Morsen met talent en oliegeld in Iran

Blog

Morsen met talent en oliegeld in Iran

Morsen met talent en oliegeld in Iran
Morsen met talent en oliegeld in Iran

Een ondernemer die niet zonder zijn land kan, betreurt het slechte economische beleid van zijn regering. En een beloftevolle studente idealiseert haar vaderland dat ze liefst zo snel mogelijk verlaat. De Islamitische Republiek zaagt de poten onder haar eigen troon weg, maar het Westen heeft wellicht niet het geduld om te wachten tot het regime valt.

De ondernemer en het basisinkomen

Hij is van mijn leeftijd, en dat is aan zijn kruin te merken. Toen ik voor het eerst vader werd, zat hij tot over zijn oren in de revolutie. Begin 1979 was de sjah vertrokken en borrelde het land van ideeën, verwachtingen, tegenstellingen, onduidelijkheden en opportuniteiten. De politieke chaos zou snel de verkeerde afslag nemen naar een religieuze machtsgreep en een autoritaire staat. Toch kan je het leven niet tegenhouden. Hij kreeg op latere leeftijd kinderen en bouwde intussen ook een bedrijf uit met zo’n tachtig werknemers. Een uitstekende gesprekspartner, dus, om het eens wat grondiger over de economie te hebben.

‘De huidige crisis is niet zozeer het gevolg van buitenlandse sancties, of –zoals de president claimt- van speculanten en politieke tegenstanders, maar van slecht economisch beleid. De officiële wisselkoers is nu eenmaal niet in overeenstemming met de reële waarde van de munt.’ Op een week tijd schommelde de informele wisselkoers van een hoogtepunt van 23.000 rial voor een dollar naar 17.000 en 15.000 en terug naar 17.000. Zowat de helft van zijn grondstoffen importeert hij uit het buitenland, maar dat wordt hoe langer hoe ondoenbaarder met zo’n wild schommelende wisselkoersen. De regering besliste intussen om de officiële wisselkoers op te trekken van 11.000 naar 12.000 rial. ‘Maar dat is too little too late, we moeten volgens mij minstens naar 18.000 om te stabiliseren.’

Het “slechte economische beleid” benoemt hij met een term die ook in het buitenland veel gebruikt wordt om de aanpak van president Ahmadinejad te beschrijven: populisme. ‘De politici houden te veel van het podium. Ze willen veel te graag demonstreren hoeveel ze geven om de armen, maar tegelijk ondermijnen ze de economie waarvan iedereen afhankelijk is. Met stijgende werkloosheid en armoede tot gevolg.’

In december 2009 besliste de regering om iedereen die dat wou een basisinkomen te geven. Daarmee wou ze het schrappen van een serie subsidies –onder andere op olieproducten- opvangen. Iedereen die zich registreerde voor die yaraneh –letterlijk: subsidie- krijgt sindsdien 45.000 rial per persoon en per maand op zijn rekening. No questions asked. In 2009 was die subsidie pakweg veertig dollar waard, in de week van mijn bezoek aan Iran nog dik twintig dollar. En de winkeliers doen die berekeningen wel degelijk, en vaak sneller dan de mensen beseffen.

‘Of het zo bedoeld is, weet ik niet’, zegt een journalist. ‘De beslissing om de oliesubsidie te vervangen door een basisinkomen voor elke Iraniër heeft met name de middenklasse getroffen en de armere bevolking geholpen. De echt rijken hoeven zich om die veertig dollar niet te bekommeren, de middenklasse verliest meer door het schrappen van de oliesubsidie dan wat ze kan winnen door de inkomenssubsidie, terwijl de armere gezinnen gemiddeld veel meer leden tellen en dus ook beduidend meer basisinkomen opstrijken.’

De koopkracht van de yaraneh wordt niet alleen onderuitgehaald door de snel verslechterende wisselkoersen en hun effect op de kleinhandelsprijzen, maar ook door de hollende inflatie die de regering zelf dit jaar schat op 20,6 procent. Maar mijn ondernemer is er zeker van dat dat een grove onderschatting van de realiteit is. ‘Het enthousiasme van de bevolking over die toelage is dus snel bekoeld, maar ook de overheid zelf komt stilaan in nauwe schoentjes.

In het begin zouden zo’n 62 miljoen Iraniërs de toelage gekregen hebben, intussen zou dat opgelopen zijn tot 72 miljoen, maar andere bronnen spreken over nog steeds zo’n 60 miljoen Iraniërs die gebruik maken van dit basisinkomen. Men vraagt nu dat de tien miljoen rijkste ontvangers vrijwillig afstand zouden doen van hun recht. En als dat niet werkt, zal men wellicht een inkomensgrens stellen aan het recht op de basistoelage.’ Zelf heeft hij al in 2009 belist dat het voor hem niet hoeft. Hij wil niet zomaar betaald worden door de overheid en hij heeft genoeg inkomen om zich die vrijheid te permitteren.

Als kmo heeft hij echter ook te maken met de overheid, als klant. ‘De overheidsbedrijven of de semi-openbare bedrijven die werken met middelen van religieuze stichtingen zijn vaak de slechtste betalers. Ze betalen de geleverde goederen soms niet of pas na maanden wachten. Intussen moet je wel de lonen en je eigen leveranciers blijven betalen. Maar je staat machteloos tegenover deze bedrijven omdat ze het hele systeem achter zich hebben.’

In juni 2009 gaf hij zijn stem aan Mir Hussein Moussavi. Omdat het land hervormingen nodig heeft, politiek zowel als economisch. En omdat Iran dringend moet werken aan betere internationale relaties. Dan kunnen daarna de middelen in sociale noden geïnvesteerd worden in plaats van in militaire uitgaven of in een steeds groeiende overheid, en dan kunnen er eindelijk opnieuw buitenlandse investeringen komen. ‘Kijk naar Turkije. Dat land heeft de voorbije tien jaar een enorme sprong voorwaarts gemaakt, terwijl Iran –ondanks zijn enorme olierijkdommen- terplaatse blijft trappelen. Er zijn geen echt harde cijfers, maar meestal wordt de economische groei voor Iran op twee procent geschat. Dat is beschamend, toch?’

Gelooft hij dat de westerse sancties kunnen helpen om die noodzakelijke ommekeer teweeg te brengen? In zekere zin, zegt hij, heeft Europa het juiste wapen gekozen: de olie-inkomsten. ‘Het is alleen dankzij het oliegeld dat de mollahs meer dan dertig jaar aan de macht konden blijven.Wie de Iraanse macht wil breken, moet altijd de oliekraan dichtdraaien. De sjah is ook pas gevallen nadat de olie-industrie plat ging door een staking.’ Maar hij heeft moeite met het discours van het Westen.

‘Hoe kunnen landen die zelf allemaal over kernenergie beschikken, en sommigen zelfs over een arsenaal kernwapens, nu argumenteren dat Iran géén kernenergie mag hebben?’ Maar hij er vooral een hard hoofd in. De kans is groot, gelooft hij, dat een of andere dag een conflict geprovoceerd wordt en dat de Iraanse defensie dom genoeg zal zijn om erop te reageren, waarna een grootschalige oorlog misschien onvermijdelijk is.

‘Telkens iemand uit mijn omgeving gearresteerd wordt of de regering weer eens uitpakt met een domme maatregel, vraag ik me af waarom ik eigenlijk in dit land leef. Waarom ben ik niet waar vrijheid een gewone zaak is? Maar hoe ouder ik word, hoe meer ik gehecht geraak aan mijn familie, mijn medewerkers en mijn land. Trouwens, wie emigreert, wordt daar ook niet altijd gelukkiger van. Iraniërs lijken op dit moment wel gedoemd tot eenzaamheid, binnen of buiten de landsgrenzen.’

De chauffeur is een vrouwelijke geus

‘Wij zijn moharebeh’, roept ze terwijl ze haar veel te kleine autootje door het helse verkeer stuurt. De andere inzittenden beantwoorden die lasterlijke taal –moharebeh verwijst naar mensen die god zelf bestrijden, het is een term die het regime gebruikt om mensen definitief te verwijderen- met stille schietgebedjes. Niet zozeer om de toorn van god af te wenden, dan wel om te vragen dat hij die aanstormende bussen en auto’s uit haar onvoorspelbare traject zou houden.

De enthousiaste vaststelling dat we zondaars zijn, komt aan het einde van een avond waarin inderdaad nogal wat regels van goede zeden overschreden werden. Twee mannen en twee vrouwen –met nergens een familieband te bespeuren- samen aan een tafeltje. Kletsen, schateren, uitdagen, dromen. En intussen bracht het ensemble met daf, thar, tombak en viool een mix van klassieke muziek, evergreens en hedendaagse songs –meestal liefdesliederen. Met hun instrumenten bloot! De Islamitische Republiek heeft nochtans verordend dat het tonen van muziekinstrumenten haram is, vandaar dat je dat aspect van de rijke en eeuwenoude Iraanse cultuur nooit op de Iraanse tv te zien krijgt.

De zesentwintigjarige flapuit komt –in elk geval Engelse- woorden tekort om de pracht van de Iraanse cultuur en geschiedenis te beschrijven. Haar liefde voor de muziek en poëzie en dus ook voor het vaderland is onuitputbaar, betoogt ze met felle gebaren en dito ogen -kohl is de rigeur in Iran en niet in geringe hoeveelheden, ik vermoed dat het tot de gesubsidieerde producten behoort.

De jonge vrouwen zijn geen van beiden van zuivere Perzische afkomst. De gepassioneerde heeft Koerdische ouders, haar meer bescheiden vriendin is Azerisch. De klassieke vergissing om Iraans gelijk te stellen met Perzisch is aan dit tafeltje dus geen optie. De niet-Perzische Iraniërs delen wel de trots om de Perzische antieke helden zoals Cyrus en Xerxes, en de Perzische Iraniërs hebben geen enkele moeite om een vooral Koerdische zanger als Sharam Nazeri tot hun eigen cultuurpatrimonium te rekenen. Of dat rooskleurige plaatje helemaal klopt, moet ik dringend eens natrekken.

Enkele kopjes thee later vertelt ze dat ze een aanvraag lopen heeft om een doctoraatstudie in een hier niet nader genoemd Europees land te doen. Gezien haar gedreven nationalisme, vraag ik of ze na de beëindiging van de studie meteen naar Iran zal terugkeren, om haar mooie land nog verder te verrijken. Maar daar is ze helemaal niet zo zeker van. Wat heeft ze hier tenslotte te zoeken? Welke toekomst heeft ze?

‘Ik kan niet zwijgen of doen alsof. En de kosten van eerlijkheid zijn in Iran heel hoog. Dat heeft niets te maken met de Iraanse cultuur, maar alles met de Islamitische Republiek.’ Ze illustreert die stelling met het verhaal over haar bijbaantje als leerkracht. ‘Ik was écht een hele goede leerkracht’, zegt ze en ze duwt haar vriendin aan die moet giechelen van zoveel zelfkennis. ‘Maar een jaar geleden werd ik geëvalueerd en moest ik een heleboel vragen over religie en politiek beantwoorden. Ik heb natuurlijk gezegd dat ik me tot het kamp van de Groene Revolutie rekende. De conclusie was dat ik niet mocht terugkeren voor de klas. Nu niet en nooit meer. Ik stond geboekstaafd als marxiste, zei de man. Waar haalt hij het?’ Dus: waarom zou ze terugkeren als ze de kans zou krijgen om elders te studeren en aan de slag te gaan?

Ik citeer een artikel dat een zekere G. Esfandiari schreef voor Radio Free Europe / Radio Liberty, waarin hij zegt dat jaarlijks 180.000 gestudeerde Iraniërs het land verlaten, wat Iran minstens 50 miljard dollar per jaar aan economische schade zou opleveren. Dat spijt haar zeer, natuurlijk. Maar wat kan zij eraan doen dat de president en zijn acolyten het leven onmogelijk maken voor wie geleerd heeft zelf te denken? Als ze emigreert, gelooft ze, verlaat ze alleen het regime, niet haar land, dat neemt ze gewoon mee. Het is deels jeugdige overmoed, deels diepe wanhoop. Maar om dat laatste te bedwingen, heeft ze zich nu op yoga gestort. En, zie: ze is er gelukkiger van geworden.

Net voordat we elkaar ontmoetten, had ze de eerste kennismakingsles yoga gehad.