Uruguay maakt ruzie om pulp

Analyse

Uruguay maakt ruzie om pulp

Uruguay maakt ruzie om pulp
Uruguay maakt ruzie om pulp

Pulp is géén fictie in Uruguay. Het land zwelgt, bij wijze van spreken, in pulp (of cellulose). Uruguay, het op één na kleinste land van Zuid-Amerika, zet enthousiast in op de export van grondstoffen. Cellulose groeit, de winning van ertsen komt moeizaam van de grond. De buitenlandse investeerders tasten sowieso toe.

Van cellulose worden onder andere papieren luiers gemaakt. Er staan al twee cellulose-fabrieken in Uruguay. En onlangs reisde president Mujica naar Finland om een derde fabriek los te pingelen. ‘Daarmee voegen we één of twee procentpunten toe aan ons Bruto Binnenlands Product’, zei de president, bekend om zijn vranke tong.

In Uruguay maken ze de cellulose vooral van het hout van de eucalyptus. In de provincies, waar weinig mensen wonen, bezetten eindeloze eucalyptus-plantages de open ruimte.

Uruguay, een zuiderbuur van Brazilië, heeft een subtropisch klimaat. Een eucalyptusboom groeit er in negen tot tien jaar tot volwas, in Zuid-Europa duurt dat twee tot drie keer zo lang. Daarom lieten de pulpfabrikanten decennia geleden al hun oog op Uruguay vallen.

Begin deze eeuw wilden ze er ook eigen fabrieken bouwen. In 2003 vroeg ENCE uit Spanje als eerste een vergunning aan voor een fabriek die 500.000 ton pulp per jaar kan maken. De grondstof, het hout, zou komen uit de uitgestrekte plantages die ENCE toen al enkele decennia in Uruguay beheerde.

ENCE wilde zijn fabriek in Fray Bentos bouwen, aan de Uruguay-rivier, die de grens vormt met Argentinië. Vooral daar, aan de overkant, werd het project kritisch onthaald. De mensen vreesden zware vervuiling van de rivier.

© Raf Custers

© Raf Custers

Burenruzie

Twee jaar later verscheen ook Metsä-Botnia uit Finland op het toneel. Metsä-Botnia vroeg een vergunning voor een fabriek, óók in Fray Bentos, met een capaciteit van 1 miljoen ton pulp per jaar, dubbel zo groot als de ENCE-fabriek. De investeringen waren niet mis. ENCE zei 660 miljoen dollar te zullen investeren, Metsä-Botnia dubbel zoveel. Om te starten, wilden zowel de Spaanse als de Finse onderneming elk 200 miljoen dollar lenen bij de International Financial Corporation, een kredietinstelling van de Wereldbank.

Dat was te veel van het goede. De inwoners van de Argentijnse stad Gualegaychu kwamen massaal in het verweer. Gualegaychu ligt tegenover Fray Bentos. De twee steden zijn verbonden door een brug over de Rio Uruguay.

President Vazquez van Uruguay had aan George Bush gevraagd of hij Uruguay militair wilde steunen tegen Argentinië.

In het najaar van 2005 blokkeerden manifestanten die brug aan de Argentijnse kant. Het grensverkeer zat strop. Trucks moesten omrijden langs Paysandu, tachtig kilometer naar het noorden. De betrekkingen tussen Uruguay en Argentinië verslechterden. Uruguay beschuldigde Argentinië van het belemmeren van de vrije circulatie van goederen. Argentinië diende klacht in bij het Internationaal Gerechtshof, omdat beide landen elkaar zouden informeren over gemeenschappelijke dossiers en Uruguay zich niet aan de afspraak had gehouden.

Het dossier escaleerde. Jaren later – in 2011 – bekende Tabaré Vazquez dat hij tijdens dit conflict, toen hij president van Uruguay was, aan de Amerikaanse president George Bush had gevraagd of hij Uruguay eventueel militair wilde steunen tegen Argentinië. De burenruzie bekoelde pas nà Tabaré Vazquez, toen José Mujica president van Uruguay geworden was.

© Raf Custers

© Raf Custers

De cijfers spreken voor zich

Intussen staan de twee fabrieken er. ENCE verkocht zijn project in 2009 aan een machtig consortium. Dat bestaat uit Stora Enso, nog een Finse transnational, en Arauco uit Chili (waar Arauco een hele keten uitbaat, van plantage tot pulpfabriek). Deze tandem kocht het project van ENCE voor 344 miljoen dollar en kreeg er ook nog 130.000 hectare plantages bij.

De fabriek is recent geopend en heeft een capaciteit van 1,3 miljoen ton cellulose per jaar. De finefleur van Uruguay was present toen president Mujica er op 8 september plechtig het erelint doorknipte.

Het andere omstreden project, dat van Metsä-Botnia, bleef wèl in Fray Bentos. Deze cellulose-fabriek ging in 2007 in productie. Metsiä-Botnia kreeg er gezelschap van een andere Finse partner, de Groep UPM-Kymmene. Die werd in 2009 de enige eigenaar.

Cellulose wordt onder meer gebruikt voor de productie van pulp en pampers.

Zowel UPM als de tandem Stora Enso & Arauco produceren cellulose voor de export, naar Europa en Azië. Daar worden er van de pulp onder andere pampers gemaakt. Uruguay zweert bij deze “ontwikkeling” omdat ze zogenaamd meer economische groei brengt.

Jaar na jaar voert Uruguay nu meer grondstoffen uit. Niet enkel cellulose, maar ook andere producten van de land- en bosbouw, zoals soja, tarwe, vlees, leder, hout, wol, vis, mandarijnen, honig en wat goud.

De cijfers spreken voor zich. In 2007 bestond de export uit Uruguay voor bijna de helft uit primaire producten (grondstoffen). In 2013 was dat al 61 procent. Volgens critici in Uruguay is zelfs dat cijfer een onderschatting, want de export van de cellulose uit Tax Free Zones is nog niet meegeteld.

© Raf Custers

© Raf Custers

President wil derde pulpfabriek

Uruguay ondergaat volgens diezelfde critici een primarización: niet de industrie- en de dienstensector groeien maar wel de sector die grondstoffen voor de export voortbrengt. Daarom boert Uruguay in hun ogen niet voor- maar achteruit.

De Uruguyaanse regering ziet dat anders. Vijf dagen na de inhuldiging van de Montes del Plata-fabriek stapte president José Mujica op het vliegtuig naar Finland, waar hij tot 18 september bleef. De president hoopte terug te keren met een contract voor de bouw van een derde pulpfabriek in Uruguay.

‘Als we erin slagen een nieuwe, grote fabriek te krijgen, betekent dat een toename van het Bruto Binnenlands Product met twee tot drie procentpunten’, aldus de president. José Mujica rolt zo de loper uit voor zijn opvolger.

In oktober verkiest Uruguay een nieuwe president. Mujica mag geen kandidaat zijn. Zijn politieke kamp schuift Tabaré Vazquez als kandidaat naar voor, de man die George Bush ter hulp riep. Al is het niet zeker dat Tabaré Vazquez ook (meteen in een eerste ronde) verkozen geraakt.

© Raf Custers

© Raf Custers

Wondermijn

Surft Uruguay schaamteloos op de grondstoffengolf ? Dat verdient een nuancering. Het land is hoogontwikkeld. De mensen zijn er goed geschoold, de sociale omkadering is van de beste in Zuid-Amerika. De openbare schuld wordt “voorbeeldig” beheerd.

De rating bureaus hebben de kredietwaardigheid van Uruguay opgewaardeerd.

Dat vinden althans de rating bureaus. Ze hebben Uruguays kredietwaardigheid zelfs opgewaardeerd. En dat terwijl ze vinden dat Uruguay een socialistisch land is, waar de staat te veel te zeggen heeft, de arbeidswetten ‘archaïsch’ zijn (want tè beschermend voor de werknemers) en waar er met José Mujica een linkse ex-guerillero op de presidentsstoel zat.

Mujica staat bekend als flapuit maar hij gaat niet onbesuisd te werk. Uruguay gaf een tijdlang de indruk dat het zich ook hals-over-kop in de mijnbouw wilde storten. Vorig jaar nam het parlement een nieuwe mijnwet aan, Mineria de Gran Porte, die ‘mijnbouw van grote omvang’ mogelijk maakt. De wet leek op het lijf geschreven van één project om in het centrum van het land ijzer te ontginnen.

Dat Aratiri-project wordt gepromoot door Zamin Ferrous, een groep met Indiaas kapitaal, met ervaring in de ijzerhandel. Aratiri zou bestaan uit een openluchtmijn, een verwerkingsfabriek, een smurriepijp van 215 kilometer lang om slijk-met-erts richting oceaan te spuiten waar er een diepzeehaven zou komen. Aratiri stuit op veel protest èn scepsis. De tegenstanders hebben vooral milieubezwaren.

Uruguay, een mijnland? Sceptici halen aan dat de ondergrond mager is, er zit gewoon weinig erts in de bodem. Er draaien steengroeven, maar slechts één goudmijn, de San Gregorio-mijn van de firma Orosur uit Canada. Die haalt jaarlijks maar zowat 1700 kilo goud naar boven.

Volgens Zamin Ferrous wordt Aratiri een wondermijn. President Mujica houdt evenwel de voeten op de grond. De president vindt de tijd niet rijp om dit project te steunen. ‘De ijzerprijs zakt en blijft zakken’, aldus de president. Hij heeft gelijk: de ijzerprijs was in twee jaar niet meer zo laag. Het betekent dat het Aratiri-project moeilijk geldschieters zal vinden. De president schuift dit dossier dus door naar zijn opvolger. Wordt dat opnieuw Tabaré Vazquez, de vriend van George Bush? Dan komt Aratiri er – tegen beter weten in – misschien wèl snel.

Dit dossier kwam mee tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.