Weten we wel goed wat onze jongens in Syrië gaan doen?

Analyse

Weten we wel goed wat onze jongens in Syrië gaan doen?

Weten we wel goed wat onze jongens in Syrië gaan doen?
Weten we wel goed wat onze jongens in Syrië gaan doen?

Dat IS militair moet worden aangepakt, daar is iedereen het over eens, van linkse over rechtse partijen, van defensiedeskundigen tot de paus. Ook België schreef zich in voor de internationale anti-IS-operatie Desert Falcon en stuurde zes F-16’s richting Syrië. Maar kunnen we daar wel iets gaan doen? En is die vraag ook voorafgegaan door een democratisch debat?

Op maandag 27 juni vertrokken uit Kleine-Brogel zes F-16’s naar het Midden-Oosten, in het kader van de internationale Operatie Desert Falcon tegen Islamitische Staat.

Oppositiepartijen Groen en sp.a mogen dan wel voor militaire actie zijn ‘als een onderdeel in een globalere aanpak’, ze stellen zich wel vragen bij de invulling van het Belgische mandaat in Syrië. Ook de koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging 11.11.11 vraagt zich af wat onze jongens in Syrië gaan doen, en ‘of de missie überhaupt zin heeft’. Bovendien leeft bij veel burgers de angst dat de deelname de kans vergroot op meer aanslagen op eigen bodem, tenslotte het symbolisch hart van Europa.

Debat ontbreekt

Er is kritiek op het ontbreken van een democratisch debat over de missie. De regeringsbeslissing werd te laat voorgelegd aan het parlement, vindt Groen. Toen de vliegtuigen al in de startblokken stonden, werd vorige week nog in allerijl een resolutie betreffende de missie in de Kamer voorgesteld.

Op die manier was met andere woorden nog weinig discussie mogelijk. ‘De regering moet grondwettelijk niet luisteren naar het parlement. Maar een militaire operatie als deze vereist een breed parlementair draagvlak over de partijgrenzen heen’, zegt Groen-kamerlid Wouter De Vriendt. ‘Dat is niet gebeurd. Bij het opstellen van de resolutie werd de oppositie bovendien niet betrokken.’

‘Men stelt het parlement voor voldongen feiten zonder een grondig democratisch debat, zonder rekening te houden met de waarschuwingen over de risico’s van zo’n missie’, zegt Vlaams sp.a-parlementslid Yasmine Kherbache. ‘Om IS te verslaan is militair ingrijpen ook nodig, maar dat moet binnen een duidelijk internationaal mandaat en binnen een bredere politieke en humanitaire strategie.’

Nederland doet beter

Ons land neemt de rol over van de Nederlandse Luchtmacht, die het voorbije jaar instond voor de missie in Syrië. Maar onze noorderburen hebben het veel democratischer aangepakt, zeggen sp.a en Groen. Zo werd de Nederlandse missie veel grondiger besproken in het parlement. Ko Colijn, defensiedeskundige en directeur van het Nederlandse onderzoeksinstituut Clingendael, beaamt dat. Tegelijk waarschuwt Colijn voor een “overprocedurele” aanpak die snelle militaire acties ondergraaft.

‘We moeten het omstandereffect voorkomen waarbij de silent majority langs de zijlijn staat en niet tussenbeide komt.’

‘Na Srebrenica was het trauma enorm (in 1995 werd de Nederlandse Dutchbat overrompeld door Bosnisch-Servische troepen die daarna een genocide uitvoerden op 8000 moslimmannen en -jongens). Sindsdien heeft Nederland de democratische procedure over buitenlandse missies enorm verbeterd. Gevolg is dat het parlement nu veel meer macht heeft. Goed, dat is democratisch, maar je moet oppassen dat dit geen blok wordt voor je militaire slagkracht.’

‘Je kan niet eindeloos blijven discussiëren’, vindt Christophe Busch, directeur van de Kazerne Dossin en expert in radicalisering en gewelddadig extremisme. ‘Natuurlijk moeten controlemechanismen worden ingebouwd, maar soms is snelle actie nodig om mensenlevens te redden. Er is in Irak wel degelijk een genocide gebeurd op de Jezidi’s. We moeten het omstandereffect voorkomen waarbij de silent majority langs de zijlijn staat en niet tussenbeide komt omwille van allerhande redenen, maar vaak met veel collectief geweld tot gevolg.’

Troebele transparantie

Een herhaalde kritiek is dat de Belgische regering en het ministerie van Defensie weinig transparantie aan de dag leggen over het juiste opzet van de missie. Over de resultaten van de Belgische deelname aan Desert Falcon in Irak (2014-2015) werd nauwelijks gerapporteerd, bekritiseert Groen.

‘België is het op één na minst transparante land binnen Desert Falcon.’

‘We verwachten uiteraard niet dat Defensie vluchtschema’s of doelwitten communiceert, maar wel dat de regering een geregelde stand van zaken geeft, ook over het aantal burgerslachtoffers. Andere deelnemende landen leggen veel meer openheid aan de dag over hun deelname’, zegt Wouter Devriendt. Volgens Airwars dat de internationale coalitie tegen IS monitort, is België inderdaad het op één na minst transparante land. Enkel Denemarken geeft nog minder informatie vrij.

Ook sp.a klaagt het gebrek aan transparantie aan. ‘Welke defensiestrategie hanteert België? Waarom koopt de regering die bedenkelijke nieuwe gevechtsvliegtuigen aan? Welke preventieve aanpak voorzien we, ginder én hier, in het kader van deradicalisering? Want militaire interventies die geen vrede en stabiliteit brengen voor de bevolking, versterken het extremisme. Die vragen blijven onbeantwoord’, reageert Kherbache.

Ook hier schuiven Kherbache en De Vriendt de Nederlandse regeringscommunicatie naar voor als een goed voorbeeld hoe het wél transparanter kan. Colijn stelt zich wel de vraag of de Nederlandse Defensie volledig transparant is. ‘Onze minister van Defensie “weet niet” hoeveel burgerslachtoffers gevallen zijn bij de Nederlandse missies. Daar wordt sterk aan getwijfeld.’

Wapens zonder woorden

‘IS op humane wijze aanpakken is zinloos. IS is anders. Met IS is geen dialoog mogelijk.’ In zijn boek Een woord, een woord wijst auteur Frank Westerman er op dat zelfs een mensenrechtenorganisatie als Human Rights Watch geen andere optie ziet dan de militaire. En ook het Vaticaan volgt die visie. ‘Zelfs die vriendelijke Argentijnse paus ziet geen alternatief voor de verdelgingsstrategie’, schrijft Westerman.

‘IS is ten eerste een groep van volledig afgegleden individuen die zich op het uiteinde van het radicaliseringsproces bevinden. Dialoog lijkt dus inderdaad bijna onmogelijk’, zegt Christophe Busch. ‘Ten tweede stelt zich ook praktisch een probleem: wie gaat met wie praten? Want zelfs al zou je een gesprekspartner vinden, je kan niet buiten de enorme geopolitieke chaos en complexiteit heen, waar Turken, Russen, Atlantisch georiënteerde krachten hun eigen agenda’s hebben. Welke staat zou gaan praten met IS?’

‘Je moét de voedingsbodem ginder aanpakken’, zegt Busch op de vraag of de militaire actie tegen het ongrijpbare IS dan geen slag in het water is. ‘De zwakte van IS is dat hun zelfverklaarde staat grenzen heeft, dat ze hun grondgebied moeten verdedigen. Vanuit hun kalifaat gaat een enorme wervende kracht uit, tegelijk heeft IS er ook veel mee te verliezen. Dat was altijd anders bij Al Qaeda dat zich nooit aan grond heeft gebonden, een stijl waarvan nu al voorspelbaar is dat IS die zal overnemen.’

Globale aanpak ontbreekt

Dat IS ook militair bestreden moet worden, daarover zijn oppositiepartijen Groen en sp.a het eens. Maar de Syrische context is een pak complexer dan de Iraakse, klinkt het. ‘In Irak liggen de voornaamste successen vooral in de Koerdische zone, en daar weten we heel duidelijk wie we steunen. In Syrië weten we dat veel minder’, zegt De Vriendt. En zelfs de samenwerkingsverbanden zijn een pak minder duidelijk. De anti-IS-alliantie, met name in het Raqqa-offensief, is een vreemdsoortig amalgaam van schijnbaar tegenstrijdige “partners” geworden, met Koerdische milities, die zowel Russische als Amerikaanse luchtsteun krijgen.

‘De militaire aanpak mag niet het enige antwoord zijn. We moeten de Syrische burgers en hun toekomst blijven vooropstellen.’

Door het kalifaat ter plekke te gaan bestrijden, riskeren we jihadi’s naar hier te jagen, schrijft Karel Verhoeven in De Standaard, na de recente aanslag in Istanboel. En hij waarschuwt dat als het kalifaat aan het wankelen gaat, IS zelf niet noodzakelijk uit de wereld is geholpen.

Yasmine Kherbache onderschrijft dat. ‘Militaire actie: ok, maar de militaire aanpak mag niet het enige antwoord zijn. We moeten de Syrische burgers en hun toekomst blijven vooropstellen. Je moet dus tegelijk stabiliteit bieden, door onder meer in te zetten op de uitbouw van lokale veiligheidsdiensten, geldstromen naar IS droog te leggen, je in te schrijven in een globaal overleg. Tegelijk zie je dat men te weinig kijkt naar het belang van de preventieve aanpak, zowel ginder als hier. De strijd hier tegen radicalisering, op Vlaams niveau, verloopt niet systematisch, maar heel verbrokkeld en ongecoördineerd. Dat moet anders.’

© Tony Aubry

© Tony Aubry

Lessen uit Nederland

Kunnen we iets leren uit de Nederlandse missie in Irak die de Belgen voorafging? Ko Colijn meent van wel. ‘Een eerste les is: ken je mandaat. De Iraakse regering vroeg heel duidelijk hulp van de internationale gemeenschap, in het kader van zelfverdediging. In Syrië was dat niet het geval.

De Syrische president Assad, nog steeds officieel hoofd van de regering, was tegen interventie. In die optiek hebben we een kunstgreep gedaan om de luchtoperatie in Syrië toch te verdedigen, met als stelling: we kunnen Irak niet verdedigen zonder ook operaties in Syrië uit te voeren.’

‘Deelnemende kleine natiestaten moeten goed bekijken hoe nuttig hun militaire deelname kan zijn in het grotere geheel.’

Volgens Colijn moeten deelnemende kleine natiestaten goed bekijken hoe nuttig hun militaire deelname kan zijn in het grotere geheel.

De Nederlanders hebben zeven missies uitgevoerd, peanuts in het geheel van de operatie. ‘We hebben zeer weinig gewicht in de schaal gelegd. We missen immers de nodige legerapparatuur om bewegende doelen aan te vallen. Belangrijke kanttekening daarbij: ook bij logistieke doelwitten vallen burgerdoden. En dat geeft alleen maar zuurstof aan de anti-westerse propaganda.’

Colijn ziet ten slotte ook weinig politieke slagkracht in de missie. ‘Dit was een manier om het verzoek van de Franse president Hollande, na 13 november, af te houden.’

Na de Parijse aanslagen riep Hollande Europa op om een gezamenlijke oorlog te voeren. Daarvoor beriep hij zich op artikel 42 lid 7 van het Verdrag van Lissabon, een artikel dat verplicht tot militaire bijstand van de lidstaten indien een andere lidstaat wordt aangevallen. ‘Om dat te omzeilen’, zegt Colijn, ‘lasten Nederland en België een symboolmissie in.’