Kroniek van een aangekondigde oorlog

Blog

Kroniek van een aangekondigde oorlog

Kroniek van een aangekondigde oorlog
Kroniek van een aangekondigde oorlog

De machthebbers in Iran verspreiden de indruk dat de bevolking uniform achter het regime staat. Dat is onzin natuurlijk. De diversiteit van Iran is véél groter dan we over het algemeen denken. Maar als het vaderland aangevallen wordt, zou de eensgezindheid ook wel eens veel groter kunnen zijn dan de inlichtingendiensten denken.

De federalist is hoopvol

‘Jonge mensen weten niet meer van waar een oplossing voor hun uitzichtloosheid kan komen. Ze hopen alleen nog op een mirakel.’ Hij zegt het rustig, niet verwijtend. Zelf heeft hij genoeg jaren en ervaringen achter de kiezen opdat de hoop wat minder makkelijk weg te blazen is door de stormtroepen van wat hij onverkort als een fascistisch regime, gecontroleerd door de Revolutionaire Wachten, omschrijft.

‘Je voelt dat er strijd is binnen het regime, nu de oppositie uitgeschakeld is en de mensen gemuilkorfd.Op dit moment zijn we toeschouwers van een spektakel dat achter gesloten doek wordt opgevoerd. Ik hoop dat de verkiezingen van 2 maart zo slecht zullen lopen, dat het doek opengaat en dat we dan de kans krijgen om medespeler te worden. Misschien kunnen we van de interne tegenstellingen gebruikmaken om openingen te forceren en verandering te creëren.’

Hoe die verandering er moet uitzien? ‘Iran is zo divers dat we af moeten van de idee dat één wet of één morele benadering kan gelden voor iedereen en overal. Een federaal land, waarin veel meer ruimte is voor bijvoorbeeld onderwijs in de eigen taal en voor de culturele eigenheid van mensen, zou veel problemen kunnen opvangen.’

Ik zoek het later op. 51 procent van de Iraniërs is Perzisch. Andere etnisch-linguïstische groepen zijn Azeri’s (24%), Gilaki en Mazandarani (8%), Koerden (7%), Arabieren (3%), Baloetsjen (2%), Loren (2%), en Turkmenen (2%). Zelfs op religieus vlak is de homogeniteit veel minder groot dan meestal gedacht. 89 procent van de Iraniërs is weliswaar sjiitisch, maar binnen die gemeenschap bestaan heel verschillende stromingen, met name wat betreft de rol die religie in de staatsinrichting en –bestuur moet spelen. Daarnaast is 9 procent –vooral Koerden, Baluoetsjen, Turkmenen en Arabieren- soennitisch en is twee procent christen, jood, zoroastriër of baha’i –al wordt die laatste categorie door de grondwet niet erkend en wordt iedereen waarvan geweten is dat hij het baha’i-geloof aanhangt, vervolgd.

‘Gelukkig heeft de Islamitische Revolutie ervoor gezorgd dat het aanzien en de invloed van de mollahs en ayatollahs sterk getaand is’, zegt de anarchist-in-hart-en-nieren. ‘Nadat de Opperste Leider in 2009 voluit de kaart van Ahmadinejad trok, is zelfs zíjn positie niet langer onaantastbaar.’

De groeiende minachting voor macht en gezag, dat geeft hem nog het meeste hoop. Al ligt er aan de andere kant van de kooi een land dat de meeste mensen niet kennen, en dat sommigen dan ook ongerust maakt. Vrijheid is een woord in de verleden tijd en hoe het in de eenentwintigste eeuw, in Iran geschreven moet worden, weet eigenlijk niemand meer. Maar dat maakt het verlangen ernaar niet kleiner.

De fitness-man kan niet aan de zijlijn blijven staan

Vrijdagochtend op het Imam Khomeiniplein in Isfahan. Het immense plein met centraal een partij symmetrische fonteinen, twee juwelen van Safavidische architectuur – de Sjeik Lotfollah moskee en de Imam moskee- en het zeventiende-eeuwse Ali Qapu paleis, is nog zo goed als leeg. Op een handvol geüniformeerde en gewapende bewakers na. De omgeving van de Imam moskee is afgezet en wordt klaargemaakt voor het vrijdaggebed. Enorme matten worden uitgerold, een gemeentewerker gaat erover met een blarenblazer om het stof te verwijderen, stalletjes met religieuze en politieke literatuur worden opgezet.

Stilaan verschijnen meer en meer mannen in maatpakken en “onopvallend” communicatiemateriaal in hun oren. Ik vermoed dat een bijzondere spreker de buiten opgestelde mirbar zal beklimmen, gezien de veiligheidsmaatregelen. Mijn vraag, aan een van de bewakers, wie de predikant met dienst is, brengt me bijna in moeilijkheden. In elk geval wordt ik van de ene naar de andere verantwoordelijke gebracht, tot er eindelijk iemand is die me in duidelijk Engels uitlegt wat er van de kwestie is: ik mag het gebed en de gelovigen niet fotograferen. De Imam moskee, daarentegen, mag wel gefotografeerd worden. De eindverantwoordelijke gaat zelfs mee tot in de zuidelijke nis om te demonstreren welke ingenieuze architect hier aan het werk geweest is, want als je op deze zwarte steen stampt, hoor je exact zeven echo’s.

Ik zie later dat de mattenleggers van Isfahan te enthousiast geweest zijn, want de voorbereide gebedsruimte is allesbehalve volgelopen. ‘Dat verbaast me niet’, zegt de man die ik die namiddag ontmoet. ‘Wie gaat er nu ook naar het vrijdaggebed? Oude mannen, functionarissen die niet anders kunnen en een enkele overtuigde.’ Hijzelf gaat nooit naar het vrijdaggebed, al is hij wel moslim. Dat heeft hij heel goed beseft toen hij enkele jaren geleden op bedevaart was in Mekka en Medina. Hij kan dat niet goed uitleggen aan een niet-moslim, maar deelnemen aan de haj heeft hem echt diep geraakt. Maar in Iran heeft de klerikale politiek alle geloofwaardigheid van de voorgangers vernietigd. Daarom gaat hij liever naar de gym dan naar de moskee.

Met zijn afmetingen van 500 bij 160 meter is het Imam Khomeiniplein, in de volksmond nog steeds gekend als Maidan Naqsh-e Jahan, een van de grootste pleinen ter wereld. En een van de mooiste, weten de Isfahani, en daarom noemen ze deze plek ‘de helft van de wereld’.

‘De laatste keer dat deze ruimte helemaal vol volk stond, was toen ex-president Khatami hier in de aanloop naar de verkiezingen van 2009 kwam spreken over hervormingen en verandering. Van aan de Imam moskee tot aan de Isfahan bazaar.’ Hij geeft demonstratief de hele lengte van het plein aan met een wijdse armbeweging. Hij is ervan overtuigd dat verandering broodnodig is, maar gelooft niet meer dat die er via verkiezingen kan komen. Zelfs in 2009 liet hij de stembus voor wat ze was. ‘Mijn stem is dus niet gestolen’, zegt hij cynisch. Tot zijn eigen verbazing heeft hij wel deelgenomen aan de demonstraties achteraf. ‘Het optreden van de staat tegen de straat was onaanvaardbaar, daar moest ik me wel tegen verzetten.’

‘Waarom komt iemand uit vrije keuze naar Iran?, vraagt hij meteen na een gespierde handdruk waarmee we kennismaken op het prachtige Imam Khomeini-plein in Isfahan, de stad waarvan de schoonheid zo legendarisch is dat ze traditioneel omschreven wordt als ‘de helft van de wereld’. ‘Dit land is zo saai en vervelend dat iedereen eruit weg wil. Het leven hangt aan elkaar met verboden, beperkingen en represailles. Alleen wie echt rijk is of een hooggeplaatse vader in het systeem heeft, kan hier doen of laten wat hij wil.’

De striemende kritiek op de overheid en het autoritair-klerikale systeem verstomt als we de Rozentuin der Martelaren bezoeken. Een uitgestrekte begraafplaats van mannen, vrouwen en kinderen die sneuvelden in de oorlog tegen Irak (1980-1988) of later overleden aan de opgelopen verwondingen. Bij elke grafsteen staat een portret en een Iraans vlaggetje, de doden zijn georganiseerd per slagveld en militaire campagne, en in het midden staat een sober monument voor de onbekende soldaat.

‘Hier rusten de moedigen’, zegt hij opvallend zacht. Als ik vraag of hij zich ook zou melden als vrijwilliger, indien het vandaag tot een oorlog zou komen als gevolg van de internationale polarisatie rond het Iraanse atoomprogramma, antwoordt hij meteen en zonder twijfel ja. En dat is meer dan een opwelling: hij maakt zich dagelijks zorgen over die dreigende oorlog en heeft dus duidelijk al negedacht over die vraag. ‘Ik zou nog geen vinger uitsteken om de regering te steunen,’ verduidelijkt hij, ‘maar als je land aangevallen wordt, dan kan je niet aan de zijlijn blijven staan.’