Eerste Wereldoorlog: het koloniale, racistische geweld kwam terug naar Europa

Essay

Eerste Wereldoorlog: het koloniale, racistische geweld kwam terug naar Europa

Eerste Wereldoorlog: het koloniale, racistische geweld kwam terug naar Europa
Eerste Wereldoorlog: het koloniale, racistische geweld kwam terug naar Europa

Pankaj Mishra

11 november 2017

‘We slaapwandelden de Eerste Wereldoorlog in.’ Die dominante visie op het begin van de Grote Oorlog klopt niet, zegt de Indiase auteur Pankaj Mishra. Wie de geschiedenis vanuit het Zuiden bekijkt, ziet dat genocide, concentratiekampen en vooral de blanke suprematie allang aanwezig waren voor 1914.

Dit essay is de volledige tekst van de Elfnovemberlezing 2017 die Pankaj Mishra op 10 november uitsprak in het Vlaams Parlement. De 11 Novemberlezing is een initiatief van het Vlaams Vredesinstituut, het Vlaams Parlement, de stad Ieper en het In Flanders Fields Museum.

(c) Kathleen Vinck

Vandaag”, schreef Max Weber in september 1917, “staat er aan het westfront een bende Afrikaanse en Aziatische wilden, en een allegaartje van dieven en armoezaaiers van over de hele wereld.” Weber verwees daarmee naar de miljoenen Indiase, Afrikaanse, Arabische, Chinese en Vietnamese soldaten en arbeiders die aan het westfront werden ingeschakeld, net als op diverse andere, minder belangrijke slagvelden van de Eerste Wereldoorlog.

In zijn roman In Stahlgewittern beschreef de Duitse auteur Ernst Jünger hoe hij tot zijn ontzetting vaststelde dat de mannen die hij neerschoot en verwondde Indiërs waren, volslagen vreemdelingen die “duizenden kilometers ver over zee hadden gereisd, gewoon om hier hun bloed te komen vergieten” en die om hulp smeekten met stemmen die hem deden denken aan “het geluid van kikkers in het gras na een stortbui.”

Het Britse imperium dat met een tekort aan manschappen kampte, rekruteerde tot 1,4 miljoen Indiase soldaten. Frankrijk bracht bijna 500.000 mannen uit zijn kolonies in Afrika en Indochina onder de wapens. Bijna 400.000 Afro-Amerikanen werden bij de Amerikaanse strijdkrachten ingelijfd. Ho Chi Minh, die een groot deel van de oorlog in Europa doorbracht, veroordeelde deze gedwongen inlijving van onderworpen volkeren. In zijn ogen waren deze soldaten “niets meer dan vuile negers” die vervolgens tot “menselijk slachtvee” voor de oorlogsmachine in Europa werden herleid. Vele andere tegenstanders van het koloniale systeem – onder meer Mahatma Gandhi en W.E.B. Du Bois – steunden de oorlogsinspanningen van hun blanke overheersers ten volle in de hoop na afloop een waardige beloning voor hun landgenoten te kunnen losweken.

Zij realiseerden zich niet hoe vele Europeanen de fysieke nabijheid vreesden en haatten van hun “new-caught sullen peoples” (versgevangen, sombere volkeren) zoals Kipling de gekoloniseerde Aziaten en Afrikanen noemde in zijn gedicht The White Man’s Burden uit 1898. Alle westerse mogendheden hielden in die tijd een wereldwijde raciale hiërarchie in stand die rond hun gezamenlijke plannen voor territoriale expansie opgebouwd was. De Amerikaanse president Woodrow Wilson gaf tijdens een kabinetsvergadering in 1917 onverbloemd toe dat het zijn bedoeling was om “het blanke ras sterk te houden tegenover het gele ras” en om ervoor te zorgen dat “de blanke beschaving en haar overheersing van de planeet” in stand werden gehouden.

De ideeën van eugenetici over rassenselectie waren in die tijd overal algemeen aanvaard en de bezorgdheid van The Daily Mail omtrent blanke vrouwen die blootgesteld zouden worden aan “inlanders die erger zijn dan bruten wanneer hun passie werd opgewekt”, werd overal in het Westen bijgetreden. In de meeste Amerikaanse staten was rassenvermenging bij wet verboden. In de jaren vóór 1914 werd in alle Europese kolonies in Afrika een verbod op seksuele relaties tussen Europese vrouwen en zwarte mannen ingevoerd (maar niet tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen). De aanwezigheid van deze “vuile negers” in Europa na 1914 leek een diepgeworteld taboe te doorbreken.

“Deze wilden zijn een vreselijk gevaar voor de Duitse vrouwen”, zo waarschuwde het Duitse nationale parlement in een gezamenlijke verklaring uit 1920

Toen in mei 1915 in The Daily Mail een foto verscheen van een Britse verpleegster die achter een gewonde Indiase soldaat stond, veroorzaakte dit een schandaal. Legerofficieren probeerden blanke verpleegsters te bannen uit de ziekenhuizen waar Indiërs werden verzorgd en het werd hen bovendien verboden om het ziekenhuisgebouw te verlaten zonder een blanke mannelijke metgezel. Toen Frankrijk tijdens de naoorlogse bezetting van Duitsland soldaten uit Afrika (voor het merendeel uit de Maghreb) inzette, was de ontzetting hierover ook bijzonder groot en bovendien wijdverspreid. Duitsland had bij de verdediging van zijn kolonies in Oost-Afrika ook gebruikgemaakt van duizenden Afrikaanse soldaten, maar het had ze niet ingezet in Europa en het had zich niet ingelaten met wat Wilhelm Solf, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken (en voormalige gouverneur van Samoa), omschreef als een “vanuit raciaal oogpunt schaamteloos gebruik van kleurlingen”.

“Deze wilden zijn een vreselijk gevaar voor de Duitse vrouwen”, zo waarschuwde het Duitse nationale parlement in een gezamenlijke verklaring uit 1920. Toen Adolf Hitler in de jaren 20 Mein Kampf schreef, beschreef hij de aanwezigheid van Afrikaanse soldaten op Duitse bodem als een Joodse samenzwering om de blanken “van hun hoge culturele en politieke niveau” naar beneden te halen. De nazi’s, die zich door Amerikaanse nieuwlichterijen op het vlak van rassenhygiëne lieten inspireren, gingen in 1937 over tot de verplichte sterilisatie van honderden kinderen van Afrikaanse soldaten. De angst en de haat tegenover de “gewapende negers” (zoals Weber hen noemde) op Duitse bodem bleven niet beperkt tot Duitsland, noch tot de politieke rechterzijde. Ook de paus en de Britse Labour Party protesteerden tegen hun aanwezigheid. In The Daily Herald, een socialistische Britse krant, verscheen in 1920 een redactioneel artikel onder de titel Black Scourge in Europe (zwarte plaag in Europa).

De Grote Oorlog was geen ongeval, het raciale geweld was al aanwezig

Nu racisme en xenofobie in het Westen weer hoogtij vieren en blanke supremacisten koortsachtig aan transnationale allianties sleutelen, moeten we ons wel – net zoals Du Bois in 1910 – de volgende vraag stellen: “Wat maakt blank zijn zo begerenswaardig?” Tevens moeten we de eerste wereldwijde oorlog waaraan bijna honderd jaar geleden een einde kwam, bekijken binnen de context van het plan dat alle westerse staten deelden en dat de voor de hand liggende tegenstellingen tijdens de oorlog oversteeg: de hele wereld overheersen. Alleen vanuit dit ruimere analysekader kunnen we de huidige getormenteerde tijdsgeest duiden, en begrijpen waarom de onstuitbare neergang van de blanke wereldsuprematie en de assertiviteit van de voorheen ‘sombere volkeren’ politieke tendensen en neigingen de kop doen opsteken in het Westen die lange tijd onderdrukt werden.

De conventionele kijk op de oorzaken van de Grote Oorlog focust steeds op rigide allianties, militaire schema’s, de koloniale wedijver, de wapenwedloop en het Duitse militarisme. Die oorlog, zo kregen we al zo vaak te horen, was de oer-catastrofe van de 20ste eeuw. Het was Europa’s erfzonde die tot nog grotere uitbarstingen van barbarij zou leiden, zoals de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. In de bijzonder uitgebreide literatuur over de oorlog – er werden letterlijk tienduizenden boeken en wetenschappelijke artikels over gepubliceerd – gaat heel wat aandacht uit naar het westfront en de impact van de wederzijdse slachtpartijen op Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland. Het is veelzeggend dat meer wordt gefocust op het moederland van de diverse wereldrijken dan op hun kolonies.

Als we deze orthodoxe verhaallijn volgen – met de Russische revolutie en de Balfour-verklaring als vaste ijkpunten – begon de oorlog in 1914 met de ‘guns of August’ waarop in heel Europa soldaten naar het front werden gestuurd door uitgelaten vaderlandslievende massa’s. De vrede volgde bij de wapenstilstand op 11 november 1918, al werd zij in 1919 op tragische wijze gecompromitteerd door het Verdrag van Versailles.

Het waren de Europeanen, zegt Arendt, die allemaal samen “de mensheid ordenden in rassen van meesters en slaven” toen ze Azië, Afrika en Amerika veroverden en plunderden.

Met meer dan acht miljoen doden en ruim eenentwintig miljoen gewonden was deze oorlog de bloedigste uit de Europese geschiedenis, totdat in 1940 een tweede vuurzee het continent overspoelde. Oorlogsgedenktekens in de meest afgelegen Europese dorpen en begraafplaatsen in Verdun, bij de Marne, in Passendale en aan de Somme vormen een hartverscheurende herinnering aan het onnoemelijke leed. Het lijkt echter steeds ongepaster – om niet te zeggen narcistisch – om de oorlog als een grote breuklijn in de moderne westerse beschaving te bekijken en als een onverklaarbare catastrofe te beschouwen waar de Europese mogendheden na de ‘lange vrede’ in de 19de eeuw nietsvermoedend in belandden en waarvan de onopgeloste kwesties tot een ander rampzalig conflict tussen de liberale democratie en het autoritarisme zouden leiden, voordat eerstgenoemde stroming naar haar Europese thuis kon terugkeren.

Volgens deze overheersende visie die sinds de Koude Oorlog algemeen gangbaar is, waren de wereldoorlogen samen met het fascisme en het communisme een monsterlijke misstap binnen de wereldwijde vooruitgang op weg naar democratie en vrijheid. In vele opzichten waren echter de decennia na 1945, toen Europa beroofd van zijn kolonies uit het puin van twee oorlogen herrees, een buitengewone periode. Terwijl in West-Europa een algemene vermoeidheid ten aanzien van militante ideologieën was opgetreden, leken de deugden van de democratie – vooral het respect voor de individuele vrijheden – duidelijk overeind te staan. Ook de praktische voordelen van het herziene sociale contract en van de welvaartstaat waren duidelijk. Maar deze decennia van relatieve stabiliteit, noch de ineenstorting van de communistische regimes in 1989 waren een reden om aan te nemen dat mensenrechten en democratie definitief in de Europese bodem verankerd waren.

Zoals Hannah Arendt in The Origins of Totalitarianism (1951) opmerkte, waren het de Europeanen die allemaal samen “de mensheid ordenden in rassen van meesters en slaven” toen ze Azië, Afrika en Amerika veroverden en plunderden, en overal ter wereld blanke nederzettingen stichtten. Deze onterende hiërarchie was noodzakelijk omdat alleen via een buitenlandse expansie van het rijk de belofte van gelijkheid en vrijheid in het eigen land – en dan nog slechts gedeeltelijk – kon worden waargemaakt. We vergeten weleens dat het imperialisme, dat mensen land, voedsel en grondstoffen beloofde, op het einde van de 19de eeuw algemeen werd beschouwd als een cruciaal element voor de nationale vooruitgang en welvaart. Racisme was – en is – méér dan een lelijk vooroordeel, het is een realiteit die via juridische en sociale verbodsbepalingen moet worden uitgeroeid. Het racisme kreeg vorm in echte pogingen, zowel in Australië als in de Verenigde Staten, om via uitsluiting en degradatie de problemen op te lossen die eigen zijn aan het vestigen van een politieke orde in een samenleving die een snelle sociale en economische verandering ondergaat.

De toekomst van elke heersende klasse hing af van de mate waarin zij een geslaagde alliantie tot stand wist te brengen tussen – in de woorden van Arendt – “kapitaal en gepeupel” en tussen “de veel te rijken en de veel te armen”. Het sociaal Darwinisme definieerde in het begin van de 20ste eeuw de meeste wereldvisies en kwam tot de consensus dat naties als biologische organismen gedoemd zijn om uit te sterven of te degenereren, indien ze er niet in slagen om vreemde lichamen uit te stoten of tegen te houden, en levensruimte te vinden voor hun burgers. Blank zijn werd “de nieuwe godsdienst”, zoals Du Bois schreef, die te midden van desoriënterende economische en technologische veranderingen zekerheid bood, en een belofte aan macht en gezag over een meerderheid van de menselijke bevolking inhield.

De huidige heropleving van dit gedachtengoed in het Westen en de bijbehorende stigmatisering van hele bevolkingsgroepen als fundamenteel gewelddadig, biologisch inferieur of toch minstens cultureel onverenigbaar met de westerse naties, laten uitschijnen dat de Eerste Wereldoorlog geen diepgaande historische breuklijn vormde. Zoals Liang Qichao, de meest vooraanstaande moderne Chinese intellectueel, meent, was er in 1918 veeleer sprake van een “overgangsfase die het verleden en de toekomst met elkaar verbindt”. Bij de honderdste verjaardag van deze oorlog is het onze complexe taak om na te gaan hoe het grimmige verleden waartoe hij behoort, in ons huidige tijdsgewricht is doorgesijpeld en onze toekomst dreigt vorm te geven.

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Vernederingen door de loophonden van het imperialisme

De meeste oorlogscommentatoren beschreven de oorlog, ongeacht hun herkomst of politieke en culturele invalshoek (bv. fascisme, modernisme), als een in wezen Europese aangelegenheid: een periode waarin de langdurige vrede op het continent door een vier jaar durende slachtpartij werd verstoord en de lange traditie van westers rationalisme werd aangetast. Bijna een eeuw na het einde van de Eerste Wereldoorlog tasten we nog steeds in het duister omtrent de ervaringen en perspectieven van de niet-Europese actoren en waarnemers van deze oorlog. Er is vrij weinig bekend over hoe de oorlog de politieke strijd in Azië en Afrika versnelde, over hoe Arabische en Turkse nationalisten evenals Indiase en Vietnamese antikolonialisten er nieuwe kansen in vonden, en over hoe Japan dankzij de oorlog tot een bedreigende koloniale macht in Azië uitgroeide terwijl de oude Europese koloniale mogendheden door de oorlog werden vernietigd.

Woodrow Wilson, de man die het plan opvatte om door middel van militaire en diplomatieke interventies “de wereld veilig te stellen voor de democratie”, komt uit het aloude verhaal over de nasleep van de oorlog naar voren als een heldhaftige liberale internationalist die wreed in de steek werd gelaten door de Amerikaanse isolationisten. Dat het liberalisme van Wilson op de Vredesconferentie van Parijs in 1919 slechts een dekmantel voor de blanke suprematie was, zien slechts weinigen in. De vraag om zelfbeschikkingsrecht van Aziatische en Afrikaanse antikolonialisten werd op deze conferentie minachtend van de hand gewezen en zelfs Japan, een bondgenoot van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, zag zijn oproep voor rassengelijkheid afgewezen.

Alles samen werden meer dan vier miljoen niet-blanke mannen in de Europese en Amerikaanse legers ingelijfd, en er werd gevochten op plaatsen ver buiten Europa, van Siberië en Oost-Azië tot het Midden-Oosten, over Sub-Saharaans Afrika en zelfs de eilanden in de Stille Zuidzee

Op recente herdenkingsplechtigheden was er meer aandacht voor de niet-Europese strijders en slagvelden van de Eerste Wereldoorlog: voor het feit dat alles samen meer dan vier miljoen niet-blanke mannen in de Europese en Amerikaanse legers werden ingelijfd, en dat er werd gevochten op plaatsen ver buiten Europa, van Siberië en Oost-Azië tot het Midden-Oosten, over Sub-Saharaans Afrika en zelfs de eilanden in de Stille Zuidzee. In Mesopotamië maakten Indiase soldaten de hele oorlog lang de meerderheid van de geallieerde troepen uit. De Britse bezetting van Mesopotamië en de succesvolle Britse campagne in Palestina waren zonder de Indiase troepen ondenkbaar geweest. Sikh-soldaten hielpen de Japanners zelfs om de Duitsers uit hun Chinese kolonie Qingdao te verdrijven.

Onderzoekers beginnen inmiddels meer aandacht te hebben voor de bijna 140.000 Chinese en Vietnamese contractarbeiders die door de Britse en Franse overheid werden ingehuurd om de oorlogsinfrastructuur in stand te houden. We weten ondertussen meer over hoe Europa tijdens het interbellum diverse antikoloniale bewegingen over de vloer kreeg: onder de Oost-Aziatische expat-gemeenschap in Parijs bevonden zich op een bepaald moment zowel Zhou Enlai als Ho Chi Minh. Wrede mishandeling in de vorm van segregatie en slavenarbeid was het lot van velen van deze Aziaten en Afrikanen in Europa. Deng Xiaoping, die na de oorlog in Frankrijk aankwam, herinnerde zich later “de vernederingen” die zijn Chinese landgenoten te beurt vielen vanwege de “loophonden van het kapitalisme”.

De activisten die de bange hoop hadden gekoesterd dat hun blanke meesters milder gestemd zouden zijn nu ze zwarte en bruine mensen als menselijk voer voor de oorlogsmachine hadden kunnen gebruiken, waren in hun eer gekrenkt. Zwarte schrijvers als Du Bois vroegen zich na het einde van de oorlog steeds duidelijker af: “Waar passen wij in het plaatje?” Het antwoord kwam in de vorm van een vloedgolf van massale aanvallen op zwarten overal in de Verenigde Staten (Wilson zelf maakte zich zorgen omdat “de Amerikaanse zwarte die uit het buitenland terugkwam” het bolsjewisme wel eens zou kunnen binnensmokkelen in Amerika).

In 1919 slachtten de Britse troepen honderden ongewapende Indiase demonstranten af in Amritsar, wat er mee voor zorgde dat Gandhi van een medestander in een tegenstander van het Britse rijk veranderde. Het daaropvolgende jaar sloegen Britse kolonialen een revolte in Irak neer met de eerste volgehouden luchtbombardementen uit de geschiedenis.

Rabindranath Tagore sprak over de wrede manier waarop liberale Aziaten en Afrikanen uit hun droom werden geholpen, toen hij Romain Rolland in 1921 schreef dat “Europa zijn voormalige morele prestige volledig kwijt was” en werd beschouwd als “een verdediger van de westerse rassensuprematie”. Het liberalisme van Woodrow Wilson kon in Cairo, Peking en Teheran kort op bijval rekenen, maar verloor snel zijn glans toen duidelijk werd dat de in Virginia geboren president zijn intuïtieve affiniteit met de Ku Klux Klan na de oorlog omzette in een heleboel voordelen voor de imperialistische winnaars van de oorlog. Verbitterd door de westerse achterbaksheid in Parijs begon China zijn onverzettelijke strijd voor een sterke natiestaat die zelf zou domineren in plaats van te worden gedomineerd. Ideologieën zoals het revolutionaire communisme en het islamitische fundamentalisme, wonnen aan kracht door hun belofte om volkomen te breken met de illusies van een generatie van collaborerende leiders.

Koloniale machten regelden hun zaken onder elkaar

Een algemeen relaas over de Grote Oorlog met aandacht voor de politieke conflicten zowel in als buiten Europa kan meer licht werpen op het hypernationalisme dat vandaag de dag bij vele heersende Aziatische en Afrikaanse elites terug te vinden is. Het opvallendst op dit punt is het Chinese regime dat zichzelf voorstelt als de wreker van een eeuw van Chinese vernedering door het Westen. Om het thuiskomen van de blanke suprematie in het Westen te begrijpen, moeten we echter dieper in de geschiedenis graven. Dan wordt namelijk duidelijk dat blank zijn een garantie voor individuele identiteit en waardigheid bood en aan de basis lag van militaire en diplomatieke allianties.

Uit deze geschiedenis blijkt dat de langdurige vrede van Europa eigenlijk een tijd van eindeloze oorlogen in Azië, Afrika en Amerika was en dat de Europese kolonies de plaatsen waren waar de uitgangspunten voor de burgeroorlogen in Europa – racistische theorieën, gedwongen volksverhuizingen en minachting voor mensenlevens – werden gesmeed. Geschiedkundigen die vandaag de dag het Duitse kolonialisme bestuderen (een gestaag uitdijend studiedomein), proberen de Holocaust terug te voeren tot de minigenocides die de Duitsers in de jaren 1900 in hun Afrikaanse kolonies aanrichtten, waar een aantal cruciale ideologieën – denk maar aan ‘Lebensraum’ – ontstonden en gevoed werden.

Het is echter al te makkelijk – vooral vanuit een Anglo-Amerikaans perspectief – om te zeggen dat Duitsland zich van de beschavingsregels losmaakte en de nieuwe norm op het vlak van barbarij werd waardoor de rest van de wereld tot een tijdperk van extremen werd gedwongen. Op vele vlakken stellen we namelijk een fundamentele continuïteit vast in de imperialistische praktijken en raciale ideeën van Europese en Amerikaanse mogendheden.

Er is een gedeeld archief van “kennis over de behandeling, uitbuiting en uitroeiing van submenselijke bevolkingsgroepen” die “de westerse mogendheden in de loop van de koloniale geschiedenis opbouwden”

Robert Gerwarth en Stefan Malinowski verwijzen naar een gedeeld archief van “kennis over de behandeling, uitbuiting en uitroeiing van submenselijke bevolkingsgroepen” die “de westerse mogendheden in de loop van de koloniale geschiedenis opbouwden”. Hun mentaliteit en wereldvisies waren namelijk opmerkelijk gelijklopend tijdens deze hoogdagen van het blanke ras. Als antwoord op zijn eigen vraag wat blank zijn zo buitengewoon begerenswaardig maakte, definieerde Du Bois de status van de blanke als die van de “heerser over de aarde voor eeuwig en altijd”.

Zelfs het argument – door Lenin aangehaald in zijn boek Het imperialisme als hoogste stadium van het Kapitalisme (1916) – dat de westerse koloniale mogendheden zich in 1914 halsoverkop in een oorlog stortten omdat ze op elkaars markten en grondstoffen aasden, onderschat de mate waarin deze ogenschijnlijke rivalen met elkaar samenwerkten. Zo kreeg de Duitse kolonisatie van Zuidwest-Afrika, waarmee het probleem van de overbevolking moest worden opgelost, regelmatig steun van de Britten. En op het einde van de 19de eeuw verdeelden alle belangrijke westerse mogendheden in alle vriendschap de Chinese koek onder elkaar. De spanningen die bij het verdelen van de Aziatische en Afrikaanse buit al eens ontstonden, werden voor het merendeel vredig opgelost, zij het ten koste van de Aziaten en de Afrikanen.

Dit komt doordat kolonies tegen het einde van de 19de eeuw algemeen werden beschouwd als een onmisbaar overdrukventiel voor de binnenlandse sociaaleconomische druk. Cecil Rhodes pleitte in 1895 na een ontmoeting met boze werklozen in de Londense wijk East End met onmiskenbare duidelijkheid voor kolonies. Imperialisme, zo verklaarde hij, was de oplossing voor het sociale probleem: om de 40 miljoen inwoners van het Verenigd Koninkrijk voor een bloedige burgeroorlog te behoeden, moesten zij, koloniale staatsmannen, nieuwe gebieden veroveren waarnaar het bevolkingsoverschot kon worden afgeleid en die nieuwe markten zouden vormen voor de goederen die de fabrieken en mijnen produceerden. In de ogen van Rhodes was een burgeroorlog slechts te vermijden via imperialisme.

Rhodes strooptocht langsheen de Afrikaanse goudvelden droeg bij tot het uitbreken van de Tweede Boerenoorlog waarin de Britten, die de vrouwen en kinderen van de Boeren in kampen opsloten, het woord ‘concentratiekamp’ aan het gangbare vocabularium toevoegden. Tegen het einde van de oorlog in 1902 was het fenomeen “gemeengoed in de geschiedenis” geworden, aldus J.A. Hobson. Volgens hem maakten regeringen gebruik van nationale gevoeligheden, buitenlandse oorlogen en de glamour die aan de totstandkoming van een imperium kleeft, om het volk zand in de ogen te strooien en het groeiende verzet tegen de binnenlandse misbruiken de wind uit de zeilen te nemen.

Naarmate het imperialisme een “panorama van algemene trots en wrede sensatiezucht” ontvouwde, deden de heersende klassen overal hun best om “van de natie een imperium te maken”, zoals Arendt het uitdrukte. Dit plan om “de natie te organiseren met het doel buitenlandse gebieden te plunderen en andere volkeren permanent te vernederen” maakte snel opgang via de tabloids, een nieuwigheid in die tijd. Van bij zijn oprichting in 1896 promootte The Daily Mail bij zijn lezers een algemeen gevoel van trots omdat ze blank waren, Brits en superieur aan die hitsige inlanders. Het mag dan ook niet verbazen dat protegés van Dacre en Murdoch, en neo-imperialistische praatjesmakers als Niall Ferguson nog steeds proberen om de cruciale alliantie tussen kapitaal en gepeupel tot stand te brengen.

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Oefenterrein voor genocide

Gezien de trots waarmee zovele Europeanen naar hun imperium keken, lijkt de veelvuldig aangehaalde chauvinistische waanzin te midden waarvan Europa in 1914 in een bloedbad belandde, niet zo heel opmerkelijk. De Grote Oorlog lijkt ook niet de eerste episode te zijn van de lange strijd die de liberale democratie in de 20ste eeuw met het autoritarisme uitvocht. In een vlaag van imperialistische geestdrift besloot Italië in 1915 om de Britten en de Fransen aan de geallieerde kant te versterken (en verviel prompt in fascisme toen het zijn imperialistische aspiraties gefnuikt zag). Italiaanse schrijvers en journalisten maar ook politici en zakenlui snakten al sinds het einde van de 19de eeuw naar koloniale macht en glorie.

Italië had plichtsgetrouw Afrika afgedweild, alleen maar om in 1896 een beschamende nederlaag te lijden tegen de Ethiopiërs (Mussolini zou de nederlaag in 1935 wreken door de Ethiopiërs onder gifgas te bedelven). Evenmin was Italië erin geslaagd om zich te verzekeren van een aandeel in de buit in China. In 1911 zag het zijn kans schoon om Libië van het Ottomaanse rijk los te peuteren en na alle eerdere tegenslagen volgde een Italiaanse aanval op het land – met de instemming van zowel de Britten als de Fransen – die kwaadaardig was en warm werd toegejuicht in het thuisland.

Het nieuws over de Italiaanse gruwelijkheden met onder meer het eerste luchtbombardement uit de geschiedenis, zorgde voor een radicalisering bij heel wat moslims in Azië en Afrika. De publieke opinie in Italië bleef onverzettelijk achter de imperialistische gok staan. De Italiaanse futurist Giuseppe Marinetti, die als oorlogscorrespondent naar Libië reisde, was in de wolken over “het beeldhouwwerk dat onze deskundige artillerie uit de vijandige massa sculpteerde”.

Maar de Italianen hadden het moeilijk tegen de Libiërs (Mustafa Kemal, die later als Ataturk bekendheid verwierf, reisde vermomd als journalist naar Libië om Arabische vrijwilligers te ronselen). Het conflict escaleerde waarna de Italianen in februari 1912 Beiroet bombardeerden en de eilanden Rodos, Kos en Patmos bezetten. Deze grotendeels vergeten Italiaanse pogingen tot imperialistische machtsopbouw waren geen directe aanleiding voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Zij gaven echter al een voorsmaakje van de uitbarstingen van patriottische extase en de oorlogsmisdaden in de periode van 1914 tot 1918.

“Verleen geen genade en neem geen gevangenen”, zo zei hij en drukte de soldaten op het hart om ervoor te zorgen dat “geen enkele Chinees het ooit nog in zijn hoofd zou halen om een Duitser zelfs maar achterdochtig te bekijken.”

Het eigen gedrag van Duitsland is veel minder bijzonder wanneer we zien dat vanaf de jaren 1880 vele Duitsers uit de politiek, de zakenwereld en de academische wereld, en heel wat machtige lobbygroepen zoals het Alldeutscher Verband (waarvan Max Weber korte tijd lid was) hun bewindvoerders aanspoorden om van Duitsland een imperium te maken naar het voorbeeld van Groot-Brittannië en Frankrijk. Alle operaties waarbij het Duitse leger tussen 1871 en 1914 betrokken was, werden bovendien buiten Europa uitgevoerd. Zo waren er onder meer de strafexpedities in de Afrikaanse kolonies en één zeer ambitieuze onderneming in 1900 in China, waarbij Duitsland zeven andere Europese mogendheden bijstond in een vergeldingsexpeditie tegen jonge Chinezen die tegen de westerse overheersing van China in opstand waren gekomen.

Toen hij de Duitse troepen op een eerste grote militaire veldtocht buiten Europa stuurde, stelde de Kaiser hun opdracht voor als een raciale wraakactie. “Verleen geen genade en neem geen gevangenen”, zo zei hij en drukte de soldaten op het hart om ervoor te zorgen dat “geen enkele Chinees het ooit nog in zijn hoofd zou halen om een Duitser zelfs maar achterdochtig te bekijken.” Het ‘gele gevaar’ (een term die in de jaren 1890 ingang vond) was zo ongeveer volledig uitgeschakeld tegen de tijd dat de Duitsers ter plaatse kwamen. Tussen oktober 1900 en de lente van 1901 voerden zij echter op het Chinese platteland nog tientallen raids uit die hen berucht maakten om hun extreme gewelddadigheid.

Eén van de vrijwilligers van de strafexpeditie was luitenant-generaal Lothar von Trotha, die in Afrika al een reputatie had opgebouwd door het stelselmatig executeren van inlanders en het platbranden van dorpen. Hij noemde zijn beleid ‘terrorisme’ en voegde eraan toe dat het “alleen maar kon helpen”. In China plunderde hij Ming-graven en zag hij toe op enkele executies, maar zijn echte levenswerk volgde later in Duits Zuidwest-Afrika (het huidige Namibië) waar in januari 1904 een antikoloniale opstand uitbrak.

In oktober 1904 gaf hij het bevel om de leden van de al militair verslagen Herero-bevolking (inclusief vrouwen en kinderen) gericht neer te schieten. Vluchters moesten de Omaheke-woestijn worden ingedreven zodat ze zouden sterven van de hitte. Naar schatting 60.000 à 70.000 Herero – op een bevolking van zo’n 80.000 – werden uiteindelijk gedood en velen stierven van ontbering in de woestijn. Een tweede antikoloniale opstand door de Nama leidde tot de dood in 1908 van zowat de helft van de bevolking.

Dit soort proto-genocidale uitroeiing van inlanders werd gemeengoed tijdens de laatste jaren van de langdurige vredesperiode. De Belgische koning Leopold II, die de Congo Vrijstaat van 1885 tot 1908 als zijn persoonlijk domein beheerde, reduceerde de bevolking van Congo tot de helft en stuurde niet minder dan 8 miljoen Afrikanen een vroegtijdige dood in. Tot de Belgische praktijken tijdens zijn terreurregime behoorde onder meer het afhakken van handen (zowel van levende mensen als van lijken).

De Amerikaanse verovering van de Filipijnen tussen 1898 en 1902 waaraan Kipling zijn gedicht The White Man’s Burden opdroeg, eiste het leven aan 200.000 burgers. De dodentol hoeft niet te verbazen als je weet dat zesentwintig van de dertig Amerikaanse generaals op de Filipijnen in eigen land hadden meegevochten in de uitroeiingsoorlogen tegen de Native Americans. Eén van hen, brigadier-generaal Jacob H. Smith, verklaarde in zijn bevelen uitdrukkelijk: “Ik wil geen gevangenen. Ik wil dat jullie doden en platbranden. Hoe meer jullie doden en platbranden, hoe liever ik het heb.” Tijdens een hoorzitting in de senaat over de gruweldaden op de Filipijnen verwees generaal Arthur MacArthur (vader van Douglas MacArthur) naar de “schitterende Arische volkeren” waartoe hij behoorde en naar de “eenheid van het ras” die hij zich genoodzaakt zag te verdedigen.

Brigadier-generaal Jacob H. Smith in de Filipijnen: “Ik wil geen gevangenen. Ik wil dat jullie doden en platbranden. Hoe meer jullie doden en platbranden, hoe liever ik het heb.”

Nadat het door het Verdrag van Versailles uit deze Arische club werd uitgesloten en bovendien zijn kolonies was kwijtgespeeld, werd Duitsland er door de zegevierende koloniale mogendheden van beschuldigd – zonder een zweem van ironie! – dat het zijn inlanders in Afrika mishandelde. Dit soort veroordelingen, die ook vandaag de dag nog worden gebruikt om het ‘goed menende’ Britse en Amerikaanse imperialisme te onderscheiden van de Duitse, Franse en Belgische versies ervan, gaan voorbij aan het feit dat de wereldwijde raciale orde in het tijdperk van het imperialisme de natuurlijke orde van de dingen was waarin onbeschaafde volkeren moesten worden uitgeroeid, onder de knoet gehouden, verjaagd of radicaal hervormd.

In 1920, een jaar na de veroordeling van Duitsland wegens misdaden tegen niet-Ariërs, voerden de Britten in hun nieuwe Iraakse mandaatgebied luchtbombardementen in als standaardprocedure. Deze bombardementen waren de voorgangers van de huidige, even alledaagse bommen- en dronecampagnes die al tien jaar aan de gang zijn in West en Zuid-Azië. “De Arabieren en de Koerden”, zo schreef een officier van de RAF in zijn verslag uit 1924, “weten nu wat echte bombardementen zijn … ze weten dat een volledig dorp op 45 minuten tijd … haast van de kaart geveegd kan worden en dat een derde van de inwoners dood of gewond kan zijn.” Deze officier was Arthur ‘Bomber’ Harris die in de Tweede Wereldoorlog een vuurzee losliet op Hamburg en Dresden, en van wie het werk in Irak in de jaren 30 bijdroeg tot de Duitse theorie over ‘der totale Krieg’.

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Een anti-koloniale kijk op de Eerste Wereldoorlog

In de moderne geschiedenis van het geweld zijn een heleboel voorbeelden terug te vinden van de discrete uitwisseling van moordzuchtige ideeën tussen ogenschijnlijke vijanden. Zo maakte de wreedheid van de Amerikaanse elite tegenover zwarten en Native Americans bijvoorbeeld grote indruk op de eerste generatie van Duitse liberale imperialisten, decennia vóór Hitler zijn bewondering toonde voor het ondubbelzinnig racistische nationaliteits- en immigratiebeleid van de Verenigde Staten. In navolging van de Duitse kolonisten in Afrika zochten ook de nazi’s inspiratie bij de Jim Crow-wetten uit de zuidelijke Amerikaanse staten. Het mag dan ook niet verbazen dat Charlottesville (Virginia) recent nog het toneel was van demonstraties met swastika’s en gezangen over ‘bloed en bodem’.

Dood en vernietiging op grote schaal, een ervaring waar de meeste Europeanen pas na 1914 mee in aanraking kwamen, was eerder al een wijdverspreid fenomeen in Azië en Afrika

In het licht van dit transcontinentaal racisme uit heden en verleden lijkt de Eerste Wereldoorlog geen strijd tussen de liberale democratie en het autoritarisme te zijn geweest, noch een volkomen onverwachte oer-catastrofe. De Indiase auteur Aurobindo Ghose was één van de vele antikoloniale denkers die (in 1909) voorspelden dat de beschaving van het “snoeverige, agressieve, dominante Europa haar doodvonnis had gekregen” en wachtte op “vernietiging”. Liang Qichao ontkende natuurlijk al in 1918 dat de Grote Oorlog in welk opzicht dan ook een breuk betekende.

Deze scherpzinnige beoordelingen van Liang, Ghose, Du Bois, Gandhi, Tagore en Aime Cesaire waren geen kwestie van oosterse wijsheid of Afrikaanse helderziendheid. Omdat zij tot onderworpen volkeren behoorden, realiseerden deze mannen zich eenvoudigweg, lang vóór Arendt in 1951 The Origins of Totalitarianism publiceerde, dat de vrede in hun respectieve westerse moederlanden in al te grote mate afhankelijk was van het uitbesteden van de oorlog aan de kolonies.

Dood en vernietiging op grote schaal, een ervaring waar de meeste Europeanen pas na 1914 mee in aanraking kwamen, was eerder al een wijdverspreid fenomeen in Azië en Afrika waar gebieden en grondstoffen wederrechtelijk werden afgenomen, economische en culturele infrastructuur systematisch werd vernietigd en hele bevolkingsgroepen met de hulp van de allernieuwste bureaucratische methoden en technologieën werden gedecimeerd. Het evenwicht op het oude continent bleek al te lang en al te zwaar op een onevenwicht elders te hebben geparasiteerd.

Uiteindelijk volstonden Azië en Afrika niet meer als strijdtoneel op veilige afstand voor de uitbreidingsoorlogen die Europa op het einde van de 19de en in de 20ste eeuw voerde. Het gebruik van willekeurig geweld ontketende er oncontroleerbare krachten die uiteindelijk de bevolking in Europa het lijden bezorgden dat Aziaten en Afrikanen al zo lang ondergingen. Arendt waarschuwde hiervoor: “Geweld dat in naam van de macht (en niet in naam der wet) wordt gepleegd, verwordt tot een destructief principe en houdt pas op wanneer er niets meer overblijft om geweld op te plegen.”

Van Eerste Wereldoorlog tot War on Terror

Deze rampzalige logica van wetteloos geweld komt vandaag de dag duidelijk tot uiting in de sterk raciaal getinte ‘war on terror’. Uitgaand van een submenselijke vijand die zowel in eigen land als in het buitenland moet worden ‘uitgerookt’, overtrad deze oorlog het eeuwenoude taboe op foltering en normaliseerde de buitengerechtelijke executie van zelfs staatsburgers van westerse naties. De toegediende nederlagen en vernederingen hebben geleid tot een nog grotere afhankelijkheid van geweld, een ongebreidelde toename van het aantal onverklaarde oorlogen en slagvelden, permanente aantastingen van de burgerrechten in eigen land en een aangescherpt gevoel van dominantie dat duidelijk uit Trumps bedreigingen aan het adres van Noord-Korea en Iran spreekt.

De etno-racisten hebben de retoriek van Wilson over het liberaal internationalisme bij het schroot gezet. In plaats daarvan verkondigen ze nu onverholen de culturele eenheid van het blanke ras tegenover de existentiële dreiging vanwege donker uitziende buitenlanders.

Dat beschaafde naties in eigen land immuun kunnen blijven voor het met voeten treden van het internationaal recht en de conventionele moraal in hun oorlogen tegen barbaren in het buitenland, is altijd al een illusie geweest. Deze illusie werd inmiddels aan diggelen geslagen nu etnisch-raciale bewegingen in het hart van het moderne Westen in opgang zijn, vaak toegejuicht door de blanke supremacist in het Witte Huis die ervoor zorgt dat er niets meer overblijft om geweld op te plegen.

De etno-racisten hebben de retoriek van Wilson over het liberaal internationalisme – decennialang het geliefkoosde discours van het westerse politieke en media-establishment – bij het schroot gezet. In plaats daarvan verkondigen ze nu onverholen de culturele eenheid van het blanke ras tegenover de existentiële dreiging vanwege donker uitziende buitenlanders, ongeacht of dit staatsburgers, immigranten, vluchtelingen, asielzoekers dan wel terroristen zijn.

Net als bij het begin van de 20ste eeuw is blank zijn een troostende religie geworden in tijden van economische en sociale onzekerheid, te midden van de door het sociaal Darwinisme gevoede angst om het onderspit te delven in de internationale strijd om macht en rijkdom. Met Trump in het Witte Huis kunnen we niet langer de “verschrikkelijke waarschijnlijkheid” uitsluiten waarnaar James Baldwin ooit verwees: dat de winnaars van de geschiedenis “die worstelen om te behouden wat ze van hun gevangenen hebben gestolen en die niet in staat zijn om in de spiegel te kijken, de wereld in een chaos zullen storten die, voor zover hij niet het einde voor het leven op deze planeet betekent, een nooit eerder geziene rassenoorlog op gang zal brengen.”

De herovering van de koloniale macht en glorie bleek al eerder een verraderlijke escapistische fantasie te zijn. Het leidde tot de verwoesting van grote delen van Azië en Afrika, bracht het terrorisme naar de straten van Europa en Amerika, en hielp Groot-Brittannië recenter nog op weg naar de brexit. Geen opwindende raciaal-imperialistische buitenlandse onderneming slaagt er nog in om in eigen land de klassenverschillen en de onderwijsongelijkheid te maskeren en de aandacht van de massa’s af te leiden. De wereldwijde raciale orde die zijn begunstigden macht, identiteit, veiligheid en status pleegde te verlenen, heeft het definitief begeven. Zelfs een oorlog met China en een etnisch-raciale schoonmaak in het Westen kunnen de oude droom – voor eeuwig en altijd over de wereld heersen – niet herstellen.

Het sociale probleem lijkt dan ook steeds minder oplosbaar en, zoals Trump en de Brexit aantonen, is het vermogen om zichzelf in de voet te schieten op alarmerende wijze toegenomen. Verstandig denkwerk zou op zijn minst vereisen dat een eerlijke confrontatie met de imperialistische achtergrond van de Grote Oorlog wordt aangegaan. Duitsland is de enige Europese natie die zich aan deze afrekening heeft gewaagd en het plukt daar ook de vruchten van, wat niemand zal verbazen. Het risico is natuurlijk groot dat aan dit verleden gewoon wordt voorbijgegaan. En dat historici zich over een eeuw verbaasd afvragen hoe het Westen na een lange vrede nietsvermoedend in zijn grootste catastrofe ooit belandde.