Voor alle leerkrachten met een ‘kleurtje’

Column

De maand van Tuly Salumu

Voor alle leerkrachten met een ‘kleurtje’

Voor alle leerkrachten met een ‘kleurtje’
Voor alle leerkrachten met een ‘kleurtje’

Van ‘lekker Afrikaans poepke’ tot ‘dikke, vette negerin’. Als leerkracht met een migratieachtergrond heeft Tuly Salumu al aardig wat naar het hoofd geslingerd gekregen. ‘Gaat het om flauwe humor, kattenkwaad, of …? Daar laat ik u na het lezen zelf over oordelen.’

© Konstantinos Tsanakas

Tuly Salumu

© Konstantinos Tsanakas

‘De gelijkenis tussen mensen en pannenkoeken? Als ze zwart zien, zijn ze mislukt.’ Ik moest de tekst op het papiertje twee keer lezen om te begrijpen wat er stond. Naast de tekst was met stylo een pannenkoek getekend. En in de linkerbovenhoek stond in vrolijke tienerletters: ‘Voor mevrouw Salami’.

Enkele minuten eerder had iemand het briefje onder de deur geschoven, terwijl ik toetsen aan het verbeteren was. Ik had het meteen opgeraapt met een vrolijke nieuwsgierigheid die me nu belachelijk lijkt. Wat had ik verwacht, een liefdesverklaring?

Eens de boodschap was binnengesijpeld, trok ik snel de deur open om de dader alsnog te betrappen. Maar de gang was leeg, uitgestorven, op enkele verweesde boekentassen na.

Ik kuchte, vouwde het briefje tot een propje en wilde het bij het vuilnis gooien. Maar een tel later bedacht ik me en streek ik het weer glad. Ik stak het tussen mijn schoolagenda. Daarna veegde ik het bord af, raapte enkele gescheurde snoepwikkels op en verliet opgelucht het klaslokaal, vastbesloten om nooit meer terug te keren.

‘Je moet je leren verweren’

De lente had zich over de stad ontvouwd, de kerselaar in de tuin van de middelbare school waar ik sinds kort lesgaf, stond in bloei. Ik stond in het statige directeursbureau beschaamd rond te draaien.

De directeur ving mijn blik vanachter zijn dikke brillenglazen. Enkele weken eerder had hij mij opgevist uit een zwerm sollicitanten. ‘We zijn een school met veel allochtone leerlingen’, had hij toen gezegd. ‘Een leerkracht zoals jij, met een kleurtje, is welgekomen. Misschien identificeren ze zich wel met jou.’

De directeur zag de tranen in mijn ogen en bood me een stoel aan. ‘Ik heb de job onderschat’, zei ik. ‘De klassen… Het gaat niet meer. Ik vrees dat ik ontslag moet nemen.’

‘Twee maanden voor de zomervakantie?’, vroeg hij ontsteld. ‘Dat zou zonde zijn, meisje. Hou nog even vol. Alle begin is moeilijk.’

Ik haalde het briefje uit mijn schoolagenda en schoof het hem toe. Ik had moeite om mijn tranen te bedwingen. Hij knipperde met zijn ogen. ‘Wansmakelijk’, mompelde hij. ‘Ongetwijfeld een uit de hand gelopen kwajongensstreek. We zullen de afzender opsporen en strafstudie geven.’

Ik keek hem ontgoocheld aan. Zelf had ik aan een schorsing gedacht. ‘Ik begrijp dat dit moeilijk is voor jou’, zei hij. ‘Maar eigenlijk is het niet meer dan onnozel kattenkwaad. Elke leerkracht maakt dit op een of andere manier mee. Bij jou mikken ze op je huidskleur. Je moet je hier tegen leren verweren. Anders ben je een vogel voor de kat.’

Ik knikte, nam afscheid en vertrok. ‘Je niet laten kisten, meisje’, riep de directeur me nog na. Zijn woorden stierven langzaam weg in de lange gang, waar zonlicht mondjesmaat de glas-in-loodramen binnendrong en goud stempelde op de muren. Pas toen ik in mijn auto stapte, begonnen de tranen te stromen.

Tranen

Ik reed de snelweg op, naar huis. Auto’s zoefden me genadeloos voorbij, aan het stuur zag ik schimmen van mijn leerlingen zitten. Ik was al halverwege toen ik uit mijn ooghoek plots een lichtje op het dashboard zag knipperen. Zwarte rook kringelde omhoog uit de motorkap. Vloekend parkeerde ik me op de pechstrook, zonder enig benul van wat me te doen stond.

Mijn moeder was op reis, mijn vriend aan het werk. Aarzelend toetste ik het telefoonnummer van mijn vader in. Na de scheiding van mijn moeder zag ik hem niet vaak meer, het was de eerste keer dat ik zijn hulp inriep tijdens een noodsituatie. In die dagen was zijn rijbewijs nog niet ingetrokken en beschikte hij nog over een auto.

Na mijn telefoontje moet hij meteen zijn vertrokken, want even later kwam hij al aangereden. Hij gaf me een kus op de wang en opende de motorkap, in zijn nopjes dat hij mij kon helpen bij iets waarin hij uitblonk: auto’s herstellen.

Toen het probleem was verholpen, barstte ik in tranen uit. Mijn papa veegde ze weg. Dat zijn handen onder de olievlekken zaten, kon me niet schelen. In één gulp kwam het verhaal over de pannenkoeken eruit.

‘Mijn dochter, je moet deze last niet meezeulen’, zei hij. ‘Mensen zijn ingewikkeld. Ze doen domme dingen, maar dat betekent niet altijd dat ze racisten zijn.’ ‘Maar in dit geval is het duidelijk racisme’, riep ik verontwaardigd uit. ‘Misschien’, zei hij schouderophalend.

‘Mensen zijn niet altijd wat je denkt’

Op de terugweg naar mijn kot dacht ik aan de begrafenis van mijn grootvader enkele jaren eerder. Het was een afscheid in kleine kring, met liederen van Elvis Presley en Frank Sinatra. Ik zat op de voorste bank naar I did it my way te luisteren toen ik achterom keek en mijn vader tussen de mensen zag zitten.

Op familiefeesten had mijn grootvader mijn vader de vuilste verwijten naar het hoofd geslingerd. Bananenplukker, luiaard, stront. Waarom mijn vader naar de begrafenis kwam van een man die hem zo lang had vernederd was me een raadsel.

Na de dienst nam hij me apart en vertelde me dat mijn grootvader nog niet de slechtste was. ‘Hij was agressief, ja, maar diep van binnen was hij een goede man’, zei hij. ‘Hij was degene die me een baan gaf bij General Motors. En daar riep hij me altijd bij zich om me van alles te leren. Als je grootmoeder een cake bakte, gaf hij me altijd een stuk. Als collega’s me uitlachten, verdedigde hij me.’

‘Maar waarom schold hij je dan uit op familiefeesten?’ ‘Dat weet alleen God… Maar weet je, mijn dochter, mensen zijn niet altijd wat je denkt.’

Kattenkwaad of racisme?

Mijn omgeving maande me aan tot mildheid. Maar waar precies zit het verschil tussen kattenkwaad en racisme?

Ik zou uiteindelijk doorbijten en het schooljaar afmaken. De afzender van het briefje kreeg een strafstudie en moest zich bij mij komen excuseren. Ondanks de wrange nasmaak bleef ik vijf jaar lang lesgeven. Ik zou tieners de imparfait en de prépositions proberen aanleren terwijl ze hun nagels lakten, filmpjes maakten met hun smartphone en elkaar in de haren vlogen.

Gaandeweg kreeg ik mijn klassen steeds meer in de hand. Maar de toespelingen op mijn huidskleur bleven. Ik werd weggeduwd door een leerling die zich weigerde te laten commanderen door ‘een dikke, vette negerin’. Ik werd in de kont geknepen door een collega die ‘een Afrikaans poepke’ wel kon smaken.

Mijn omgeving maande me aan tot mildheid. Maar waar precies zit het verschil tussen kattenkwaad en racisme? In de leeftijd en de functie van degene die de belediging uitspreekt? In de omstandigheden, de toon? Of is er geen verschil? Ik ben er nog altijd niet uit.