Zuid-Soedan: Mensen, water en eindeloze modder

Blog

Zuid-Soedan: Mensen, water en eindeloze modder

Zuid-Soedan: Mensen, water en eindeloze modder
Zuid-Soedan: Mensen, water en eindeloze modder

De Nederlandse Maartje is aangekomen in een vluchtelingenkamp in Bentiu. Ze waadt kniediep door de modder en verbaast zich over de expertise in het bouwen van dijken. En ze vertelt over de 12-jarige Sabrina die zorgt voor haar 5 broertjes en zusjes. Lees haar blog uit Zuid-Soedan.

Bentiu was een grote ontwikkelde stad in Zuid-Soedan. Maar sinds de gevechten die in hier in het begin van het jaar plaatsvonden, leven 40.000 mensen in een overvol terrein van de Verenigde Naties.

Ze zijn op de vlucht voor het geweld buiten het kamp. Een deel van het kamp staat sinds de start van het regenseizoen, al weken onder water. Letterlijk onder water, niet zoals bij ons na een flinke regenbui, maar in sommige plekken staat het water op hoogte van je middel.

Ik kende de situatie, ik kende de verhalen over Bentiu voordat ik hier aankwam, maar het moment dat ik met mijn laarzen de eerste stappen in de modder zet, raak ik niet snel kwijt. Het kamp is een wirwar van mensen, water en eindeloze, eindeloze modder. Om de eerste hutjes te bereiken moeten we eerst de ‘hoofdstraat’ over. Het is meer een sloot. Voorzichtig doe ik mijn eerste stapjes terwijl vrouwen, met water gevulde emmers op hun hoofd dragend, mij voorbijsnellen, hun slippers wapperend in hun opgeheven handen. Mijn voorzichtige stappen blijven een tevergeefse poging, want al snel stromen mijn laarzen vol met modderwater. Dan maar gewoon doorlopen.

Even verderop hebben de mensen hard gewerkt om hun huizen te beschermen, overal zijn ophogingen gebouwd waar de huizen op steunen, zijn dijken gebouwd. En inmiddels is een deel van het kamp drooggelegd door dagen lang met potten en pannen het water naar buiten te scheppen. (En ik vraag me even af of Nederlanders daadwerkelijk de waterwerkenexperts zijn!). Op het droge deel zitten mensen krap naast elkaar in theehuisjes, marktkraampjes zijn opgebouwd, kinderen kroelen en spelen overal doorheen, mensen lachen ons toe en uit speakers klinkt muziek.

Kniediep door de modder

Het leven gaat gewoon door, ook aan de linker- en rechterkant waar een deel van het kamp echter nog steeds onder water staat. Er is geen andere keus. Wij proberen het al glibberend nog redelijk droog te houden maar als we even later proberen een van de klinieken te bereiken (we bekijken het van alle kanten maar er is toch echt geen andere route) gaan wij ook opnieuw kniediep door de modder en het ruikende, met ontlasting vervuilde, water.

En in die modderpoel die een veilige haven hoort te zijn, heeft iedereen een verhaal. Eén verhaal blijft door mijn hoofd spoken, het is er een die me verteld wordt door de verpleegkundige van het poliklinische therapeutische voedingsprogramma.

Sabrina is 12 jaar en elke week komt ze trouw met haar ondervoede zusje van 7 maanden naar het ziekenhuis, voor een check-up en vervolgbehandeling. Als de verpleegkundige haar verschillende malen alleen ziet komen, vraagt ze aan Sabrina waar haar ouders zijn. Sabrina vertelt, met haar zusje op haar heup, op neutrale toon, dat haar vader gedood is tijdens de gevechten in de stad. Haar moeder ging een paar weken geleden op tocht buiten het kamp, om hout te halen om te koken. Ze kwam nooit meer terug. Sindsdien zorgt Sabrina voor haar 5 broertjes en zusjes. Ze is volwassen nu, ze toont geen emotie, ze moet door.

Sabrina’s verhaal is niet uitzonderlijk. Er wordt voedsel gedistribueerd in het kamp, maar vrouwen zijn gedwongen om het kamp te verlaten, op zoek naar hout om op te koken, en om wat extra geld te kunnen verdienen om hun familie te ondersteunen, voor kleren, een deken, een ketel…. ze zijn alles kwijtgeraakt. Ze gaan een gevaarlijke tocht aan, verhalen over verkrachtingen, ontvoeringen en geweld bereiken ons elke dag.

De verpleegkundige vraagt Sabrina de volgende dag terug te komen met al haar broertjes en zusjes, en schakelt de kinderbescherming van het kamp in voor ondersteuning van de kinderen. Aan het eind van de volgende dag vraag ik haar hoe het afgelopen is. De verpleegkundige slaat haar ogen neer….Sabrina is nooit komen opdagen. We blijven elke dag weer hopen dat ze morgen komt.

Meer lezen? www.azg.be