Opium, maar niet voor het volk
Stijn Cools
24 september 2008
De strijd tegen drugs in de Gouden Driehoek –Laos, Birma en Thailand– maakt heel wat slachtoffers onder de armere boerenbevolking. Die heeft zich traditioneel gespecialiseerd in het kweken van opiumpapavers.
Door de doorgedreven inspanningen van de overheden om de opiumkweek tegen te gaan, zien de boeren zich van hun inkomen beroofd.
Ooit verwees het “goud” van de Gouden Driehoek naar de dominantie van de regio in de wereldwijde opiummarkt. Die dominantie komt nu echter toe aan Afghanistan. De Afghaanse opiumkwekers hebben 82 procent van de markt in handen, de Afghaanse verwerkers zelfs 93 procent. De Gouden Driehoek moet het met twaalf procent van de kweek en vijf procent van de productie stellen, zo becijferde de VN-Kantoor voor Drugs en Criminaliteit (Unodc) voor 2007.
‘De drang om te moderniseren en komaf te maken met de armoede’ spoorde volgens Unodc de drie landen aan korte metten te maken te maken met hun imposante opiumindustrie. Uitgedrukt in hectaren voor de kweek en tonnen voor de productie is die strijd een groot succes geworden. Op humanitair niveau kan echter alleen Thailand spreken van een overwinning.
Het verdwijnen van de opiumproductie heeft in Laos en Myanmar de armoede immers in de hand gewerkt. Boerengezinnen die leefden van de opiumpapaverkweek kunnen door het verbod niet meer in hun levensonderhoud voorzien. Dat blijkt uit een recent onderzoek van Martin Jelsma en Tom Kramer, die als politicologen gespecialiseerd in drugsbestrijding zijn verbonden aan het Transnational Institute in Amsterdam. De Thaise overheid wist een dergelijke situatie te voorkomen door alternatieve bronnen van inkomsten voor de opiumkwekende boeren te voorzien. In plaats van opiumpapavers worden er nu onder meer koffiebonen en macadamianoten verbouwd.
Van een structurele reconversie was in Laos en Myanmar geen sprake. Integendeel, de arme boeren werden er door de overheid, vaak op hardhandige wijze, toe verplicht te hun opiumpapaverkweek stop te zetten. Daarna stonden ze er alleen voor. Bijgevolg moesten ze zelf een nieuwe inkomstenbron zoeken. Dat bleek geen sinecure: bovenop een gebrek aan kennis en startkapitaal zijn hun gronden nauwelijks geschikt voor andere gewassen dan opiumpapavers.
Velen besloten dan ook te migreren of over te schakelen op reguliere dagarbeid. Hun inkomen ligt evenwel niet meer op het niveau van toen ze nog opium kweekten. Het Unodc vreest dat een groot deel van de armere boeren zich terug op het kweken gaat toeleggen.
De koepel van Zuidoost-Aziatische landen Asean wil dat de regio tegen 2015 volledig drugvrij is. Jelsma en Kramer noemen die betrachting onrealistisch. Ze hopen dat de overheden in Laos en Myanmar zich in de eerste plaats gaan concentreren op het voorzien van een alternatief levensonderhoud voor de voormalige opiumkwekers. (sc)