Ik hou van de stad om wat er niet is

Column

Ik hou van de stad om wat er niet is

Ik hou van de stad om wat er niet is
Ik hou van de stad om wat er niet is

De stad is de tweede beste uitvinding van de mens. Na koffie. Een van de alledaagse handelingen die de stedeling bij voorkeur buiten de deur doet, is koffie drinken. Bie Vancraeynest verklaart haar liefde aan de stad omwille van de bijzondere leefbaarheid ervan.

De stad is de tweede beste uitvinding van de mens. Na koffie. Een van de alledaagse handelingen die de stedeling bij voorkeur buiten de deur doet, is koffie drinken.

Uit een bekertje, op een terras, leunend op een toog van de Corica, achter een laptop in een hipsterkeet waar ik stiekem de tatoeages van de barrista tracht te ontcijferen. In de Italo-Belge, dat Molenbeekse café dat een vreselijke renovatie achter de rug heeft maar toch nog steeds de beste espresso van de stad in het Italiaans serveert. Of in La Ruche, die mooie taverne aan het Zuidstation, voorzichtig nippend van een altijd te heet geserveerde “nos nos”. Half koffie, half melk. Een beetje zoals de clientèle.

Al van toen ik klein was, had ik het gevoel, dat de mensen die naast mijn familie ook bij mij horen, maar die ik zelf nog moest zien te vinden, zich elders bevonden. Geboren in de ultieme West-Vlaamse gemeente, gedij ik toch het beste op plaatsen waar je een metro kan nemen. De stad voelt als mijn natuurlijke biotoop. Ik mag in een volgepropte broeierige wagon staan, met het geblèr van een slechte straatmuzikant in mijn oren; als de metro zachtjes schokkend enkele kilometers bovengronds rijdt en het zonlicht ineens binnenvalt, dan weet ik dat hier thuis ben. “Kijk, ik ben er!” zou ik willen roepen naar mijn jongere zelf, “ik ben er geraakt!”

Het is geen valse romantiek: ik ruik de urine, ik zie het vuil, ik registreer de onder- en de achterkant.  Maar toch is het voor mij de meest draaglijke uitvalsbasis om een vervuld leven op te bouwen. Dat komt omdat de helft van wat een stad zo mooi maakt, er nog niet is. Hier niet althans. Dat leeft voorlopig nog maar in onze verbeelding. In onze hoofden en onze harten en in de gesprekken die wij voeren met elkaar. Wij, dat zijn ik en die vele anderen die hier mijn leven binnen zijn gekanteld. Zij die ik zelf vond en zij die mij aan de mouw trokken. De fundamentele eenzaamheid die uiteindelijk elk mensenleven tekent, kan ik beter verdragen omringd door anderen die eveneens de existentiële angst met stadsgedruis bekampen. Of een andere strijd voeren.

Ik hou van de stad om wat er niet is: de verpletterende druk van de norm van het kerngezin.

Ik hou van de stad om wat er niet is: de verpletterende druk van de norm van het kerngezin. Ik heb de stad nodig om iets te betekenen. Hier ben ik wel iets, er buiten, iets niet.

Het is een kwestie van perspectief: mijn appartement is niet klein, ik woon compact.

De kleine schaal vind je ironisch genoeg het meeste in de grootstad: hier geen hypermarkt maar op elke hoek een kruidenier waar je kan kiezen tussen slechts twee soorten yoghurtjes.

De wereld ligt op je stoep, maar je kan er ook gewoon overheen stappen en in je pyjama naar de buurtwinkel sloffen. Alles is er maar je moet niets. Hier word je nooit ergens echt verwacht. Je hoeft niet in te gaan op alle voorstellen, niet in te tekenen op alle beloftes. Alleen te weten, dat ze er zijn. Je hoeft er niet heen, naar al die vernissages, concerten en zomerbars. Maar het kan.

Slechts haltes verwijderd van mijn sofa ligt de optie van een wilde nacht voor altijd besloten. Een nacht die duurt tot lang nadat de laatste metro uitrijdt. Die wetenschap is genoeg. Dus tuimel ik meestal ergens rond middernacht mijn nest in. Ik verwonder me over de stilte die er hangt en die slechts tegen het ochtendgloren kapot wordt gescheurd door een laag overvliegend vliegtuig. Daar word ik soms wakker van. Dan draai ik me nog eens om en hoor hoe de stad zich op gang trekt, en bedenk alvast, waar ik straks eens koffie ga drinken.

Tags