Is fysiek geweld per definitie verkeerd?

Column

Is fysiek geweld per definitie verkeerd?

Is fysiek geweld per definitie verkeerd?
Is fysiek geweld per definitie verkeerd?

In haar maandelijkse column probeert Anya Topolski aan de hand van drie politieke gebeurtenissen te zien hoe het onderscheid tussen fysiek en non-fysiek geweld telkens politieke onrechtvaardigheden verhult en leidt tot een ontkenning van het belang van machtsongelijkheid en historisch leed.

Helaas hoor ik mezelf thuis bijna dagelijks tegen mijn kinderen zeggen, soms schreeuwen: ‘niet slaan!’ of ‘niet duwen!’ of ‘stop met vechten!’ Tot mijn schaamte wacht ik meestal tot er tranen of verwondingen zijn, voor ik echt ingrijp.

Hoewel ik probeer zo rechtvaardig mogelijk te zijn, is mijn reactie vaak gebaseerd op een onderscheid dat we overal in onze cultuur terugvinden: dat tussen fysiek en non-fysiek geweld. In deze column wil ik dit onderscheid in twijfel trekken. Daarmee wil ik niet ontkennen dat er geen belangrijke verschillen bestaan als het gaat om geweld. Integendeel. We moeten juist rekening houden met de context, de machtsrelaties, de motivaties, het type fysieke schade dat toegebracht is (bijvoorbeeld jegens mensen of objecten), en zoveel andere zaken die onder het tapijt worden geveegd dankzij het binaire onderscheid tussen fysiek en non-fysiek geweld.

Geweld heeft heel veel gezichten die niet allemaal per se problematisch of te vermijden zijn. Als het om politiek gaat, ontkennen we de minder expliciet fysieke vormen van geweld, waarmee we vaak de machthebbers in de hand werken. En die handen zijn lang niet altijd schoon.

Deze zomer nam ik een korte (broodnodige) vakantie van mijn computer, hoewel men de wereld nooit helemaal kan ontvluchten (en misschien zouden we dat ook niet moeten willen, zelfs al hebben we het privilege om dat te doen). In die wereld ging het – zoals, helaas, vaker – vaak over geweld. Als ik terugkijk op de zomer valt me telkens op hoe weinig we verschillende vormen van geweld in termen van geschiedenis en macht weten te contextualiseren.

Wanneer we een oordeel vellen over geweld, het veroordelen of juist tolereren, kijken we zelden naar de context.

Wanneer we een oordeel vellen over geweld, het veroordelen of juist tolereren, kijken we zelden naar de context. In plaats daarvan hanteren we een vuistregel: zodra we horen dat ergens fysiek geweld is gebruikt, veroordelen we dit onmiddellijk (vaak ook zonder de bron in twijfel te trekken). Zo voorkomen we dat we al te zeer hoeven na te denken. Maar elke situatie is uniek, zeker als het gaat om geweld, en een eenduidige vuistregel is problematisch. Sterker nog: het gebrek aan contextualisering produceert een bepaald discours dat geweld juist in stand houdt.

Ik zou graag drie politieke gebeurtenissen van de afgelopen maanden bekijken om te zien hoe het onderscheid tussen fysiek en non-fysiek geweld telkens politieke onrechtvaardigheden verhult en leidt tot een ontkenning van het belang van machtsongelijkheid en historisch leed.

De Canadese mythe van multiculturalisme

Op 1 juli 2017 vierde Canada, waar ik vandaan kom, zijn 150e verjaardag. Trudeau’s toespraak (en francais) werd die dag op alle sociale media door miljoenen Canadezen en niet-Canadezen gedeeld.

Trudeau werd geprezen omdat hij het beschamende en pijnlijke deel van Canada’s verleden niet onder stoelen of banken stak. Hij sprak openlijk over het structurele geweld tegen de oorspronkelijke bevolking, waarover we op school hadden geleerd als Canada’s First Nations.

Structureel geweld is vaak niet zichtbaar voor degenen die ervan profiteren, en die niet willen erkennen dat dit het geval is.

Structureel geweld is vaak niet zichtbaar voor degenen die ervan profiteren, en die niet willen erkennen dat dit het geval is. Maar diegenen die eronder lijden worden er in hun dagelijkse levens door geraakt, zowel fysiek, materieel en psychisch. Dit soort geweld manifesteert zich in de meest alledaagse instituten van onze neoliberale samenlevingen, zoals de overheid door middel van onrechtvaardig beleid, de politie en het onderwijssysteem.

Het is dus structureel: ingebed in de fundamentele instituties die het dagelijks leven voor sommigen makkelijk maken en voor anderen juist bijna onmogelijk. In het geval van de First Nations betekende dit een beleid van assimilatie dat de oorspronkelijke bevolking hun cultuur, taal, gemeenschappen en waardigheid ontzegde. Dit werd vastgelegd in de Canadese Constitution Act uit 1887, het geboortejaar van Canada. Om hier de gevolgen pas echt van te begrijpen, moeten we luisteren naar de slachtoffers van dit structurele geweld (bijvoorbeeld Roberta Jamieson bij CBC Ideas).

Toen ik dat deze zomer deed, werd ik door twee dingen geraakt. Ten eerste voelde ik persoonlijke schaamte over hoe weinig ik wist over de waarheid van dit historische systemische geweld dat aan de wieg ligt van de Canadese mythe van multiculturalisme en over hoe ik me tot op dat moment trots had gevoeld om Canadees te zijn.

Er is besef nodig dat er vandaag de dag nog steeds geweld is tegen de First Nations en dat het system zelf moet veranderen.

Op een bepaalde manier kunnen we dit, refererend naar Gloria Wekker’s idee van White Innocence, Canadian Innocence noemen. Deze onschuld is een privilege dat leidt tot een geweld dat, hoewel vaak niet bewust, door de Canadese overheid getolereerd – en zelfs bevorderd – wordt door het onderwijssysteem. Het is dus een vorm van structureel geweld.

Luisterend naar Jamieson’s verhaal, realiseer je je hoe gewelddadig zulke “onschuldige” mythes echt zijn voor de mensen van de First Nations. Hoewel sommigen op Trudeau’s speech de kritiek uitten dat het niet genoeg is om het verleden simpelweg te erkennen, juichte de absolute meerderheid van het publiek zijn symbolische gebaar toe – en hielden zo het geweld in stand.

Trudeau’s toespraak was maar een toespraak, maar kan toch worden gebruikt om een systeem in stand te houden dat fundamenteel gewelddadig is, fysiek en psychologisch. In dit geval is erkenning van de geschiedenis niet genoeg. Er is besef nodig dat er vandaag de dag nog steeds geweld is tegen de First Nations en dat het system zelf moet veranderen.

Simplistische standpunten

Een tweede gebeurtenis waren de protesten en tegenprotesten in Charlottesville. Dankzij Trump’s inmiddels beruchte commentaar richtten alle kranten zich wereldwijd op het concept van geweld. Door de linkse groep van tegenprotest “alt-left” te noemen trok Trump een parallel met alt-right, waarmee hij de verschillen in macht, geschiedenis en politieke ambities ontkende.

Hoewel ik normaal gezien probeer te benadrukken dat geweld relationeel is en elke betrokken partij gedeeltelijk verantwoordelijk is, moet ik toegeven dat ik vanwege Trump’s commentaar dat “beide kanten” verantwoordelijk zijn voor het geweld, begon te twijfelen aan mijn aanpak bij schermutselingen tussen mijn kinderen.

In plaats van Trump’s belachelijke opmerkingen te bekritiseren (wat ik nooit beter zou kunnen doen dan deze komiek), zou ik willen overwegen dat fysiek geweld – in specifieke tijden en contexten – iets kan zijn dat we moeten accepteren, of zelfs bewonderen, in plaats van veroordelen.

Sommige van de waarden die we het meeste koesteren – gelijkheid, democratie – werden bereikt door directe actie, vaak met gebruik van fysiek geweld.

Neem bijvoorbeeld de opstand in het getto van Warschau of Frantz Fanon’s oproep tot geweld. Het valt me vaak op hoe de geschiedenis bij belangrijke veranderingen, ingezet door de Suffragettes, Gandhi, Martin Luther King en anderen, “witgewassen” wordt om alle sporen van geweld uit te wissen. Sommige van de waarden die we het meeste koesteren – gelijkheid, democratie – werden bereikt door directe actie, vaak met gebruik van fysiek geweld.

Ik wil het hebben over de reactie van twee publieke “intellectuelen” die het problematische binaire onderscheid tussen fysiek en non-fysiek geweld bevestigden in plaats van kritisch om te gaan met deze specifieke gebeurtenis en met name de machtsrelaties met betrekking tot dit incident.

Hoewel ik het idee had dat commentatoren vanuit het hele politieke spectrum hetzelfde punt maakten, was ik het meest teleurgesteld in Peter Singer, met wie ik het zelden eens ben maar van wie ik zijn scherpzinnigheid meestal kan waarderen, en Noam Chomsky, met wie ik het meestal eens ben, zij het niet altijd op de details.

Deze twee denkers komen uit totaal verschillende tradities. De eerste is een hardcore utilitarist, de laatste een anarcho-syndicalistische anarchist. Dit feit maakt het volgende des te verrassender. Beiden betogen dat fysiek geweld door links, in dit geval door Antifa, de verkeerde methode is om racisme tegen te gaan.

Ik ben teleurgesteld in hun opiniestukken omdat beiden kozen voor het simplistische standpunt dat fysiek geweld per definitie slechter is. Daarmee ontkennen ze dat er zowel historisch gezien als op dat moment in Charlottesville zelf, mogelijk nog een gevaarlijkere uitdrukking van geweld aanwezig was. Neo-Nazi’s marcheerden door de stad die, gewapend en gekleed als milities, de publieke ruimte vulden met slogans die verwijzen naar de genocidale periode in onze geschiedenis.

We mogen niet vergeten wat de doelen en methoden van deze groep zijn, en hoe ze sterker zijn geworden nadat Trump aan de macht kwam. Waarom zou het psycho-sociologische geweld, ingebed in expliciet racisme en de oproep tot geweld minder echt of minder problematisch zijn dan fysiek geweld in de naam van gemarginaliseerde en onderdrukte groepen, die slachtoffer zijn geweest van geweld – structureel, fysiek en psychologisch?

Mijn punt hier is niet zozeer dat de reactie vanuit links een vorm van zelfverdediging was (dat is een heel ander vraagstuk). Ik wil duidelijk maken dat we de hiërarchie tussen fysiek en non-fysiek geweld veel te makkelijk accepteren. We moeten ook kijken naar andere factoren. En dan kunnen we protest en directe actie, waaraan we in onze democratische samenleving veel te danken hebben, niet zo eenvoudig verwerpen.

Geweld van taal

Het derde voorbeeld dat ik wil noemen gaat over het geweld van woorden, met name wanneer ze worden uitgesproken door iemand met macht. Vorige week liep ik met mijn kinderen de synagoge uit, na het vieren van Rosj Hasjana (het Joodse Nieuwjaar), waarbij we appels in honing dopen en elkaar een zoet jaar wensen, toen ik iets op de radio hoorde dat me woedend maakte. Theo Francken had in een tweet naar de politieacties tegen vluchtelingen in het Maximiliaanpark gerefereerd als “opkuisen”.

Viktor Klemperer bestudeerde ontmenselijkende termen zoals “opkuisen” en andere voorbeelden, en waarschuwde ons om heel voorzichtig te zijn met hoe we over mensen spreken.

Ik vervloekte hem (zachtjes, mijn kinderen zaten naast me) voor dit soort ontmenselijkende taalgebruik – zelf een vorm van geweld. Dit is bestudeerd door Viktor Klemperer in zijn Lingua Tertii Imperii. Klemperer was een jood, maar zijn schoonbroer was een hooggeplaatste Nazi en daarom wist hij, onder huisarrest, de oorlog in Berlijn te overleven.

Als filoloog bestudeerde hij tijdens de oorlog de dagelijkse veranderingen in taalgebruik en hoe ze werden ontvangen. Hij bestudeerde met name ontmenselijkende termen zoals “opkuisen” en andere voorbeelden, en waarschuwde ons om heel voorzichtig te zijn met hoe we over mensen spreken.

Klemperers centrale bevinding was dat het onderscheid tussen geweld van taal en geweld van daden, tussen non-fysiek en fysiek, in de handen ligt van machthebbers. Door fysiek geweld verbaal goed te keuren, bevestigen we de status quo, die zelf zowel onrechtvaardig en gewelddadig kan zijn.

***

Ik wil eindigen door de jongerenafdeling van Ecolo te bedanken voor het pamflet waarop ze Francken in een Nazi uniform afbeelden. Toen mijn Joodse Nieuwjaar net begonnen was, zorgden ze voor een glimlach op mijn gezicht, en brachten ze wat zoetigheid in mijn jaar.

Tegelijkertijd was ik teleurgesteld dat de Groene partij, aan beide zijden van de taalgrens, afstand nam van deze jongerenbeweging die creativiteit en moed had getoond. Het lijkt erop dat zij betere studenten zijn van Levinas, die ons in zijn werk Nine Talmudic Readings leert dat:

De misdaad van vernietiging begint voor er moorden worden gepleegd, dat onderdrukking en economische ontworteling al wijzen op het begin al aankondingen, dat de wetten van Nuremberg al de kiemen bevatten van de gruwelen van de vernietigingskampen en de ‘Endlösung’ (1994: 27)

Waarom hebben de groene partijen, en zoveel andere partijen die expliciet zouden moeten protesteren tegen het beleid van Francken, deze actie van jeune Ecolo niet aangegrepen om een publieke discussie te voeren over het geweld van Francken’s terminologie en beleid?

Verbaal en onzichtbaar geweld lijkt telkens de dans te ontspringen, terwijl fysiek geweld zonder enige discussie wordt verworpen. Dit zagen we ook afgelopen weekend in premier Michels reactie op het staatsgeweld tegen democratische protestacties in Catalonië. Dit was een perfecte gelegenheid geweest om verschillende soorten geweld te bevragen. Hoe kan het dat de Spaanse regering politiegeweld legitiem vindt, terwijl geweld van demonstranten wordt veroordeeld? In plaats van deze discussie te openen, stuurde Michel echter de zoveelste holle tweet de wereld in: ‘violence can never be the answer!’.

We moeten ons ernstig afvragen of we met dit “inzicht” niet meer kwaad dan goed doen.