Tijdverlies. Hoezo?

Column

Tijdverlies. Hoezo?

Tijdverlies. Hoezo?
Tijdverlies. Hoezo?

U kwam het wellicht al te weten. Via de krant, via Facebook, via mailverkeer. Op 19 februari 2014, 05:04, stond op de website van de krant De Tijd te lezen dat de filosoof Johan Braeckman besloten had een jaar te schuilen voor zijn dagelijks e-mail-bombardement. Braeckman was slim genoeg te beseffen dat de drukke mens van vandaag hiervoor best een drastische methode bovenhaalt.

Hij nam dus ‘verlof zonder wedde’ aan de Gentse universiteit waar hij was aangesteld als professor in de wijsbegeerte om eindelijk weer eens - wel ja, een jaar lang filosoof te kunnen zijn. Zo versta ik het.

De professor trok zich terug om datgene te kunnen zijn waarvoor hij eigenlijk werd aangenomen en betaald kreeg, maar waarvoor hij in deze economische tijden op zijn werk de tijd niet meer vond. Te veel vergaderingen, te veel papierwerk, te weinig rust en stilte - wezenlijk voor een mens en zeker voor een filosoof, meent Braeckman terecht - maar bovenal te weinig tijd.

Tijd om bijvoorbeeld een filosoof als Immanuel Kant te lezen, een man die in de achttiende eeuw zonder meer elke dag een bedaarde wandeling maakte en ‘s middags ruim zijn tijd nam om in gezelschap te lunchen. Zo’n werkschema kon je toen nog zonder schuldgevoel een leven lang volhouden. Braeckman wil nu slechts één jaar - met gerust geweten en daarom onbetaald - zijn tijd besteden aan ‘lezen, schrijven, dromen, muziek, mensen, wandelen, praten, zwijgen en kunst.’ In dat jaar wil hij misschien één keer per week zijn mailbox openen, dat lijkt hem meer dan genoeg.

Montaigne

Bravo!, riep ik tegen mijn computerscherm, toen ik die ochtend via likes en links zijn beslissing al snel op mijn eigen Facebookpagina las. Ik wilde de man stande pede mailen om te vragen of ik hem de essays van Michel de Montaigne mocht schenken, moest hij dit werk nog niet in huis hebben.

De zestiende-eeuwse Fransman is ook voor een hedendaags mens nog altijd fijn gezelschap, dat weet ik. Deze oude filosoof zag trouwens ook een tijd af van de diplomatieke ambten die hem opslorpten en hadden uitgeput. Bijzonder is wel dat Montaignes favoriete lijstje met activiteiten - of liever passiviteiten - waarmee hij zich in zijn leven wilde bezighouden, vierhonderd jaar geleden, bijna hetzelfde is als dat van Braeckman nu. (Op wandelen na. Montaigne reed liever te paard, wandelen was nog een laag bij de grondse activiteit, het kwam pas later en vooral in de romantische en moderne periode in zwang.)

Ik herinner me dat ik professor Braeckman twee jaar geleden ergens in Vlaanderen op een colloqium kruiste. Natuurlijk waren we allebei met de auto. Hij bekende me die dag dat hij zich graag in Montaigne wilde verdiepen, mocht hij wat meer tijd hebben. Na zijn lezing betreurde hij het dat hij onmiddellijk weg moest. De andere drie gastsprekers waaronder ik, moesten dat helaas ook, maar geholpen door de ons aangeboden drank en ons eigen denken dat op dreef kwam, vergaten we voor enkele uren de tijd. Het was die periode één van mijn meest inspirerende namiddagen als filosoof.

Het geeft te denken.

Voor de universiteit.

Voor de politici.

Voor de filosofen.

Voor de niet-filosofen.

Bergson

Zo sta ik de afgelopen dagen - waarbij er voor mij ook weinig of geen tijd rest, noch voor Kant, noch voor Montaigne, noch voor een glas wijn - toch af en toe stil bij het denken van Henri Bergson, ook een Fransman. Ongeveer een eeuw terug wees Bergson ons naar wat er in moderne tijden met ons tijdsbewustzijn aan de hand was en wat daarvan de gevaren waren.

Wel. De natuurwetenschappers hadden zowel de ruimte als de tijd meet- en berekenbaar gemaakt met indrukwekkende resultaat. Maar ook de alledaagse beleefde werkelijkheid werd hoe langer hoe meer beschouwd als kwantificeerbaar en op- en in te delen, en die toepassing was minder heugelijk voor de mens.

Iedereen begrijpt inmiddels goed waar Henri Bergson toen al op doelde.

Er zijn twee manieren om over tijd te praten.

Fabriekstijd

Eén. Start de stopwatch.

Kijk. De stipte kloktijd buiten ons, le Temps genoemd bij Henri Bergson, de fysische tijd die opgedeeld en opgemeten is in abstracte maateenheden. Seconden. Minuten. Uren. Deze tijd is een gefabriceerde tijd, zeg maar ‘fabriekstijd’.

Het is de tijd van de objectieve realiteit die in de wetenschappen en de techniek telt, maar ook in de economie, zoals in het productieproces. Denk bijvoorbeeld aan de film van Charlie Chaplin uit 1936, Modern Times. Tegenwoordig hoef je niet eens meer een fabriek in te lopen om een nietsontziend raderwerk aan het werk te zien, je kunt net zo goed een ziekenhuis, een sportcentrum of een universiteit binnenstappen. Stop maar.

Innerlijke tijd

Nu twee. Adem eerst in. En adem rustig uit.

En voel uw eigen tijd die binnenin u huist. Deze tijd noemde Bergson la Durée omdat hij het d-u-r-e-n van de tijd wilde benadrukken. Hij verwees met la Durée naar onze innerlijke tijd, die individueel verschilt, maar ook waar en wanneer.

Het is de tijd die wij ervaren en beleven en die net zoals het kloppende hart in ons lijf kan uitzetten of inkrimpen; van angst, van plezier, van het hoopvol wachten op een geliefde of van het bang afwachten van een verdict. Deze subjectieve realiteit is toch onze echte werkelijkheid? Een uur in ontmoeting met goede vrienden aan een eettafel, schrijft een andere tijd in ons lichaam in dan een uur een meeting bijwonen met een algebraïsche reeks agendapunten op tafel.

Hou als beeld bij deze beleefde tijd maar de dingen voor ogen waarbij professor Braeckman naar het einde toe in zijn tekst verwijlt, het is het meest poëtische stukje uit zijn betoog dat in commentaren te weinig wordt geciteerd. Ik haal het graag aan.

CC BY-NC-ND 2.0 Andreas Philipp

Masdevalia ignea.

CC BY-NC-ND 2.0 Andreas Philipp

(Ik wil:) ‘Door het raam kijken als het regent en in de zon zitten als ze schijnt. Een hele dag lang de gedichten lezen en herlezen van Jan Arends, al tellen ze weinig woorden. Naar het strijkkwartet (II) van Morton Feldman luisteren, zes uur lang, om het daarna opnieuw te ondergaan. En dan nog eens. Een mozaïekpad in de tuin aanleggen, liefst met kleine stenen. Driehonderdvijfenzestig kruidencombinaties uittesten in de keuken. Hopelijk die Masdevallia ignea eindelijk eens in bloei krijgen.’

Een. Twee.

Welke tijd draagt het meeste bij aan ons geluk, denkt u?

Welke tijd kost ons het meeste geld?

Welke tijd herinneren we ons?

En van welke tijd hebben we later het minste spijt?

Een. Twee.

En nu iets moeilijker.

Welke tijd geeft professor Braeckman het meeste kans dat hij een internationale publicatie bijeenschrijft waarmee hij goede punten verdient en hoger op de wetenschappelijke ranking komt. En welke tijd geeft aan professor Braeckman de meeste kansen waardoor hij een persoonlijk en toch relevante mening op de wereld verwoordt of ook bijna per ongeluk een bloedmooie poëtische tekst neerschrijft, over de Masdevallia ignea bijvoorbeeld, een kleine rood-oranje Columbiaanse orchidee waarvan de bloem erg op ons menselijke hart lijkt?

Le Temps. La durée. Wat heeft een mens, een filosoof en een maatschappij het meest nodig? En wat verstaan we onder: ‘nodig hebben’? Het hoeft niet altijd veel te zijn.

Zo schreef Michel de Montaigne vierhonderd jaar geleden in zijn essays:

‘Ik heb vandaag niets gedaan. - Wat, hebt u dan niet geleefd? Dat is niet alleen uw meest fundamentele, maar ook uw meest illustere bezigheid,’ En wij, wij zouden vandaag misschien beter wat meer tijd vrijhouden om hem te lezen, toch?

Henri Bergson wees er ons bij het begin van vorige eeuw op dat we zouden vervreemd raken van onszelf en de wereld om ons heen als we ons leven voortdurend in de eerste tijd leefden. Op die manier kon onze inwendige tijd zijn gewone beloop niet meer nemen, omdat die in de verdrukking kwam door de aan ons opgelegde uitwendige tijd.

Er is aan het begin van deze eeuw bijna niemand meer die aan de druk ontkomt.

Oceanen van tijd in korte momenten

Zeg me: wie krijgt nog de tijd? Wie neemt nog zijn of haar tijd?

Wie het kind moet ophalen van school, wie op tijd op het werk moet zijn, wie een vliegtuig of een wereldrecord moet halen, houdt best rekening met de eerste tijd. We zijn nu eenmaal modern geworden en dat is ook een prachtig iets met vele voordelen.

Maar wie ‘s avonds nog een mens wil zijn, en nog belangrijker, wie overdag en overnacht op een geëïgende manier wil lezen, schrijven, dromen, wandelen, praten of zwijgen, wie naar muziek wil luisteren, wie naar kunst wil kijken en mens onder de mensen wil zijn, laat best ook nog een tweede tijd in zijn leven toe.

Dat kan, want het fijne is: hij is er nog altijd en altijd ergens, deze tijd is geduldig en laat zich in elke eeuw vinden, ook in de onze, voor wie wil en even kan zoeken. Nog fijner is: je kan deze tijd makkelijk oefenen, het beginnend voorjaar is daarvoor zelfs een uiterst geschikte periode, want geef toe: we kunnen allemaal wel wat oefening gebruiken. Maar het allerfijnste is: deze tijd is niet meetbaar, je kunt dus zelfs in korte momenten oceanen van tijd vinden, ook midden in een hedendaagse stad vol druk verkeer.

Oefening. Wandel in de zon naar de bakker. Weet dat je wandelt en weet dat de zon schijnt. Weet ook dat het leven niet altijd meer hoeft te zijn. Als het regent neem je een paraplu mee. De oefening blijft diezelfde. Eet daarna aan tafel een boterham met beleg naar keuze. A l’aise. Goed zo.

De rest van de oefening vind je bij Michel de Montaigne, steeds weer.