Hoe de BRICs ontloken

Analyse

De economische wereldorde van morgen, deel 1

Hoe de BRICs ontloken

Hoe de BRICs ontloken
Hoe de BRICs ontloken

Het acroniem ‘BRIC’ werd in 2001 bedacht door Jim O’Neill, onderzoeker van de zakenbank Goldman Sachs. Twee jaar later gebruikte de invloedrijke financiële instelling de term voor het eerst in ‘Dreaming with BRICs: the path to 2050’. In dit rapport stond te lezen dat indien er zich geen ontwrichtende situaties voordeden, de BRIC-economieën in minder dan veertig jaar tijd een grotere economische macht zouden vormen dan de G6 van rijke geïndustrialiseerde landen, te weten de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk, Italië en Japan.

Dit artikel maakt deel uit van de vierdelige reeks De economische wereldorde van morgen. Verder in de reeks:

In het rapport waagde Goldman Sachs zich ook aan een voorspelling van de tien grootste economieën in 2050. Wat bleek? Als alles goed ging, zouden de Verenigde Staten — al meer dan een eeuw de onbetwiste leider van de economische wereldorde — in 2041 door China naar de tweede plaats verwezen worden. Daarnaast zouden ook India en Brazilië zich samen met Japan in de top vijf nestelen. Met drie van de grootste economieën ter wereld voorspelde het rapport zo een stevige rol voor Azië. Voor Europa was de prognose heel wat minder rooskleurig: het eerste Europese land, Groot-Brittannië, werd slechts een zevende plaats toebedeeld.

<iframe src="//images.mo.be/sites/default/files/vis/shiftpower1-econ/bnp2000-2050.html" width="600" height="450" frameborder="0" scrolling="no"></iframe>
Het voorspelde bruto binnenlands product van de grootste economieën in de periode 2000-2050. Beweeg over de grafiek voor de exacte cijfers. Bron: Dreaming with BRICS, Goldman-Sachs

Een kleine tien jaar later stellen we vast dat de interesse voor de BRICs allesbehalve bekoeld is. De term won doorheen de jaren sterk aan populariteit om een economische machtsverschuiving van de ontwikkelde landen richting de groeilanden aan te duiden. In 2011 werd ‘BRIC’ zelfs ‘BRICS’, toen Zuid-Afrika tot het samenwerkingsverband van groeilanden toetrad. Investeringsbanken waren lang niet de enigen die de vinger aan de pols hielden. Ook tal van academici en allerhande auteurs voorspelden tektonische verschuivingen in de wereldeconomie.

Ongekend groeidecennium

Als we de groei van de BRICs in het voorbije decennium tegen het licht houden, stellen we vast dat het globale economische landschap inderdaad fundamenteel hertekend wordt en nog wel aan een snelheid die zelfs de meest doorwinterde analisten niet voor mogelijk hielden. De afgelopen tien jaar kenden de ‘Grote Vier’ een ongekende bloeiperiode waarbij hun economieën aan buitengewoon hoge groeipercentages in gewicht toenamen. Alle groeiscenario’s van begin de jaren ‘00 werden moeiteloos overtroffen.

Een blik op de evolutie van het bruto binnenlands product (de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten, ook wel het BBP) van de groeilanden leert dat China er het voorbije decennium met kop en schouders bovenuit stak. Terwijl het Chinese BBP in 2000 nog zo’n 1,2 biljoen dollar bedroeg, was dat getal amper vijf jaar later reeds verdubbeld. Jaar na jaar zette de Chinese draak indrukwekkende groeicijfers neer — niet zelden meer dan tien procent — waardoor het in 2010 afklopte op zo’n 5,9 biljoen dollar. De groei van de andere BRICs — Brazilië, Rusland en India — viel ten opzichte van het Chinese groeiwonder weliswaar lager uit, maar was toch nog steeds enorm en oversteeg eveneens de verwachtingen.

Terwijl de BRICs forser dan verwacht expandeerden, groeiden de Amerikaanse en Europese economieën het voorbije decennium slechts met mondjesmaat. Als gevolg hiervan voltrokken zich de laatste jaren enkele opmerkelijke economische machtswissels tussen de ontwikkelde landen en de groeilanden.

De meest spraakmakende machtsverschuiving vond plaats in 2009, toen de Chinese economie die van zijn Japanse buur voorbijstak en zich tot tweede grootste economie ter wereld kroonde. Japan had meer dan veertig jaar de tweede stek bekleed, maar werd door de spectaculaire Chinese groei veel sneller ingehaald dan door analisten verwacht werd. Volgens de prognoses van Goldman Sachs zou de Sino-Japanse machtswissel ten vroegste in 2015 plaatsvinden.

Ook de andere BRICs realiseerden enkele opmerkelijke machtsverschuivingen. Brazilië haalde in 2009 en 2010 respectievelijk Spanje en Italië in en werd daarmee de zevende grootste economie ter wereld. Ondertussen heeft het Zuid-Amerikaanse groeiland Groot-Brittannië reeds stevig in het vizier. India sprong in 2009 over Canada en in 2010 over Spanje om zo de negende plek op te eisen. Rusland kende in 2009 dan wel een economische terugval door de financiële crisis, het slaagde er toch ook in om Spanje te remonteren.

Ondertussen beslaan de vier groeilanden reeds 25 procent van het wereldwijde BBP. In 2001 was dat nog zo’n acht procent. Wat betreft de bijdrage aan de wereldwijde economische groei is de verschuiving nog markanter: de afgelopen tien jaar zorgden de BRICs voor bijna de helft van de toename in het mondiale BBP. Het gewicht van de vier groeilanden in de wereldeconomie groeide daarmee veel sneller dan verwacht.

Crisis als katalysator

Een belangrijke element in de versnelde economische machtsverschuivingen, was de crisis die in 2007 op de westerse financiële markten ontstond. De BRICs verteerden deze crisis heel wat beter dan de gevestigde industrielanden omdat ze — tegen de druk van het IMF en de VS in — de vrijheid van hun financiële sector veel meer beperkten dan de ontwikkelde landen.

In landen als China en India is meer dan zeventig procent van de banken staatseigendom en worden financiële instellingen zo gereguleerd dat ze zich nog meer met hun basistaak bezighouden: spaargelden verzamelen en die omzetten in investeringen. In tegenstelling tot in het Westen, kent het bankenwezen er een veel grotere transparantie. Financiële instellingen krijgen niet de vrijheid om met totaal ondoorzichtige producten te spelen die uiteindelijk het hele systeem kunnen doen ineenstuiken.

Zeker Brazilië, India en China voelden door hun strengere financiële regulering maar weinig van de grootste economische crisis sinds de Grote Depressie. Banken moesten in deze landen niet door de overheid gered worden en financiële instellingen konden de economie van krediet blijven voorzien. De economische groeicijfers bleven geruststellend hoog terwijl veel rijke landen worstelden met een inkrimping van hun economie of een trage groei van één à twee procent.

De crisis versterkte zo een proces dat ervoor al in gang was gezet: de opkomende economieën groeien sneller dan die van de ontwikkelde landen. In de westerse wereld was dit effect niet bepaald ingecalculeerd. Weinigen in de financiële sector hadden immers verwacht dat ze zo hard tegen de lamp zouden lopen.