Dank u, maar nee, dank u

Column

Dankbaarheid voor zorgverleners is soms een rookgordijn dat veel lelijks verhult

Dank u, maar nee, dank u

Dank u, maar nee, dank u
Dank u, maar nee, dank u

Bieke Purnelle maakt zich zorgen over hen, die voor ons moeten zorgen, nu de voorspelde tweede golf ons overspoelt, alsof we niet wisten dat ze zou komen. Terwijl men in de Wetstraat talmt, kibbelt en economische rampspoed afkondigt doen zij gewoon verder, omdat iemand het moet doen.

Terwijl ik de nationale feestdag en het leven vierde op mijn fiets, ergens tussen Lillo en Gent, zag ik een spandoek wapperen aan de keurig geschoren haag van een doorsnee Vlaamse voortuin. Het doek was overduidelijk door geestdriftige kinderhanden beschilderd, met bloemen en kransen rond grove zwarte blokletters. ‘Dank aan onze helden!’ stond er te lezen.

In deze gekke tijden weet iedereen meteen wie bedoeld wordt met ‘onze helden’.

Wij danken onze zorgverleners, omdat ze levens redden.

Dankbaarheid is een deugd. Je kan er niets op tegen hebben. Maar soms is dankbaarheid een rookgordijn dat veel lelijks verhult.

Helden doen dingen waartoe we onszelf niet in staat achten, dingen die onze eigen halfslachtige mensenmoed te boven gaan, dingen waarvan we denken dat we ze niet kunnen of durven. Helden zijn uitzonderlijke mensen, of dat denken we graag. De voorliefde van mijn kinderen voor heldenfilms heeft niets te maken met geloofwaardigheid of identificatie, maar alles met bewondering voor het ondenkbare, het onmogelijke. Helden zijn niet echt; dat weten zelfs de kinderen.

Het probleem is dat we dingen die normaal zouden moeten zijn, zoals voor elkaar zorgen in nood, als wonderlijk en exceptioneel gaan beschouwen.

Toen ik ’s avonds mijn Facebookpagina opende las ik de ingehouden ergernis van een vriendin, een van die vriendelijk bedankte helden, over de heldenstatus die ze ongewild kreeg toebedeeld.

‘Onze “helden” willen geen applaus of heldenstatus maar erkenning van wat hen is aangedaan, deftig en voldoende materiaal, leefbare arbeidsomstandigheden en genoeg handen. Get on with it.’

De goedbedoelde dank werd niet onverdeeld dankbaar aanvaard. Deze heldin zei ‘Dank u, maar nee, dank u.’

Het probleem met al dan niet vermeende helden is dat ze er doorgaans niet om hebben gevraagd een held te worden genoemd. Misschien omdat ze zichzelf niet als uitzonderlijk of bovenmenselijk beschouwen, en dat ook niet zijn. Misschien omdat het heldengedoe afleidt van waar het echt om gaat.

Het probleem is dat we dingen die normaal zouden moeten zijn, zoals voor elkaar zorgen in nood, als wonderlijk en exceptioneel gaan beschouwen. Waarom is het heldhaftig om zieken te verzorgen, levens te redden, te helpen waar nood heerst? Waarom zijn we verantwoordelijkheid en zorgzaamheid als heldendaden gaan beschouwen? Dat soort vervelende vragen stelde ik mezelf terwijl ik vrolijk langs de Schelde trapte.

Als wat nodig is een heldendaad wordt, dan hoeven we ons niet voor te stellen dat we zelf iets kunnen doen, want wij zijn immers geen helden. Heldhaftigheid is niet voor ons, banale stervelingen.

Het woord “knelpuntberoep” had ons al lang moeten alarmeren.

Hoe zijn wij hier beland, in deze vreemde wereld, waar voor een ander zorgen een daad van uitzonderlijke heroïek betekent? Misschien verwarren we heldhaftigheid met iets anders, iets wat we onderweg verloren zijn, in onze drang naar efficiëntie, groei en productiviteit. Misschien was het vermarkten van ons welzijn een dwaling, één van die ideeën waarvan we en cours de route vaststellen dat we er niet goed over hebben nagedacht. Hoe kwamen we op het idee om van welzijn een kwestie van vraag en aanbod te maken, van zorg een product? Hoe zijn wij zo verstrikt geraakt in ons blinde geloof in de markt?

Deze mensen die we helden noemen, en vele anderen die we vergeten, zijn echt. Ze dragen geen lycra catsuit en een cape en spelen nergens de hoofdrol. Ze willen geen spandoeken, bloemen, applausjes en bedankjes. Ze willen ernstig genomen worden en hun werk doen in omstandigheden die hen niet mentaal en fysiek uitputten. Ze willen hun werk kunnen doen zoals het hoort, met genoeg tijd voor zorgzame aandacht en met genoeg mensen om nu en dan te kunnen rusten. Daar vroegen ze al om voor een pandemie de wereld in een wurggreep hield, en daar zullen ze om blijven vragen, ook wanneer de laatste wonden gelikt zijn. Het woord “knelpuntberoep” had ons al lang moeten alarmeren.

Ik maak me zorgen over hen, die voor ons moeten zorgen, nu de voorspelde tweede golf ons overspoelt, alsof we niet wisten dat ze zou komen. Terwijl men in de Wetstraat talmt, kibbelt en economische rampspoed afkondigt doen zij gewoon verder, omdat iemand het moet doen.

Blijf hen gerust bedanken, maar vergeet vooral niet kwaad te zijn.