Kitir plaatst klimaatdemarrage, maar de weg lijkt nog lang

Analyse

Klimaatfinanciering

Kitir plaatst klimaatdemarrage, maar de weg lijkt nog lang

Kitir plaatst klimaatdemarrage, maar de weg lijkt nog lang
Kitir plaatst klimaatdemarrage, maar de weg lijkt nog lang

John Vandaele, Iratxe Alvarez

04 februari 2021

Minister van Ontwikkelingssamenwerking Meryame Kitir trekt de federale bijdrage voor klimaatfinanciering op tot minstens 100 miljoen euro. Een stap vooruit, maar of België daarmee zijn deel doet, is twijfelachtig. Een deel van het geld komt bovenop het budget van ontwikkelingssamenwerking.

© Iratxe Álvarez

Minister van Ontwikkelingssamenwerking Meryame Kitir trekt in 2021 de federale bijdrage voor klimaatfinanciering op tot 100 miljoen euro.

© Iratxe Álvarez

Minister van Ontwikkelingssamenwerking Meryame Kitir (sp.a) trekt in 2021 de federale bijdrage voor klimaatfinanciering op tot 100 miljoen euro. Een stap vooruit, maar of België daarmee zijn deel doet, is twijfelachtig. Een deel van het geld komt bovenop het budget van ontwikkelingssamenwerking.

In 2019 merkte ons land 99,7 miljoen euro aan als internationale klimaatfinanciering. Daarvan kwam 15 miljoen van het Vlaams Gewest, 9 miljoen van het Waals Gewest, en 1,1 miljoen van Brussel. Het leeuwendeel (73 miljoen euro) kwam van het federale budget ontwikkelingssamenwerking. Het is dat budget dat minister Kitir in 2021 naar honderd miljoen zal optrekken. ‘Met het budget van ontwikkelingssamenwerking gaan we veel meer aandacht geven aan het klimaat dan vroeger,’ klinkt het.

‘We gaan meer aandacht aan het klimaat geven dan vroeger’

Nieuw is 50 miljoen euro die, gespreid over 5 jaar, gaat naar een thematische portefeuille: klimaat en leefmilieu (met een focus op verwoestijning) in de Sahel.  Samen met de minister van Milieu Zakia Khattabi (Ecolo) wordt er daarnaast de komende vier jaar bovendien telkens 12 miljoen euro uit een interdepartementale provisie gehaald. Tot slot zal er ook nog eens 10 miljoen euro naar een nader te bepalen multilaterale organisatie gaan, in aanvulling op een bilateraal programma in een partnerland.

Die bedragen komen bovenop de 73 miljoen voor multilaterale organisaties en fondsen, en de investeringen via BIO, de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden die het departement tot nu toe besteedde.

Alles samen gaat het om ruim honderd miljoen euro federaal geld voor internationale klimaatfinanciering. Als de gewesten op hetzelfde niveau van uitgaven blijven, zou België dan naar 125 miljoen euro (of 150 miljoen dollar) gaan. Hoe verhoudt dat bedrag zich tot de internationale verplichtingen die zijn vastgelegd tijdens de klimaatonderhandelingen?

Het engagement van de rijke landen

Dat de rijke landen die de klimaatcrisis in eerste instantie veroorzaakt hebben de zogenaamde ontwikkelingslanden moeten bijstaan, werd al tijdens de eerste klimaatonderhandelingen overeengekomen. Het klimaatverdrag van Rio uit 1992 bepaalde in artikel 4, paragraaf 3 dat ‘de ontwikkelde landen nieuwe en bijkomende middelen ter beschikking moeten stellen om de volle kosten te dragen die ontwikkelingslanden oplopen (als gevolg van de klimaatverandering, red.)’.

In 1992 engageerden de rijke landen zich om de volle kost van de klimaatcrisis voor de landen in ontwikkeling op zich te nemen.

Dertig jaar later – nu de ernst van de opwarming steeds duidelijker wordt – lijkt dat een belangrijk engagement. Wie die ontwikkelde landen zijn, werd destijds vastgelegd als de 23 landen die op dat moment lid waren van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) en de Europese Unie.

Op de klimaattop van Kopenhagen in 2009 werd dat engagement vervolgens vertaald in de beslissing dat de ontwikkelde landen tegen 2020 jaarlijks 100 miljard dollar moeten ‘mobiliseren’ om de landen bij te staan in hun strijd tegen de opwarming.

België heeft nog een weg te gaan

Hebben de rijke landen dat doel vorig jaar bereikt? Dat is onzeker, want er zijn nog geen gevalideerde cijfers voor 2020. Ook is de definitie van de internationale klimaatfinanciering nogal vaag is. In 2018 stond de teller op net geen 79 miljard dollar – althans, dat is de som van alle bedragen die als klimaatfinanciering werden aangemerkt door de rijke landen en de internationale instellingen. Drie vierde daarvan bestond uit leningen. 43 procent wordt ingezet in Azië, een kwart in Afrika, en 17 procent in Noord- en Zuid-Amerika.

De Europese Unie besteedde in 2019 23 miljard euro (27 miljard dollar) aan klimaatfinanciering. In het rapport Setting the standard onderzocht ACT Alliance, een koepel van christelijke ngo’s, of de EU daarmee een voldoende groot deel van de fameuze 100 miljard dollar levert. ACT doet dat aan de hand van twee maatstaven: de historische emissies en het inkomen van de EU. Op basis van de emissies zou de EU volgens het rapport 33 miljard dollar moeten bijdragen. Uitgaande van het inkomen zou de EU 36 miljard dollar moeten bijdragen.

Als België wil bijdragen in verhouding tot zijn inkomen, zou het één miljard euro aan klimaatfinanciering op tafel moeten leggen.

België zat met een bijdrage van 99 miljoen euro in 2019 niet in het koppeloton. De top drie van Zweden, Noorwegen en Duitsland besteedden in 2018 meer dan 0,1 procent van hun inkomen aan klimaatfinanciering. België strandde op 0,02 procent, een van de laagste cijfers onder de West-Europese landen.

Het is interessant om onze bijdrage tegenover het bedrag van 100 miljard te stellen. Het Belgische nationaal inkomen bedraagt ongeveer 1 procent van het inkomen van alle OESO-landen samen. Als België dus wil bijdragen in verhouding tot zijn inkomen, zou het één miljard euro aan klimaatfinanciering op tafel moeten leggen. Landen als Zweden en Noorwegen, met een kleinere bevolking dan de Belgische, brachten in 2018 al ruim meer dan een half miljard dollar in.

Giften of leningen?

Een andere kwestie die eigenlijk onduidelijk blijft – want internationaal niet vastgelegd – is of de klimaatfinanciering uit giften dan wel uit leningen moet en mag bestaan. De EU-steun bestond in 2018 voor 34 procent uit giften, voor 43 procent uit zachte leningen en voor 20 procent uit harde leningen (met een rentevoet die dicht bij de marktrente ligt).

België kiest voor giften boven leningen.

De ngo-koepel ACT Alliance vraagt zich af of leningen een aangewezen instrument zijn om landen bij te staan. Die vraag is het voorbije jaar nog pertinenter geworden omdat de pandemie de schuldenlast van heel wat armere landen boven de houdbaarheidsdrempel heeft gedreven.

België wijkt hier opmerkelijk af van andere landen: tot op heden bestaat meer dan 90 procent van onze klimaatfinanciering uit giften.

Aanpassen of mitigeren?

Verder valt het op dat de helft van de Belgische middelen gaat naar hulp aan landen bij het zich aanpassen aan de klimaatverandering. De andere helft gaat naar het beperken van de uitstoot van de betrokken landen, de zogenaamde mitigatie. De meeste andere landen focussen meer op mitigatie en financieren die dikwijls rendabele investeringen in hernieuwbare energie met leningen.

De Belgische keuze voor meer steun voor aanpassing is welkom omdat de aanpassingskosten volgens het VN-milieuprogramma in landen in ontwikkeling veel sterker oplopen dan elders. Voor 2030 worden die kosten al op  140 tot 300 miljard dollar per jaar geschat. Investeringen in aanpassing leveren doorgaans op korte termijn geen meetbare financiële return.

Nieuw en bijkomend

Tot slot is er de vraag of de klimaatfinanciering ‘nieuw en bijkomend’ is, zoals het Klimaatverdrag al in 1992 stipuleerde. De klimaattop van Cancun in 2010 bevestigde dat klimaatfinanciering ‘nieuw en bijkomend’ hoort te zijn. Dat klinkt eenvoudig, maar enige controle is tot op heden niet vanzelfsprekend.

Het is onduidelijk of de sommen die landen nu als klimaatfinanciering aangeven effectief extra geld voor de landen zijn, dan wel of het om bestaand ontwikkelingsgeld gaat dat nu een andere bestemming krijgt. Alleen Portugal en het Verenigd Koninkrijk houden een “dubbele boekhouding” bij die dat duidelijk maakt.

De Vivaldi-regering beloofde bijkomend geld.

In België was dat nog toe minder duidelijk. Ons land wees er in het verleden op dat het ‘climate proof’ maken van onze hele ontwikkelingssamenwerking misschien wel een belangrijker stap is dan het louter verzekeren of klimaatgeld aanvullend is.

In het Vivaldi-regeerakkoord is vastgelegd dat ons land ‘zijn engagementen inzake klimaatfinanciering zal honoreren met inbegrip van het principe van de additionaliteit’. De regering brengt dat principe nu ten dele in de praktijk, bevestigt het kabinet van Kitir. De komende vier jaar wordt immers, in overleg met minister van Klimaat Zakia Khattabi (Ecolo), jaarlijks 12 miljoen uit de algemene begroting gehaald voor de internationale klimaatfinanciering.

De rest van de extra middelen voor klimaatfinanciering (jaarlijk ongeveer dertig miljoen) komt wél van de begroting ontwikkelingssamenwerking. De vraag is dan of er in deze coronajaren – met grote binnenlandse noden en oplopende schulden – meer geld naar ontwikkelingssamenwerking zal gaan. Als dat niet gebeurt, komt die 30 miljoen uit de bestaande pot van ontwikkelingsfondsen en zijn ze dus niet bijkomend. Wat uiteraard niet wil zeggen dat ze niet helpen in de strijd voor ons klimaar, maar ze dragen dan wel niet meer bij in de strijd tegen ziekte of voor toegankelijk en kwaliteitsvol onderwijs.

Lees een uitgebreid interview met minister Meryame Kitir in de volgende editie van MO*magazine. Word proMO* en ontvang het magazine.