Wat als landbouwers en natuurbeschermers de handen in elkaar zouden slaan?

Column

Waar blijft de media-aandacht voor landbouw en biodiversiteit?

Wat als landbouwers en natuurbeschermers de handen in elkaar zouden slaan?

Wat als landbouwers en natuurbeschermers de handen in elkaar zouden slaan?
Wat als landbouwers en natuurbeschermers de handen in elkaar zouden slaan?

Begijn Le Bleu begrijpt niet waarom de landbouwlobby een bom legde onder de Europese Green Deal. Zeker nu duurzaamheid zo belangrijk is geworden. De wetenschap is er nochtans al lang uit: intensieve landbouw loopt steeds meer tegen zijn eigen grenzen aan.

© Charis Bastin

Begijn Le Bleu

© Charis Bastin

Twee jaar geleden vroeg Natuurpunt mij om een podcast te maken over Reconnect Farmers and Nature, een bootcamp waar tien landbouwers en tien natuurbeschermers 24 uur lang in een vierkantshoeve samenkwamen om gezamenlijke kansen rond de dalende biodiversiteit te bespreken. Door landbouwintensivering zijn sinds 1990 de akkervogelpopulaties in Europa met 30 procent gedaald maar grote verliezen gelden evenzeer voor insecten, planten en het bodemleven van het boerenland.

Het was een informele ontmoeting tussen de partijen waardoor het geen stellingenoorlog werd maar eerder een ontmoeting met open vizier. Ik sukkelde pas laat na een comedy-voorstelling binnen toen er een hevige discussie was losgebarsten. Als een puppy ging ik in een hoekje zitten luisteren waarover ze het oneens waren. Maar er werd tenminste met elkaar gesproken, hoe vurig het verloop ook was. En misschien nog belangrijker: er werd geluisterd.

Ik begrijp nog steeds niet waarom de landbouwlobby een bom onder de Europese Green Deal legde.

De discussie werd afgesloten met een kleiner groepje dat in de keuken het trappistenbier had ontdekt. Na dat moment wisten we dat niet alle natuurbeschermers geitenwollensokken dragen en dat niet alle landbouwers gifmengers zijn. Pas dan kon er serieus worden gepraat over samenwerken. Dat ging voor de natuurbeschermers bijvoorbeeld over de aanleg van bloemenstroken of onderhoud van houtkanten en bij de landbouwers over het inzetten van levend erfgoed in natuurgebieden in plaats van het Schotse Galloway rund.

Je zag de passie voor de natuur samenkomen bij beide groepen tijdens een wandeling langs de Brabantse akkers toen een smelleken, een valkachtige, middenin de groep landde om een veldleeuwerik te verschalken. We stonden aan de grond genageld bij zoveel live action die makkelijk in metaforen kon gegoten worden.

Het lijken kleine zaken maar het zijn belangrijke stapstenen naar een symbiose tussen deze partijen. Er is van die samenkomst jammer genoeg geen televisiereeks gemaakt zoals Boerenjaar, maar ze sneed meer hout.

De wetenschap is er al lang uit: de intensieve landbouw loopt de laatste decennia steeds meer tegen zijn eigen grenzen aan.

In tijden waar duurzaamheid belangrijk is, begrijp ik nog steeds niet waarom de landbouwlobby een bom onder de Europese Green Deal legde. Dit beleidsinitiatief is een soort routekaart om de Europese economie duurzaam te maken en daarmee de toekomst van kleine landbouwbedrijven. De lidstaten krijgen nu naast ecoregelingen de “nodige flexibiliteit” om te bepalen hoe zij de milieudoelstellingen zullen halen. De wetenschappelijke afweging van deze Green Deal, ondersteund door handtekeningen van 3600 wetenschappers, werd naast zich neergelegd.

Ondertussen vergroot de polarisatie tussen landbouwers en natuurbeschermers, terwijl de wetenschap er al lang uit is: de intensieve landbouw loopt de laatste decennia steeds meer tegen zijn eigen grenzen aan.

Als vrijwilliger binnen de Werkgroep Grauwe Gors, een VZW die zich bezighoudt met het behoud van akkervogels, leerde ik dat landbouw in Vlaanderen een complex kluwen is waar veel belangen mee gemoeid zijn. Daarom leerde ik ook dat ik op kleine schaal het verschil moet maken, zoals b.v. door mijn deelname aan het voornoemde Reconnect-project.

Je mag gerust spreken van een devaluatie van ons voedsel.

Dit soort initiatieven moeten kunnen rekenen op media-aandacht. Waarom? Goede voedselproductie gaat hand in hand met een gezonde biodiversiteit om de landbouwgronden weerbaarder te maken tegen de klimaatopwarming. Bovendien is voedselproductie sterk verbonden met elementen als water en energie die in tijden van bevolkingstoename voor levensvraagstukken zorgen.

Landbouw kan 2,5 keer de wereldbevolking van voedsel voorzien. volgens wetenschappers aan de universiteit van Edinburgh wordt slechts 44 procent van deze productie geconsumeerd. Slimmere voedselstromen, minder verspilling, betere eetgewoonten en efficiëntere bewerking van de landbouwgronden kunnen, theoretisch gezien, een oplossing bieden.

Wat eten we? Maar vooral hoe eten we? Zijn dus urgente vragen.

‘Als ik in een supermarkt kom, krijg ik tranen in mijn ogen’, zei een boer ooit tegen mij. De weg die voedsel aflegt is groot maar het bewustzijn daarrond daalt. Het voedselaandeel in het gezinsbudget is de laatste jaren aanzienlijk geslonken omdat ons eten goedkoop is geworden. Je mag gerust spreken van een devaluatie van ons voedsel. Daarom waren in mijn ogen de televisieprogramma’s ‘Over Eten’ of ‘De Weg van’ met Danira Boukhriss en Kobe Ilsen een must. Voor een breed publiek werden actuele voedingsvragen beantwoordt met gezonde alternatieven. Jammer genoeg verdwenen deze prachtreeksen van het scherm.

We moeten beseffen dat ons consumptiegedrag, gecombineerd met landbouwintensivering, onze natuurlijke rijkdommen uitput.

Landbouw heeft biodiversiteit nodig, maar de biodiversiteit heeft ook de landbouw nodig. De sector beslaat namelijk 46 procent van het totale Vlaamse grondoppervlakte. Door de milieu- en energie-uitdagingen kunnen boeren een essentiële rol spelen.

Daar worden natuurlijk al middelen voor uitgetrokken en de technologische sector trekt samen met heel wat wetenschappers hiervoor aan de kar. Maar we moeten beseffen dat ons consumptiegedrag gecombineerd met landbouwintensivering onze natuurlijke rijkdommen uitput. De media speelt hierin een belangrijke informerende en sensibiliserende rol. Daarom doe ik een onbescheiden gooi om meer aandacht te genereren.

Wat dacht u van een televisieprogramma waar getoond wordt hoe je op een natuur-en milieuvriendelijke manier aan succesvolle landbouw kan doen? Hope Farm. Ik zou een groep van landbouwers, natuurbeschermers en wetenschappers gedurende een tijd laten samenwerken om nieuwe landbouwtechnieken te ontdekken waar alle partijen beter van zouden worden.

Ik voel het cynisme, maar ook de angst voor wat deze combinatie teweeg zou brengen al intuïtief aan.

Er beweegt wel degelijk iets.

Maar laat me verder uitweiden. Hope Farm bestaat namelijk al. De Britse Royal Society for the Protection of Birds (RSPB) zette dit project 20 jaar geleden op met groot succes. Zij betrekken er ook beleidsmakers bij om te tonen hoe win win-situaties kunnen gecreëerd worden door bodemdegradatie tegen te gaan en het gebruik van anorganische meststoffen stop te zetten. Op die manier willen zij laten zien dat duurzame landbouw zowel nu als in de toekomst kan werken. Zij hebben maar liefst 181 hectare tot hun beschikking waarvan 161 ha aan gewassen, aangevuld met wei- en bosland. 10 kilometer aan heggen omringen het bedrijf.

Hope Farm is trouwens geen biologisch bedrijf, wat ik eigenlijk betreur. Maar ondanks dat is er een stijging van het aantal akkervogels, zowel als broedvogel of als wintergast. Dat komt omdat er zorg wordt gedragen voor de zgn. Big Three: (1) een veilige plaats om te nestelen, (2) voedsel voor de jongen in de lente en de zomer en (3) een schuilplaats en voldoende voedsel in de winter.

Voor een soort als de geelgors resulteerde dat in een stijging van 20 paartjes sinds de opstart in 2000, terwijl deze soort in de rest van het land afnam tot 25 procent sinds 1995. Hun organisatie bestaat uit een uitgekiend beleid waar voedsel, winst en natuur centraal staan.

Deze gouden regel van drie wordt trouwens ook toegepast door enkele medewerkers van de Werkgroep Grauwe Gors die deze haast uitgestorven soort bijvoederen in de winter. Zonder hun hulp en kennis rond akkervogels en agricultuur was de grauwe gors, een iconische vogelsoort, er niet meer in Vlaanderen.

Samen met de Vlaamse Landmaatschappij worden er beheersovereenkomsten afgesloten met de landbouwers om o.a. vogelakkers aan te leggen. Op deze akkers wordt luzerne of klaver afgewisseld met stroken meerjarige natuurbraak waarin kruiden en grassen bloeien. De stroken natuurbraak zijn een paradijs voor akkervogels die aangetrokken worden door de aanwezige insecten, maar ook muizen vinden er hun voedsel die op hun beurt dan weer bij roofvogels de voorkeur genieten. In de winter blijft er genoeg voedsel achter, maar kunnen de akkers ook aangevuld worden met stroken graan.

Je merkt het: er beweegt wel degelijk iets. Ik vergeet nog de voedselteams, die ijveren voor de bevordering van een kleinschalige, duurzame land-en tuinbouw en voor het uitbouwen van lokale economieën. Maar voor sommigen zijn zulke acties druppels op een hete plaat. Als er over landbouw en biodiversiteit wordt gesproken, worden er vaak feiten en meningen de wereld ingestuurd waar niemand nog wijs uit geraakt. Het is een complexe materie en ik kan me voorstellen dat zoiets voor sommige partijen handig uitkomt.

Vandaar dat ik van een bottom-up-model op kleine schaal hou, waar beroep wordt gedaan op de basis zodat met de aanwezige kennis en gevoeligheden kan rekening gehouden worden. Dit vertrouwen zal de uitvoering vergemakkelijken.

En last but not least nog dit: Ooit was ik leerling aan een landbouwschool in tijden waar de natuur- en milieudreigingen nog niet zo prominent aanwezig waren. Toch ligt daar nu een unieke kans om op een objectieve manier de neuzen in dezelfde richting te krijgen.