Ik voel, dus ik doe

Welke rol moet emotie spelen in onze ontwikkelingshulp? Columniste Olivia Rutazibwa kan nostalgisch genieten van ‘We Are the World’, maar kan zich niet van de indruk ontdoen ‘dat het inzetten op dat vluchtige van het menselijke gevoel in hulp en solidariteit ons ongewild vasthoudt in kolonialistisch drijfzand.’

Ik woon hier nu een dikke maand. Duisburg, die onopmerkelijke stad tussen Rijn en Ruhr, waar echo’s van vergane industriële glorie en de schoonheidsidealen van de jaren tachtig het straatbeeld kleuren.

Ik woon hier in de even onopmerkelijke stationsbuurt, met dito architectuur, in een karakterneutraal doch comfortabel appartement.

Elke maandagavond, rond een uur of zeven, weer of geen weer, passeert er een handjevol demonstranten door de straat. Drie weken op rij probeer ik tevergeefs mijn gebroken Duits af te stoffen om te verstaan wat ze scanderen.

Van de vele Duitse vlaggen die meelopen maak ik op dat het iets te maken moet hebben met ‘vreemdelingen’ en het Duitse vaderland – bloed en bodem en zo – maar ik dwing mezelf geen overhaaste conclusies te trekken.

Mission Impossible

Link

Lees ook: Xenofobie voortaan fiscaal aftrekbaar in Duitsland?

Deze maandag, net iets voor half acht, wordt een en ander duidelijker, en wel op de meest aangename manier.

In de gietende regen maak ik me op om het stationsplein over te steken richting UCI, het Duisburgs cinemacomplex waar ze een keer per week – ook op maandag – één film in originele versie vertonen. Deze maand is het Mission Impossible, nummer-weet-ik-hoeveel. Een prent waar ik normaliter tijd noch geld in zou steken, maar nood breekt wet in deze entertainmentarme omstandigheden.

Mijn habitués blijken de Duisburgse Pegida te zijn.

Op het stationsplein herken ik meteen de demonstranten. Het regent pijpenstelen, dus de letters op de inmiddels vertrouwde grote Duitse vlag zijn ook van dichtbij niet meteen te ontcijferen. Bovendien kijken de protesteerders me niet per se uitnodigend aan om hun boodschappen van naderbij te bestuderen.

Het gescandeer komt deze week echter niet van deze habitués. Naast en tegenover hen staan politie en leger, het midden van het plein is helemaal leeg, en aan de andere flank maakt het kleinste groepje van de hoop, het meeste lawaai van allemaal.

‘Pegida dit, Pegida dat’ klinkt het door de megafoon en ze hebben spandoeken vast die er geen twijfel over laten bestaan dat zij het antifascistisch front zijn. Dat maakt van mijn habitués dus de Duisburgse Pegida.

Tragikomedie

Twee man en een paardenkop zijn het, die antifascisten. De Pegida-ers zijn nauwelijks met dubbel zo veel. De hele scene, inclusief de regen en het absurd grote veiligheidscontingent, maken er een tragikomisch moment van. Ik vraag me af welke speciale activistische geest iemand moet hebben om dit ritueel – ongeacht de belachelijk kleine aantallen langs beide kanten – wekelijks uit te voeren. En wat voor zin heeft het?

Ik vraag me af welke speciale activistische geest iemand moet hebben om dit ritueel wekelijks uit te voeren.

Anderzijds denk ik aan hoe instant blij en opgelucht ik me voor even voelde bij het zien van de simpele zwarte ‘refugees welcome’ spandoek van de anti-Pegida groep; ik, die niet eens vluchtelinge ben, enkel kortstondig onzekerder dan anders omdat ik me hier als nieuwkomer niet fatsoenlijk kan uitdrukken en de mensen de helft van de tijd maar half versta.

Die twee man en een paardenkop en hun spandoeken maakten mijn avond. Het collectieve gestaar van de Pegida-ers kon me even niets schelen. Ze gaven me twee minuten politieke moed om halt te houden in het lege midden van het plein en hun warme boodschap in deze kille tijden op foto vast te leggen.

En toch. Effectief politiek activisme gaat allicht om meer dan het geven en krijgen van een goed gevoel.

Het belang van emotie

Link

Lees ook: Bob, Bono en de selfie-hulp

Ik buig me nu al vijftien jaar over ‘goede’ hulp en solidariteit en ik ben er nog altijd niet uit.

Eerder dit jaar hakte ik met vuur in op het melige selfie-hulp gehalte van #BandAid30 en aanverwanten. De kans dat ik hierover gauw van mening zal veranderen is klein, maar ik denk meer en meer dat ik het element ‘gevoel’ of emotie niet simpelweg bot van tafel kan vegen in de zoektocht naar betere solidariteit.

Ik denk – hoop – dat dit recent inzicht niets te maken heeft met het feit dat ik mijn weekend begon met het vijftig minuten durende making-of filmpje van ‘We Are the World’ in 1985.

Aah de nostalgie! De Britse Bob Geldof, net terug uit Ethiopië, zakte even af naar de studio voor een getuigenis over heldendaden en gruwel en een Ethiopische vrouw werd opgevoerd om de Amerikaanse topartiesten tot tranens toe te bewegen – twee dingen waar ik politiek gezien absoluut van gruwel – maar de muziek, de welgemeende naïviteit en (de micro-seconde?) oprecht medeleven, … Ik kan me inbeelden hoe ze wervend werk(t)en.

Selfie-onderzoek

De afgelopen maanden heb ik verschillende wetenschappelijke conferenties afgeschuimd om de temperatuur op te meten over hoe we binnen onze gemeenschap vandaag nadenken over hulp, interventie, ontwikkeling en solidariteit.

Een soort selfie-onderzoek laten we zeggen, in plaats van het beleid, hulpverleners of de ‘exotische’ mensen ver weg onder de microscoop te leggen om te verklaren wat er zoal mis loopt in de hulp- en interventie-industrie.

Een gevoel van plicht of medeleven, al dan niet overgoten met een dun sausje superioriteitsgevoel, blijft de rode draad.

Weinig nieuws onder de zon. Zowel bij de iets conservatievere mainstream als bij de zogenaamde kritischere bende ter linkerzijde. Zowel qua inhoud als deelnemers. Conferenties over ‘Afrika’ of het Zuiden vinden blijkbaar nog steeds moeiteloos plaats in de bijna totale afwezigheid van collega’s uit de betrokken plekken.

Net al in de beleidswereld steken nieuwe buzzwoorden af en toe de kop op, maar al te vaak dekken ze dezelfde grijsgedraaide lading.

Link

Lees ook: 5 woorden om mee te scoren op een conferentie over ontwikkeling

Betrokkenen moeten meer inspraak krijgen, dingen opleggen werkt niet, maar over de implicaties van deze fundamentele inzichten wordt nauwelijks serieus en systematisch nagedacht. Afschaffen van departementen Ontwikkelingssamenwerking? Ethische en solidaire terugtrekking aangezien we vaak meer brokken maken dan lijmen? Afstappen van de idee dat opvangen van migranten en vluchtelingen helemaal geen gift of gunst is? Al die dingen worden soms kort geopperd, maar vooral in het midden gelaten als grote vraagtekens. Waar dan niet verder over wordt nagedacht.

Een gevoel van plicht of medeleven, al dan niet overgoten met een dun sausje superioriteitsgevoel, blijft de rode draad.

Gevoelensparadox

Ik probeer echt een grotere rol toe te kennen aan emoties in mijn denken over hulp. En toch. Voorlopig kan ik me niet van de indruk ontdoen dat onder andere het inzetten op dat vluchtige van het menselijke gevoel in hulp en solidariteit ons ongewild vasthoudt in kolonialistisch drijfzand.

In haar uiteenzetting over de #BringBackOurGirls campagne heeft Annick T. R. Wibben, een feministische veiligheidsonderzoekster van de universiteit van Berkeley, het tijdens een van die conferenties over onze collectieve reflex om sowieso íets te willen doen, wanneer iets ons raakt. De drang naar een onmiddellijk, vaak kortstondig, gevoel van íets te hebben gedaan wordt dan belangrijker dan achteraf te bekijken of op voorhand twee keer na te denken of we daadwerkelijk iets nuttigs doen.

Hierin zit de gevoelensparadox waarmee ik nog steeds worstel: Aan de ene kant lijken we menselijke empathie nodig te hebben om te mobiliseren voor verandering en solidariteit; anderzijds weerhoudt het inspelen op diezelfde gevoelens ons er soms van om tijd te maken voor ernstigere analyses, alsook van de nodige nederigheid om de betrokkenen geloofwaardig te consulteren en serieus te nemen. Allemaal dingen die betere resultaten zouden kunnen opleveren.

Blinde vlek

Tijdens een andere conferentie struikel ik onverwachts over een simpele manier om deze complexe gevoelensparadox te illustreren.

Het is begin juni, ergens in London en de set-up is zoals gewoonlijk: Een oververtegenwoordiging van westerse mannen krijgt de microfoon in de hand gestopt om over de do’s en don’ts van interventie in heel de wereld te filosoferen. De vraag of we er überhaupt moeten zijn, komt nauwelijks aan bod.

Voor Mervyn Frost, Zuid-Afrikaans gerenommeerd denker over ethiek in internationale betrekkingen van King’s College Londen, is het vrij simpel. Om de interventievraag te beantwoorden maakt hij een analogie met de schietpartij in Charleston. Het staat volgens hem buiten kijf dat, mocht er in die ruimte een andere persoon zijn geweest met een pistool op zak, die die had moeten inzetten om de moordenaar te stoppen. Een gevoelsmatige no-brainer, toch?

Kunnen we met betere en complexere analyses nuttigere gevoelens kweken?

Uiteraard. Maar in feite zit er een gigantische blinde vlek in deze analogie. In het echte leven staan de mensen die kunnen tussenkomen immers buiten de kerk; ze hebben weinig zicht op wat er zich precies afspeelt binnen en zouden zich allicht vergissen tussen de ‘goeden’ en de ‘slechten’ wanneer ze schietend binnenvallen; vaak hebben ze een directe of indirecte link met de dader – hij kocht zijn wapen van hen of ideeën die zij cultiveerden hebben hem geïnspireerd tot zijn daad. Bovendien azen ze misschien al een tijdje op het kerkgebouw, of hebben ze het niet begrepen op de ideeën die in de kerk circuleren.

Zonder nadenken het licht op groen zetten voor een interventie lijkt dan heel wat minder voor de hand liggend, toch?

De vraag die dan overblijft: Is er een directe lijn tussen kennis en gevoelens? Kunnen we met systematisch betere en complexere analyses nuttigere gevoelens kweken? Ik ben er echt niet zo zeker van. Wie beslist bovendien wat betere, nuttigere gevoelens zijn?

In afwachting van de volgende filmvertoning in originele versie houdt dit me nog even zoet hier in Duisburg.