marshallplan voor Griekenland. Later volgde zelfs de Duitse koepelvakbond DGB met dezelfde eis. Zonder gevolg.

Luc Cortebeeck, voormalig ACV-voorzitter en tegenwoordig vertegenwoordiger van de werknemers in de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), vertelt dat de IAO met grote moeite probeerde een voetje tussen de deur te krijgen bij de “troika” (het Internationaal Monetair Fonds, de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie) die het Europese besparingsbeleid oplegde aan de lidstaten in geldnood.

Ver van de grassroots

Toch heeft het niet enkel met nieuwe machtsverhoudingen te maken. Het is gewoon ook veel moeilijker om die zeer diverse Europese realiteit te vertalen in krachtige middenveldorganisaties die in Brussel met één stem spreken. Bij elke bedrijfssluiting blijkt al hoe moeilijk het is om eensgezindheid onder nationale vakbonden te krijgen.

Net als de partijen leiden ook de Europese koepels onder de grote afstand tussen Brussel en het Europese veld. ‘Ledenorganisaties zoals de onze zullen je vertellen dat het moeilijk is om nationale leden te mobiliseren. Die begrijpen vaak ook niet dat wat gebeurt op Europees niveau uiteindelijk een impact heeft op hun werk in een bepaalde lidstaat’, zegt Coleman van Social Platform. ‘En veel van de zaken waar wij rond werken hangen samen met een jargon, een specifieke regelgeving op Europees niveau. Als een campagne goed werkt in de Europese lidstaten, is dat vaak omdat het van een organisatie komt die echt op activisme steunt, die toegewijde leden heeft. Dat werkt beter dan los verbonden organisaties. Er is nog veel werk aan de winkel om ons werk ook openbaar te maken voor een bredere groep mensen in Europa. Dat is duidelijk de grootste uitdaging van Brusselse organisaties: de connectie maken tussen het Europese niveau en het grassroots werk.’

Dat vindt ook Lieze Cloots, die namens Bond Beter Leefmilieu zetelt in de bestuursraad van het Europese MilieuBureau (EMB), de Europese koepel van milieuorganisaties: ‘Het is voor het Europees Milieubureau moeilijk om voeling te houden met de grassroots. Nochtans zijn het die grassroots die kracht geven, die een middenveld in staat stellen tegenwicht te bieden, mee de agenda te bepalen.’

Daar staat tegenover dat Cloots niet aarzelt om het EMB ‘een krachtige lobbymachine’ te noemen. ‘Al zijn er natuurlijk sterkere krachten. Wij zijn er nooit in geslaagd commissievoorzitter Barroso te spreken, terwijl Business Europe meermaals met de man op de foto stond.’

Europees Parlement en middenveld

Toch ziet Europarlementslid Bart Staes (Groen) heel wat mogelijkheden en voorbeelden van hoe het middenveld op het Europese niveau zijn invloed kan laten gelden. ‘Als men vroeg genoeg in het besluitvormingsproces contacten legt met het Europees parlement kan men zijn slag thuishalen. Zo zorgde de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten erin de regels inzake openbare aanbestedingen zo bij te sturen dat het nu mogelijk is om sociale en ecologische normen te laten meespelen. Het European Youth Forum – zeg maar de Europese jeugdraad – slaagde erin bij elke directieve te laten onderzoeken welke gevolgen ze heeft voor jongeren. Via de commissie-Verzoeksschriften kunnen burgers en organisaties aanklagen dat bepaalde Europese wetgeving niet correct wordt toegepast. In 99 procent van de gevallen moet de Europese Commissie dan het nodige doen.’

Negeer eens een miljoen burgers

Sinds het verdrag van Lissabon kunnen burgers ook zelf het initiatief tot een bepaalde wetgeving laten nemen. Voorwaarde is dat er minstens een miljoen handtekeningen in een vierde van de lidstaten achter de verklaring staat. Er zijn intussen twee burgerinitiatieven die deze kaap gerond hebben. Het Right2water-initiatief is daar een van. Het wil water als een gemeenschapsgoed doen erkennen, wat gevolgen heeft voor liberalisering en privatisering, en de Europese ontwikkelingssamenwerking.

Staes: ‘In de parlementaire commissie was er een zeer verrijkend gesprek. Veel commissieleden reageerden instemmend. Daarna verklaarde de Europese Commissie simpelweg dat ze er niks zou mee doen. Formeel gezien kan ze dat, maar ik vond dat ongehoord. Het burgerinitiatief was voor velen een reden om het verdrag van Lissabon te aanvaarden: als je de burger maar op deze manier ernstig neemt, dan vergroot je de kloof met die nu al sceptische burger.’

Wellicht niet zonder gevolgen

De rol van het middenveld zal mee het gezicht van de toekomstige Europese samenlevingen bepalen. Daar liet de Duitse filosoof Jürgen Habermas in zijn Europalezing, vorig jaar in Leuven, geen twijfel over bestaan. ‘Zonder de druk van een gemobiliseerde publieke sfeer en  civiele samenleving ontbeert het beleidsmakers aan kracht om de dwingende eisen van het kapitaal onder controle te houden, en om voldoende gewicht te geven aan de eis van de bevolking om tot een juiste verdeling te komen van inkomen en eigendom, publieke diensten en collectieve goederen als die in conflict komen met de systemische eisen voor meer competitiviteit en meer groei.’

Complex en abstract gezegd – Habermas is dan ook een filosoof – maar de kern van de zaak is dat een civiele samenleving en een publieke sfeer erg belangrijk zijn om een sociaal Europa tot stand te brengen dat de ongelijkheid tegengaat in plaats van haar te vergroten. En op die manier ook een te grote afstand – en dus een kortsluiting – tussen politiek en bevolking te voorkomen. De afkalvende steun voor de EU is in dat verband een veeg teken.