Eindeloos dankjewel

Column

‘Denk na over de wereld en probeer haar met ons te bouwen’

Eindeloos dankjewel

Eindeloos dankjewel
Eindeloos dankjewel

​Terwijl Lisette Ma Neza de coronalockdowns overleeft door op de bank afleveringen van "The Crown" te bingewatchen en ondertussen haar huidhonger wat zit weg te 'quarantinderen', staan de zorgmedewerkers aan het front van de crisis te zwoegen en te ploeteren tussen leven en dood.

© Charis Bastin

Lisette Ma Neza

© Charis Bastin

​Terwijl Lisette Ma Neza de coronalockdowns overleeft door op de bank afleveringen van ‘The Crown’ te bingewatchen en ondertussen haar huidhonger wat zit weg te quarantinderen, staan de zorgmedewerkers aan het front van de crisis te zwoegen en te ploeteren tussen leven en dood.

‘En wat zeg je dan?’, zei mama vroeger wel eens, wanneer we onze aangeleerde beleefdheid compleet vergaten toe te passen. Wanneer – ik en mijn zus – iets te enthousiast, te gierig, te nieuwsgierig, of uit vanzelfsprekendheid genoten van andermans vrijgevigheid. ‘Dan zeg je alsjeblieft? Of dankjewel?’ Ik keek mijn zus smekend aan om mij uit de brand te helpen. Alle ogen nu op haar gericht, maar mijn zus was toen al zo scherp als een advocaat, zij wist dit wel. ‘Dankjewel! Dankjewel!’ We leerden de les van dankbaarheid op z’n vroegst en zo ook hoe goed het voelt om het woord uit te spreken, op het juiste moment.

Dit driedelige woord heeft naarmate we opgroeiden veel meer betekenis gekregen dan gewoon een vorm van beleefdheid te zijn, of een symptoom van mama’s opvoeding. ‘Dank’ heeft een moeilijk te achterhalen oorsprong, maar rijmt op erkentelijkheid. Het woord ‘erkentelijkheid’ gaat om het erkennen van het goede, erkennen wat de ander voor je doet of heeft gedaan, erkennen dat er misschien zelfs geen wederdienst is, die het zou kunnen evenaren. Dankbaar is de uiting van dit erkennen.

Het gaat over verkoudheidsverschijnselen die het leven uit je longen zuigen en in een mum van tijd gaat het over een begrafenis waar niet eens één tiende van de familie bij mag zijn.

Van Oprah Winfrey heb ik geleerd om elke dag een lijstje op te sommen met drie dingen waar je dankbaar voor bent. Sommige dagen is dat ver zoeken in het diepe dal, andere dagen is dat appeltje eitje. Toch voel ik (en mijn medemens waarschijnlijk ook) al maandenlang een eindeloos dankjewel. Het soort dat niet te stillen valt — als een peuter die voor het eerst bij de peuterspeelzaal wordt afgezet en weent totdat zijn mama hem ‘s avond op komt halen, of een uit de hand gelopen feestje, of een rondgaand virus waar nog geen vaccin voor bestaat, zo, niet te stillen.

Natuurlijk heb ik het over hoe ik mij voel tegenover de mensen in de zorg, in ziekenhuizen, in laboratoria, op testplekken, op corona-afdelingen. Natuurlijk ben ik ook schuldig aan gezeur over mondkapjes, de avondklok, coronamoeheid en het feit dat de regering besluit dat ik maar één (intiem) knuffelpersoon mag hebben. Maar terwijl ik mij druk maak over mijn hoestschaamte in publieke ruimte en op de bank afleveringen van ‘The Crown’ bingewatch en ondertussen mijn huidhonger wat zit weg te quarantinderen… staan de zorgmedewerkers aan de front van de crisis te zwoegen en te ploeteren tussen leven en dood.

Met de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (kortweg: KVS) bezocht ik het UZ Brussel en begreep ik weer — net zoals wanneer je een naaste verliest aan het virus — hoe hard de dood is. Daar gaat corona over, het gaat over bekvechten om toiletpapier en handzeep, dan over verkoudheidsverschijnselen die het leven uit je longen zuigen en in een mum van tijd gaat het over een begrafenis waar niet eens één tiende van de familie bij mag zijn en dan over urenlange wachtrijen om de as op te halen van een geliefde. Het gaat over kleinkinderen die als het ware hun grootouders vermoorden. Niettemin gaat het over kinderen, nieuw leven dat ziek is. De babyafdeling was misschien wel het vreselijkst. Achter een muur met kindertekeningen of kleurrijke figuurtjes liggen de baby’s met het virus. Soms geen, soms eentje, soms vijf — werd ons verteld.

En als het niet om slachtoffers van het virus gaat, dan overlijden mensen door auto-ongelukken. Levens die het zouden hebben gered in andere tijden, maar door de IC’s die vol raken, is dat geen vanzelfsprekendheid meer. We zuchten een beetje, onze ogen gaan alle hoeken van het ziekenhuis uit, we deinzen een beetje naar achter als we een patiënt voorbij zien komen.

We stellen anderhalf uur enkel vragen. Ik, een mondharmonicaspeler, een danser en twee vertrouwde medewerkers van de KVS. Dit is voor de zorg het nieuwe normaal, overuren maken, om de zoveel stappen je handen desinfecteren en je uiterste best doen om iemands leven te redden. Iemand die misschien zal blijven leven, misschien voor altijd invalide zal zijn, omdat longen niet helemaal helen.

We bespreken de toekomst en het verleden. Het begin van de crisis leek op het einde van Europa wordt ons verteld. Elk land voor zich, leek het even. We hebben het over de moeilijkste en ethische levensvragen. Over grootouders die niet meer willen leven, mochten ze hun (klein)kinderen niet meer kunnen zien. Over wiens leven voor zou gaan als het over dezelfde leeftijdsgroep gaat. Over de hoogstwaarschijnlijke derde golf na de feestdagen. ‘Denk na over de wereld en probeer haar met ons te bouwen’, vertelt Ron ons, onze begaafde rondleider doorheen het ziekenhuis.

Pas na een lang gesprek en wanneer de vragen opraken, komen we ter zake. Wij zijn KVS breekt uit. Artiesten die geen podia meer hebben. Een schouwburg met gesloten deuren. Wij breken vanaf januari tot april uit het theater en brengen ons werk — gemaakt van hart en ziel — naar de mensen toe.

KVS Breekt Uit in de UZ Brussel is een ode aan de zorgmedewerkers, aan het ziekenhuis, aan het harde werken, aan de helden van dit jaar. KVS Breekt Uit is een eindeloos dankjewel. Een eindeloos dankjewel aan zij die dagelijks hun eigen levens riskeren, soms overwerkt, als kaarsjes die uitbranden, levens redden. Zonder (genoeg) vakanties, zonder zekerheid en vooralsnog zonder vaccins.

Eindeloos dankjewel.

Eindeloos.

Eindeloos.