Etalagepolitiek zorgt niet voor wissel van de macht

Column

Etalagepolitiek zorgt niet voor wissel van de macht

Etalagepolitiek zorgt niet voor wissel van de macht
Etalagepolitiek zorgt niet voor wissel van de macht

Olivia Rutazibwa wordt wel eens gevraagd om deel uit te maken van panels, jury’s of praatprogramma’s. Dat is mooi, maar ruimschoots onvoldoende, betoogt ze. ‘Met etalagepolitiek alleen zullen we de strijd tegen racisme, discriminatie en voor gelijke kansen niet winnen.’

Ik zat onlangs in een debatpanel naar aanleiding van de lancering van Unia –de nieuwe naam voor het Interfederaal Gelijkekansencentrum, voordien Centrum voor Gelijke Kansen en Bestrijding van Discriminatie en Racisme, ooit “Centrum Leman”.

Naast de heren Philippe Van Parijs (UCL), Marc De Vos (Itinera), moderator Ng Sauw Tjhoi (VRT) en Luc Vandormael (voorzitter OCMW Wallonië) was ook ik opgetrommeld om luidop na te denken over de vraag of gelijkheid een recht of een verdienste is.

Iedereen had wel iets waardevol en/of merkwaardigs te zeggen. Het is de economie. Het gaat om rechtvaardigheid. Of nog: het gaat om toegang tot een minimuminkomen voor een waardig bestaan. Maar ook: laten we niet te hard focussen op discriminatie en racisme; we moeten het beleid loskoppelen de graad van ongelijkheid in de samenleving.

Toch blijf ik met het gevoel zitten dat we niet de meest dringende, frisse of baanbrekende conversatie over gelijke kansen en discriminatie hielden.

Het gebrek aan ervaringsdeskundigen, het lage ‘dichter-bij-de-burger’ gehalte van ons panel – mezelf incluis –, zat daar zeker voor iets tussen.

Geen vertegenwoordigers van pakweg al dan niet gesluierde moslim(a)s, andersvalieden, transgenders of ouderlingen – om maar enkele van onze meest gediscrimineerde medemensen te noemen – was in zicht. Ook de 1 op 5 vrouw/man verhouding in een debat over gelijke kansen leek uit een heel ander tijdperk te komen.

Diverse tafel, ander gesprek?

Wat vaak opduikt bij discussies over witte mannelijke panels (naast verontwaardiging, ongemakkelijkheid en gekrenkte gevoelens), is de vraag of een grotere verscheidenheid per definitie voor een fundamenteel ander debat zorgt. Het antwoord is: neen, niet noodzakelijk.

Etalagepolitiek en excuusallochtonen, bijvoorbeeld, staan zeker niet garant voor verandering of nieuwe verhalen. Andersom zijn er echter wel zekerheden: de systematische monochrome, monoculturele, monoklasse, monogeaardheid, mono-… invulling van elke vierkante centimeter macht in onze samenleving, dient zonder twijfel de status quo.

De systematisch eenzijdige invulling van elke vierkante centimeter macht in onze samenleving, dient zonder twijfel de status quo.

Een debat is uiteraard maar een symbolische momentopname. Tegelijkertijd kan een systematisch dubbelchecken van wie er – of beter nog: wie er niet – rond de tafel zit in pakweg in het parlement of het stadhuis, in de leraarskamer, de nieuwsstudio of de raden van bestuur soms in een oogopslag duidelijk maken hoeveel werk er nog aan de winkel is.

Het gaat echter om zoveel meer dan een politiek correcte optelsom.

Aan de weg naar die minimale gelijkheid van kansen moet constant en op verschillende fronten en om verschillende redenen getimmerd worden. Want de groepen die systematisch worden uitgesloten veranderen met de tijd en variëren van plek tot plek.

Enkele van die redenen zijn dat het simpelweg om rechtvaardigheid en welzijn gaat; om de cijfers en de letter op de arbeidsmarkt; om het eenvoudig principe dat iedereen recht heeft op een kans om zijn of haar boterham te verdienen, en dus op gelijke toegang tot alle beschikbare jobs.

Anderzijds, zolang die gelijkheid van kansen zo schromelijk afwezig blijft – door racisme, vooroordelen, onwetendheid en segregatie – moeten er vooral op machtsposities symbolische en doelbewuste – vaak artificieel aanvoelende – tandjes bijgestoken worden. Quota’s en dergelijke. Niet als eindpunt, maar als een van de vele strategieën om gelijkheid in diversiteit in de rest van de samenleving niet alleen mogelijk, maar eerst en vooral al denkbaar te maken.

Afrikaans bloed

Acht jaar geleden kwam ik Marc De Vos al eens tegen in de wandelgangen van een ander debat. Barack Obama was net verkozen als eerste gekleurde president van de Vereigde Staten en onze televisiemakers van Terzake voelden spontaan de noodzaak om enkele donkere Vlamingen naar de studio te halen. Ik maakte me weinig illusies dat ik was uitgenodigd omdat ik doctoraal onderzoeker internationale politiek aan de Ugent was, maar besloot toch te gaan.

Op zich was er uiteraard niets mis mee om mensen van Afrikaanse origine in het gesprek te betrekken. Obama’s huidskleur bleek immers nog steeds opzienbarend in ons allesbehalve post-raciale tijdperk.

Het probleem zat eerder in de opzet van de twee Terzake-segmenten over Obama die avond. In het eerste segment zat ik samen met Eddy Battel, de oud-politiecommissaris uit Boom die met zijn half Afro-Amerikaanse roots verdacht veel op Obama leek. Als openingsvraag kregen we het volgende voorgeschoteld: ‘Alle twee hebben jullie duidelijk Afrikaans bloed, is dit ook een kippenvel moment voor u?’

In het tweede segment hadden de redacteurs een stel Amerika experten verzameld, witte mannen van middelbare leeftijd, waaronder Marc De Vos, om inhoudelijk in te gaan op het Amerikaanse beleid.

Kennis versus gevoelens.

Het gaat niet om slechte bedoelingen of kwaad opzet; wel om de vraag: bij wie kloppen we aan voor algemene expertise, en vooral bij wie niet.

Het moge duidelijk zijn dat het hier hoegenaamd niet om slechte bedoelingen of kwaad opzet gaat; hoogstens om illustraties van onze buikgevoel-reflexen van bij wie we aankloppen voor algemene expertise, en vooral bij wie niet.

Het is op zulke ogenschijnlijke onschuldige momenten dat de status quo wordt gereproduceerd.

Maar evengoed zijn dat momenten waarop ze resoluut kan doorbroken worden.

Vier jaar later, aan de vooravond van Obama’s herverkiezing, belde de VRT me opnieuw op om nog eens naar de studio te komen. Ik maakte hen duidelijk dat ik de trip niet zou ondernemen om nog eens over mijn gevoelens te praten, maar zeker bereid was om duiding te geven bij het Amerikaans buitenland-, armoede- en minderhedenbeleid.

Dus mocht ik de studio delen met professor Alison Woodward, een Amerikaanse politologe aan de VUB. Het was een van de schaarse Vlaamse televisieavonden waarop twee vrouwelijke politologen samen duiding gaven bij grote internationale vraagstukken.

Veel meer dan timmeren aan de beeldvorming doen zulke bewuste keuzes allicht niet, maar het zijn eerste mini stapjes, minimale vereisten zelfs, om tot een vanzelfsprekende diversiteit en inclusie in de rest van de samenleving te komen. Zo komen we dan terug uit op ieders recht op het verdienen van hun boterham.

Talentenjacht

In 2006-8 werkte ik als projectmanager in het Vredescentrum van de Provincie en de Stad Antwerpen. Bij de organisatie van evenementen om de samenhorigheid tussen Antwerpenaren te versterken kruiste mijn pad bij tijd en wijle dat van de mensen bij de sportdiensten van ´t Stad. Toen zij een vacature moesten invullen voor iemand die zich specifiek moest toeleggen op het betrekken van moslimmeisjes bij de Antwerpse sportactiviteiten, werd ik gevraagd om het selectiecomité te vervoegen. Ik was de enige zichtbare minderheid rond de tafel maar daarom nog niet, gezien de specifieke job omschrijving, automatisch degene met de nodige expertise. Wie mij kent, weet hoe sportief ik ben.

Jammer genoeg was het gebrek aan diversiteit ook pijnlijk zichtbaar aan de andere kant van de tafel. Blijkbaar waren er maar heel weinig minderheden op de vacature ingegaan. Het klassieke ‘we-vinden-ze-niet’ probleem.

Verregaande en op maat gemaakte diversiteit op machtsposities kan écht het verschil maken

Onder de geselecteerde kandidaten was er gelukkig toch een Marokkaanse Antwerpenaar. Daar waar de anderen het meer klassieke sportieve chiro/scoutstype waren, en in het algemeen zeker competities voor de job hadden, had de Marokkaanse Antwerpenaar duidelijk bepaalde inzichten die noodzakelijk bleken voor de specificiteit van de job.

‘Organiseer geen sportactiviteiten op zaterdagochtend,’ opperde hij bijvoorbeeld, ‘want dan gaan veel meisjes naar de Koranschool.’ Anderzijds sprong ook zijn informele, simpelweg “andere” manier van praten in het oog. Alhoewel de andere juryleden zijn inzichten erg apprecieerden, werd hij in de uiteindelijke beslissing niet weerhouden, precies om die reden. Hij voelde nog wat “jong” aan, misschien voor een volgende keer.

Het is toen dat ik besefte dat een verregaande en op maat gemaakte diversiteit op machtsposities echt het verschil kan maken, en dus een dringende kwestie is. De man was veruit de meest competente voor de job, maar omdat zijn persoon niet spontaan aansloot bij het buikgevoel van de meerderheid van de jury, werd hij niet weerhouden.

En aangezien de meerderheid van onze selectiecomités tot op de dag van vandaag monocultureel, -chroom, -geaard, -valide en overwegend mannelijk blijven, zijn dit weer de momenten par excellence waarop de status quo van de absolute ongelijkheid van kansen in stand wordt gehouden.

Mijn twee illustraties uit de persoonlijke verhalentrommel maken duidelijk dat het hier absoluut niet over mijn uitsluiting gaat – integendeel, aan al dan niet terechte uitnodigingen om mee aan tafel te zitten, geen gebrek. Mijn kleur en gender (de dubbele quota score!) tonen des te scherper aan dat we er met etalagepolitiek alleen niet komen.

Gelijke kansen moeten om meer gaan dan om een politiek correcte optelsom, die oefening is hoogstens een eerste en noodzakelijk instrument voor een echte wissel van de wacht. En macht.