Wat als…niet elk mensenleven evenveel waard is?

Column

Wat als…niet elk mensenleven evenveel waard is?

Wat als…niet elk mensenleven evenveel waard is?
Wat als…niet elk mensenleven evenveel waard is?

Als de afgelopen maanden van spectaculair en onophoudelijk geweld al iets glashelder hebben gemaakt, is het wel dat niet elk leven even veel waard is, stelt Olivia Rutazibwa in haar column.

Toen ik op 13 november het nieuws vernam over de aanslagen in Parijs, legde ik niet meteen de link, analytisch noch emotioneel, met het nieuws over de doden in Beiroet dat ik me vaag herinnerde van de dag voordien.

In beide steden heb ik vrienden en kennissen, toch had ik maar in één van de twee gevallen de reflex om meteen te beginnen smssen.

Goed menend, goed geïnformeerd of niet, niemand onder ons lijkt te ontsnappen aan deze systematische indeling van de mensheid in de meer en minder waardevolle levens. Het is allicht een natuurlijke menselijke reflex, en in die zin heeft het weinig zin om ons hier collectief schuldig over te voelen en het daar bij te laten.

Niemand onder ons lijkt te ontsnappen aan deze systematische indeling van de mensheid in de meer en minder waardevolle levens.

Naast “natuurlijk” is deze reflex echter ook tot op zekere hoogte aangeleerd; aangescherpt door onze media, politiek en onderwijssysteem. Hij gaat gek genoeg ook samen met een samenhorigheidsdiscours -“We are the World”- van internationale betrekkingen dat verregaande inmengingen elders mogelijk maakt.

Nu, er is hier niets nieuws onder de zon. De ongelijke waarde van het leven is het principe dat tot nog toe onze moderne tijden als een goed geoliede machine heeft doen draaien: praatjes over mensenrechten, gelijkheid en één geglobaliseerde menselijke familie die hand in hand gaan met het systematisch uitbuiten, objectiveren, doden of probleemloos in langdurige armoede houden van bepaalde groepen mensen.

Wie dat precies zijn varieert al naargelang plaats en tijdperk, maar een globale constante – op zijn minst sinds Columbus Amerika ‘ontdekte’ – is dat het vooral de niet-blanken (ook die definitie fluctueert) op deze planeet overkomt. Vandaag bijvoorbeeld, loont het niet als je ook nog eens moslim bent in, of in contact met de westerse wereld.

Het tragische is dat dit niet slechts een relatief fenomeen is. Het is niet enkel dat mensen meer geven om de mensen in hun omgeving – dat zou nog een zeker evenwicht injecteren in het systeem. De trieste realiteit is dat ook de (niet-blanke) getroffenen van dit fenomeen al te vaak meegaan in het idee dat een westers mensenleven inherent meer waard is dan het hunne.

In positieve zin manifesteerde zich dat in het medeleven dat uit alle hoeken van de wereld binnenstroomde na de aanvallen in Parijs. Ik zeg positief, want het toonde hoe mensen best wel in staat zijn om belang te hechten aan het lijden van mensen ver weg. Negatief, omdat het vaak gepaard gaat met het aanvaarden van lijden binnen de eigen groep of dichter bij huis. (Het beeld van de Afrikaanse leiders die solidair mee stapten in de mars na de Charlie Hebdo aanslagen in Parijs maar oorverdovend stil bleven over de slachtoffers van Boko Haram dichter bij huis, is voor altijd op mijn netvlies gebrand.)

**

De ongelijkheid van de mensenlevens is misschien niet nieuw, maar de explosie van de sociale media maakt dat we het niet meer ongestoord onder de mat kunnen vegen.

En toch. Er is één klein zilveren randje aan al de ellende die de laatste tijd onze beeldschermen bombardeert. De ongelijkheid van de mensenlevens is misschien niet nieuw, maar de explosie van de sociale media maakt dat we het niet meer ongestoord onder de mat kunnen vegen.

Dat zorgt er voor dat we iets langer dan voordien stil staan bij wat mensen in Beiroet, Syrië, Irak, Nigeria, of dobberend op de Middellandse Zee meemaken als hun leven aan flarden worden geschoten door politieke beslissingen of oorlogslogica’s waar ze zelf weinig controle over hebben.

De vraag die zich dan stelt is: wat doen we hier mee? Welke gevolgen trekken we uit het feit dat de waarde van je leven recht evenredig is aan de hoeveelheid macht van de groep waartoe je behoort? En hoe rijmen we dit met ons mensenrechtendiscours van universele gelijkheid en het mandaat dat ze internationale instellingen en buitenlands beleid geven?

Er is allicht niet één simpel antwoord, maar ik denk dat we alvast een onderscheid moeten maken tussen de groep waartoe iemand hoort - de waardevolle of de minder waardevolle. Dit onderscheid ligt nooit vast en varieert al naar gelang context en tijd. Eenzelfde Arabische moslim bekleedt een heel andere positie in Europa dan ergens in het Midden-Oosten als we zijn of haar positie vergelijken met de Zuid-Aziatische en zwart-Afrikaanse arbeidsmigranten daar bijvoorbeeld. Een tweede cruciaal onderscheid in onze gevolgtrekkingen is die tussen het politieke en het intermenselijke.

Hoe inconsistent en hypocriet ook in de praktijk, het mensenrechtendiscours van universele gelijkheid is niet iets waar we op intermenselijk vlak afscheid van mogen nemen. Al is het maar omdat het ons toelaat om de hypocrisie aan te kaarten en aan te klagen.

Daarom moeten we er op intermenselijk niveau naar blijven streven om een cultuur van verbondenheid en empathie te cultiveren tussen de ‘ongelijke’ groepen mensen. Als moreel kompas, als streefdoel dat we nooit ten volle zullen bereiken misschien, maar ons wel blijft inspireren alsof het mogelijk zou zijn. Op kleine schaal, en misschien pas morgen, maar niettemin: binnen imaginair handbereik.

De eerste taak voor het “minder waardevolle kamp” is dan dat van een heropgraven en cultiveren van de eigenwaarde, en het verwerpen van de superioriteit van de andere, zonder in de val te lopen van de mythe van de eigen superioriteit. De machtige anderen moeten op hun beurt meer investeren in de relativering van hun eigen positie, verwezenlijkingen en aangeleerde “uitzonderlijkheid”.

Kennisproductie via media en onderwijs die zichzelf constant in vraag stelt en aanpast aan de eigen context en tijd, speelt hierin een cruciale rol, maar is niet voldoende. We moeten tegelijkertijd ook inzetten op de materiële tastbare kant van het verhaal. De fysieke segregatie van de waardevollen en de anderen in het dagdagelijkse leven, zichtbaar op de arbeids-, onderwijs- en woonmarkt op lokaal niveau, alsook via landsgrenzen en internationale handelsrelaties op mondiaal niveau, zijn de kanalen waarlangs de menselijke gelijkwaardigheid systematisch wordt tegengewerkt en ongelijkheid in stand gehouden.

Op politiek niveau, anderzijds, vraagt het besef dat we niet iedereen als gelijk aanvoelen en behandelen, en dat dit gelinkt is aan de bestaande machtsverhoudingen, eerder om een grotere terughoudendheid. Ons mensenrechtendiscours ten spijt, zolang we het leven van de “andere”, zowel gevoelsmatig als in de praktijk systematisch en bijna automatisch niet evenveel waarde geven, hebben we maar een beperkt recht om ingrijpende beslissingen te nemen waarvan vooral de anderen de gevolgen dragen. Een zekere dosis realiteitszin over die ongelijkwaardigheid zou gepast zijn wanneer we praten over interventies, verkiezingen en het omturnen van andermans religies, culturen en politieke systemen -omdat we zogezegd één menselijke familie vormen en wij om hen geven.

Wat betekent dit alles voor de terreursituaties waar wij, in dit geval de ‘waardevollen en minder waardevollen’ in het Westen, vandaag tegenaan kijken?

Vanuit pacifistisch standpunt moet de droom van gelijkwaardigheid absoluut centraal blijven staan, maar een openlijke erkenning dat dit geenszins gerealiseerd is in ons denken en handelen is minstens even belangrijk. Het houdt in dat we in onze discussies over de islam eerlijk het gesprek moeten aangaan over het feit dat een groot deel van het niet-islamitische Westen de islam als een minderwaardige manier van in het leven staan ziet.

We moeten eerljik durven praten over het feit dat dat de massale dood, surveillantie en verdachtmaking van moslims wereldwijd aanvaardbaar blijkt te zjin, vanuit de vooronderstelling dat die realiteiten het leven van de meer waardevollen veiliger maakt. Dit erkennen en het kritisch tegen het licht van het mensenrechtendiscours van gelijkwaardigheid houden, is alvast een eerste stap om niet dezelfde historische superiorietitsfouten te blijven maken. Inschattingsfouten die ons er steeds weer toe drijven om de anderen te gaan “fixen”, al dan niet manu militari.

Dezelfde realistisch-pacifistische reflex moet er ons toe aanzetten om het terreurverhaal systematisch los te koppelen van de islam als religie. Zoals de Franse onderzoeker van politieke islam Olivier Roy het scherp stelde: ‘Het gaat hier niet zo zeer om de radicalisering van de islam, maar om de islamisering van het radicalisme.’ De focus op religie laat ons toe om bitter weinig aandacht te besteden aan de sociale, economische en politieke dimensies in het verhaal, dimensies die we als stemgerechtigde burgers in principe kunnen aanvaarden of krachtig verwerpen.

De vele debaturen en miljoenen euro’s die we spenderen aan het viseren en ter verantwoording roepen van “de moslims”, zouden we beter investeren in de historische en actuele militaire, sociaal-culturele, politieke en economische beslissingen en ideologieën die ons dag in dag uit opgesloten houden in de logica van eerste- en tweederangslevens.

Moeilijker nog misschien, dwingt de pacifistische reflex ons ertoe om de jihadi-terroristen aux serieux te nemen en als mensen te blijven zien en beschrijven.

Moeilijker nog misschien, dwingt de pacifistische reflex ons ertoe om de jihadi-terroristen aux serieux te nemen en als mensen te blijven zien en beschrijven. De verleiding om hen simpelweg als lafaards en gekken te zien is groot, maar het verontmenselijkt hen en verraadt meteen ook onze grootste zwakte.

Die realistisch-pacifistische analyse ziet er wellicht anders uit al naar gelang tot welke groep je behoort, en de kans is groot dat we al naar gelang het moment en de context, soms eens tot de “meer” en dan weer tot de “minder waardevolle” groep behoren. Niemand ontsnapt dus aan het pacifistisch appel, maar het antwoord kan niet uniform of universeel zijn.

Vanuit westers standpunt is de verleiding groot om op korte termijn met “bijbel” en getrokken zwaarden (in de huidige 3.0 versie is dat: islamofobie, drones, luchtaanvallen en racial profiling surveillantie) tegen de terreur ten strijde te trekken. Ik zou zeggen dat we dit recept al te vaak, zonder veel succes hebben uitgeprobeerd.

Als we vandaag de pacifistische kaart trekken lopen we misschien het risico dat het geweld schijnbaar eerst erger wordt vooraleer het verbetert. Op lange termijn echter, lijkt een radicaal realistisch-pacifisme dat verder gaat dan afzien van militair geweld en resoluut inzet tegen de logica van eerste- en tweederangslevens, me de enige manier om de vicieuze geweldcirkels van de geschiedenis te doorbreken.