Hoe mondiale journalistiek betrouwbaar, klimaatvriendelijk én gedekoloniseerd kan worden

Essay

Brief aan de hoofdredacteur

Hoe mondiale journalistiek betrouwbaar, klimaatvriendelijk én gedekoloniseerd kan worden

Hoe mondiale journalistiek betrouwbaar, klimaatvriendelijk én gedekoloniseerd kan worden
Hoe mondiale journalistiek betrouwbaar, klimaatvriendelijk én gedekoloniseerd kan worden

06 september 2020

Een bijzondere correspondentie: Jago Kosolosky, sinds augustus hoofdredacteur van MO*, wisselt brieven uit met zijn voorganger Gie Goris, die eind september met pensioen gaat. ‘Over journalistiek, over de wereld waarover we schrijven, over woorden en beelden, en over de mensen waar het allemaal om draait.’

© Iratxe Alvarez

In onderstaande correspondentie wisselt Jago Kosolosky, sinds augustus hoofdredacteur van MO*, brieven uit met zijn voorganger Gie Goris, die eind september met pensioen gaat.

© Iratxe Alvarez

Een bijzondere correspondentie: Jago Kosolosky, sinds augustus hoofdredacteur van MO*, wisselt brieven uit met zijn voorganger Gie Goris, die eind september met pensioen gaat. ‘Hoop is voor mij geen morele plicht, maar een menselijke genade’, schrijft die laatste. ‘Iets dat besloten ligt in strijd, menselijkheid en politieke tederheid. In mensen die hun handen vuil maken.’

Jago, de dag dat je het nieuws kreeg dat je vanaf augustus de nieuwe hoofdredacteur van MO* zou worden, spraken we af dat we elkaar zouden schrijven. Of misschien was het een paar dagen later. We zouden schrijven over journalistiek, over de wereld waarover we schrijven, over woorden en beelden, en over de mensen waar het allemaal om draait. En over wie weet wat nog allemaal.

Ik zou je een eerste bericht sturen vanuit India, dat was mijn plan. Een correspondentie die begint met vierenhalf uur tijdverschil, 6500 kilometer afstand in vogelvlucht, een culturele kloof die dieper is dan de Himalaya hoog: daarmee zouden we meteen de toon zetten voor een gesprek over journalistiek met ‘mondiale tendensen en lokale realiteiten overal ter wereld’ als focus.

De coronapandemie stak een stokje voor mijn reisplannen, en dus schrijf ik je in onze gedeelde tijdzone, met pakweg 37 kilometer fietsafstand tussen de plekken waar we (opnieuw) opgehokt zitten. Maar maakt dat een verschil?

In de dertig jaar dat ik hoofdredacteur was, eerst van Wereldwijd magazine en daarna van MO*, is de wereld ongelooflijk veranderd. Honey, I shrunk the world, moet de Schepper ergens in de jaren 1990 uitgeroepen hebben, en sindsdien ging het alleen maar van klein naar kleiner, en van snel naar sneller.

Ik heb de voorbije week vijf Indiase experts geïnterviewd: een in Srinagar, de zomerhoofdstad van de vroegere deelstaat Jammu & Kasjmir, een andere in Jammu, de winterhoofdstad; een in Den Haag, een andere in North Adams, Massachusetts, en een vijfde in Philadelphia, Pennsylvania. Ik heb Amit, Anuradha, Haris, Mohamad en Junaid ook gezien terwijl ik met hen sprak vanuit de Zuiderkempen, kon die gesprekken opnemen, en als ik het goed heb, had ik die gesprekken vervolgens door een automatische toepassing kunnen laten uitschrijven, terwijl ik rustig de boeken en artikels doornam die ze me toestuurden.

Waarom zouden we nog reizen, als afspraken via Zoom, Skype en andere digitale kanalen zo makkelijk te maken zijn? Hoe vaak ben ik niet in Delhi toegekomen, om de boodschap te krijgen dat de man of vrouw die ik zeker wou interviewen ‘jammer genoeg deze week elders in het land’ was? En hoe verantwoord je thuis de dagen dat het allemaal niet wil lukken in dat verre reportageland: de kantoren gesloten, contactpersonen niet op het appel, de vertaler klote, de trein te laat, de keuze van de locatie fout?

Wie niet aanwezig was bij de begrafenis van een jongen die gemarteld en vermoord werd in een staatsgevangenis, riskeert het gewicht van verdriet verkeerd in te schatten.

En toch. Als die Skypegesprekken van deze week waardevol waren – en dat waren ze –, dan had dat alles te maken met het feit dat de plaatsen waar mijn gesprekspartners naar verwezen voor mij kleur, klank en geur hadden. De stellingen die ze poneerden, kon ik uitdagen met eigen ervaringen, of met citaten uit de talloze gesprekken die ik zelf ooit voerde in Jammu & Kasjmir. De vele keren dat ik in het noorden van India was helpen me te begrijpen hoe ver een afstand van vijftig kilometer kan zijn als er voortdurend checkpoints staan, hoe diep en wijdverspreid de woede is, en hoe warm een aardewerken potje met gloeiende houtskool kan zijn in de winter, hoog in de Himalaya.

Ik blijf ervan overtuigd dat zo’n lokale kennis je geopolitieke analyse een pak degelijker maakt. Want wie niet aanwezig was bij de begrafenis van een jongen die gemarteld en vermoord werd in een staatsgevangenis, riskeert het gewicht van verdriet verkeerd in te schatten.

Maar misschien ben ik een nostalgisch journalist en overschat ik de waarde van dat moeizame gestuntel aan de andere kant van de wereld, terwijl ik gemakshalve de ecologische voetafdruk van al dat reizen onder de mat veeg. Benieuwd hoe jij daarnaar kijkt.

***

Gie, dat ‘gestuntel aan de andere kant van de wereld’ is vandaag even noodzakelijk als gedurende jouw hele loopbaan, daar ben ik van overtuigd. De meningen van politici, bedrijfsleiders of internationale activisten krijg je in Brussel heel eenvoudig. Die rollen je mailbox binnen. De meningen en ervaringen van uitgesloten of kwetsbare mensen zijn schaarser, en per definitie interessanter.

Als je te weten wil komen hoe een twaalfjarig meisje in Rwanda na de genocide in de prostitutie belandde om haar broertjes naar school te kunnen sturen, als je wil begrijpen waarom volwassenenonderwijs in Madagaskar een alleenstaande moeder een uitzicht biedt op een beter leven, dan moet je durven reizen en samenwerken met lokale spelers. Dan moet je die mensen zélf aan het woord laten.

© Iratxe Alvarez

© Iratxe Alvarez

Maar dure reizen, en dan doel ik ook op de kost voor ons klimaat, zijn vandaag niet meer verantwoord als ze louter dienen voor interviews en gesprekken met professoren, politici of andere mensen die net als wij elke dag grotendeels online doorbrengen. De ecologische voetafdruk van reizende journalisten kan niemand nog negeren. Zeker wanneer die journalisten zich, terecht, kritisch uitlaten over hoe we allen systematisch de grenzen van de planeet negeren. Zij die belang hebben bij het status quo bewapenen zichzelf en kunnen hun verantwoordelijkheid ontlopen door kritische journalisten te beschuldigen van hypocrisie.

Wie vindt zonder die mobiliteit nog de zwakkeren op onze aardkluit?

We zitten gevangen tussen enerzijds het gegeven dat het vandaag voor veel journalisten een luxe is om de plek waarover je schrijft te bezoeken en anderzijds de terechte roep van activisten om de vanzelfsprekendheid van vliegreizen in vraag te stellen. ‘Een levenswijze die uitgaat van continue mobiliteit komt hortend en stotend tot stilstand. Ons leven zal fysiek beperkt en meer virtueel zijn dan voordien’, schreef John Gray naar aanleiding van de COVID-19-crisis in de New Statesman. Als dat klopt, dan staat de mondiale journalistiek opnieuw voor een enorme uitdaging. Wie vindt zonder die mobiliteit nog de zwakkeren op onze aardkluit? Wie neemt nog de tijd een betrouwbare vertaler te zoeken om met hen te spreken? Wie proeft nog het traangas dat op hen wordt afgevuurd?

De journalisten die deze mensen nog wél opzoeken, botsen op een andere vraag die ik jou wil voorleggen: hoe blijf je hoopvol? Hoe blijf je hoopvol wanneer een gigantische gezondheidscrisis de meest kwetsbaren treft, wereldwijd en golf na golf, en de ingebakken ongelijkheid in onze maatschappijen versterkt? Hoe blijf je hoopvol met alle smeulende conflicten, dictatoriale regimes en bedreigingen voor de mensenrechten op onze planeet?

Ik ben geboren eind 1991. Ik was nog geen tien jaar oud toen het startschot voor de desastreuze war on terror werd gegeven en kon sindsdien, tussen de financieel-economische crisis en toenemende invloed van antidemocratische actoren door, misschien onvoldoende getuige zijn van hoopvolle evoluties.

Maar hoop is vandaag een plicht voor elke burger, elke journalist, elke hoofdredacteur. Zeker wanneer de beschaving die we kennen zich steeds meer openbaart als niets meer dan een kaartenhuis, zoals Paolo Giordano het onlangs neerschreef in zijn In tijden van besmetting. Hoe hou je vast aan de hoop, Gie?

***

Jago, je vraag is een echo van wat ik zelf ooit neerschreef: ‘Wat blijft er over van hoop als zowat elke menselijke ondeugd als koopwaar aangeboden wordt, en als geen enkel menselijk domein nog ontsnapt aan financiële berekening of toenemende concurrentie? Waarover spreek je als je het vandaag over hoop hebt?’

Het was toen oktober 1999 en we hadden dat najaar een serie speciale katernen lopen over geloof, hoop en liefde. Misschien ken je het befaamde vers uit de Bijbelse brief die de apostel Paulus schreef aan de jonge gemeente in Korinthe: ‘Deze drie dingen blijven altijd bestaan: geloof, hoop en liefde; maar de liefde is het voornaamste.’ Of misschien ken je het niet, want wie in 1991 geboren is, behoort tot het post-kerkelijke land waarin we vandaag wonen.

In elk geval: volgens Paulus zijn hoop en geloof minder belangrijk dan liefde. Dat stelt mij gerust, want ik ben niet zo goed in hoop. Rond hoop hangt een geur van overgave, van verwachting zonder strijd, van krijgen zonder vechten. Ik vind niet dat je moet hopen dat het goed komt met de wereld, je moet daarvoor werken en knokken, samen met anderen.

Voor de volledigheid: ook in liefde ben ik niet zo sterk, maar daar vraag je gelukkig niet naar. ‘Hoop is als onkruid,’ schreef ik toen het vorige millennium afliep, ‘ze laat zich niet verdelgen en ze groeit net op die plaatsen waar het niet uitkomt. Niet in instellingen of gevestigde organisaties, niet dicht bij de macht en niet onder de schijnwerpers van de commercie. Hoop is ook nooit eenduidig. Ze is kwetsbaar, wankelbaar en zelfs tegenstrijdig.’

Er is dus hoop, actieve hoop, en die zit in wat mensen doen, voor elkaar, voor een betere wereld, voor een duurzametoekomst. Hoop zit niet in de marketingafdeling die via algoritmes en aangekochte privégegevens van burgers berekent waarmee politiek of commercieel winst te boeken valt, maar in de onberekende menselijkheid. En die loop je voortdurend tegen het lijf.

In het essay Belief in the Love of the World schrijft Alice Walker: ‘Ik heb nog iets geleerd, namelijk dat ook mensen die proberen de wereld te veranderen, gebreken hebben. Maar het is juist de worsteling die ze aangaan met die gebreken en het feit dat ze – ondanks het besef hoezeer ze soms tekortschieten – toch volhouden, die me van hen doet houden.’

Hoop is voor mij geen morele plicht, maar een menselijke genade.

Hoop is voor mij geen morele plicht, maar een menselijke genade. Iets dat besloten ligt in strijd, menselijkheid en politieke tederheid. In mensen die hun handen vuil maken. Alice Walker, dat was iemand die ik al wou interviewen voor ik echt in de journalistiek terecht kwam. Ze staat dertig jaar later nog altijd op mijn wenslijst.

Het is niet makkelijker geworden om bijzondere mensen te pakken te krijgen voor een interview, nu werkelijk alles door verkopers geregeld wordt. Ik ben sinds eind vorig jaar bezig met een interviewverzoek aan iemand die er alles aan wil doen om de wereld te behoeden voor de klimaatramp die recht op ons af komt, behalve een interview inplannen als dat niet strookt met de marketing van haar nieuwe boek.

Frustratie hoort er dus bij. Maar alles bij elkaar behoren grote interviews en tientallen gesprekken voor onderzoeken en reportages tot de privileges van de mondiale journalistiek. Ik mocht tijd doorbrengen met Toni Morisson, Buchi Emecheta, Chimamanda Ngozi Adichie, Helen Oyeyemi en Maryse Condé – om maar een paar van de bekendste “zusters” van Alice Walker te noemen. Dat is fantastisch, toch?

Het interview met Oyeyemi was het langste ooit: zeven uur, op een terras in Praag. Zij dronk warme witte wijn met kaneel, ik koffie, daarna rood op keldertemperatuur. We sloten af met iets van Novastar, The best is yet to come, denk ik. Dat is in elk geval een titel die past bij de opvallende en assertieve aanwezigheid van Afro-mondiale stemmen in de media. MO* was daar vroeg bij, met onder andere Chika Unigwe, Olivia Rutazibwa, Nozizwe Dube, Sabrine Ingabire en Lisette Ma Neza als prominente pennen. Tien jaar geleden waren we daarin voortrekkers, vandaag is de zwarte stem geëxplodeerd, in de positieve betekenis.

De woede om racisme en structureel onrecht was zo groot dat een breed, divers koor van stemmen de maatschappij ter verantwoording roept. Dat geeft hoop, vind ik. Maar het is ook een uitdaging. Want MO* moet morgen meer en beter gestalte geven aan de roep om ook de journalistiek te dekoloniseren. Heb je daar al plannen voor?

***

Gie, the best is yet to come, wie weet. Ook ik werd hoopvol toen jongeren hier via de zoveelste #BlackLivesMatter-golf onze media dwongen om eindelijk de ogen en oren te openen voor mensen die normaliter dag na dag genegeerd worden. De vragen van de mensen die, ondanks de coronapandemie, op straat kwamen om racisme en discriminatie aan deze kant van de oceaan aan te klagen, waren bescheiden.

Maar ze werden vrijwel onmiddellijk en nagenoeg compleet van tafel geveegd. Dat gebeurde met behulp van goedkope aanvallen op stropoppen, én ook door enkele progressieve stemmen die zich ingehaald voelden door de straat. Voor hen leek het toch allemaal plots té snel te gaan, ondanks soms jarenlange mooie praatjes over werken aan een inclusieve samenleving.

Zoals steeds versplinterde ook deze massabeweging. Enkele standbeelden verdwenen, al dan niet tijdelijk, en onze koning betuigde zijn spijt. Ik blijf, net als een grote groep Vlamingen, op mijn honger zitten. Want ernstige discussies over politiegeweld in ons land en de discriminatie waar velen dagelijks tegen moeten opboksen, zijn er nog steeds te weinig.

De Amerikaanse schrijver en essayist James Baldwin had het in een interview in 1961 over zijn Verenigde Staten, maar ik citeer hem graag met mijn Vlaanderen in het achterhoofd: ‘Ik ben niet meer kwaad op dit land: ik maak me er ernstige zorgen over. (…) Het land heeft geen idee wat het zichzelf heeft aangedaan.’ Baldwin had het natuurlijk over de loodzware erfenis van zijn land, dat zijn voortbestaan en rijkdom dankt aan de slavernij en het bewust vernietigen van zwarte levens. Maar beseft ook Vlaanderen wat het zichzelf aandoet door grieven van burgers met buitenlandse wortels onvoldoende ernstig te nemen? Beseffen we welke schade racisme en discriminatie dagelijks aanrichten? Beseffen we hoeveel talent en energie er verloren gaan? Ik maak me daar ernstige zorgen over.

Ook onze redactie heeft nog veel werk aan de winkel: kritische berichtgeving over dekolonisering in de ontwikkelingssamenwerking én het bereiken van een divers publiek dat onze samenleving weerspiegelt.

Het klopt dat MO* al jaren bewust ruimte maakt voor een brede diversiteit aan pennen en de expertise en inzichten die ze bieden, en in hen investeert en ervan geniet. En de redactie is natuurlijk altijd blij wanneer getalenteerde mensen plots ook in andere media opduiken en daar zelfs meer aandacht krijgen. Maar ook wanneer zwarte mensen opnieuw van onze televisieschermen en krantenpagina’s verdwijnen, moet MO* vasthouden aan zijn koers en verdere stappen durven zetten. Als media mensen uit minderheidsgroepen gebruiken als kanonnenvoer in ruil voor een groot bereik, en blind zijn voor de menselijke kost van alle negatieve publieke aandacht en de specifieke uitdagingen voor die mensen wanneer ze zich in de publieke ruimte begeven, moet MO* het beter doen.

Ook onze redactie heeft nog veel werk aan de winkel: kritische berichtgeving over dekolonisering in de ontwikkelingssamenwerking én het bereiken van een divers publiek dat onze samenleving weerspiegelt. Heel veel werk.

***

Jago, mooi dat je duidelijk je ambities uitspreekt om op het vlak van diversiteit verder te gaan dan we vandaag al doen. Je hebt gelijk: praten over mondiale uitdagingen kan anno 2020 niet meer vanuit een witte onschuld, maar moet vertrekken vanuit de gekleurde perspectieven van een superdiverse wereld.

Een van de uitdagingen daarvoor zit volgens mij in het basisgereedschap van de journalistiek: taal. We koesteren het Nederlands, tegen het binnenlekkende Engels in, maar zelfs in de Lage Landen is “onze taal” niet voor iedereen toegankelijk. We zijn te vaak gespecialiseerd, te weinig meeslepend of creatief. En we beseffen vaak niet dat de visies, ervaringen en erfenissen van landgenoten met een migratiegeschiedenis niet zonder meer passen in de woorden en begrippen die we hanteren.

‘Wie toegang heeft tot een andere taal krijgt ook toegang tot een andere ervaringswereld, een andere wereldvisie.’

‘In een taal worden ervaringen van voorbije generaties opgeslagen en doorgegeven. Een taal biedt het kader waarbinnen mensen hun eigen realiteit kunnen begrijpen’, zei een jonge documentairemaakster, Palesa ka Letlaka, me in Johannesburg. Het was een jaar na de magische eerste democratische verkiezingen in Zuid-Afrika en Nelson Mandela wou dat de conversatie in het nieuwe Zuid-Afrika alle kleuren van de taalregenboog zou krijgen.

Maar zelfs de erkenning van elf nationale talen kon de machtsstrijd om de dominantie niet de wereld uit helpen. ‘Wie toegang heeft tot een andere taal,’ zei Letlaka, ‘krijgt ook toegang tot een andere ervaringswereld, een andere wereldvisie. Andersom is het verdringen van een bestaande taal niet veel anders dan het ontkennen van de legitimiteit van de culturele traditie die erin vervat zit.’

© Iratxe Alvarez

© Iratxe Alvarez

In wezen is de uitdaging waarover Letlaka het heeft al sinds dag één cruciaal voor MO*. We willen onze visie niet opleggen aan de realiteit elders. Maar het wordt steeds duidelijker dat die diversiteit van visie en ervaring ook in de eigen samenleving en dus in ons eigen lezerspubliek zit. De manier waarop we daarmee omgaan, zegt iets over ons bewustzijn van macht en ongelijkheid.

‘Taal is een plek waar strijd geleverd wordt’, zei Palesa ka Letlaka. ‘Een zwarte die zich waagt in een traditioneel blank territorium, zoals de media, de bankenwereld of het parlement, moet zich altijd aanpassen. Het is het oude verhaal van Robinson Crusoë en Vrijdag: het is Vrijdag die de communicatie mogelijk maakt door de taal van de aangespoelde blanke te leren, niet andersom.’

***

Gie, mooi dat onze briefwisseling lijkt te eindigen in Zuid-Afrika. Het eerste land waar ik ooit op reportagereis ging, toen nog als webredacteur voor MO*, en waar ik mijn echtgenote leerde kennen.

Palesa ka Letlaka heeft het bij het rechte eind. Taal is nooit neutraal en is steevast de inzet en het resultaat van politieke en maatschappelijke strijd. Het publieke debat wordt in onze contreien historisch gedomineerd door witte mensen.

Niet-witte mensen slikken die dominantie terecht niet langer. Ze vonden hun weg naar hun huidige thuisland via migratiestromen, die niet in het leven werden geroepen door mensen die hun land achter zich lieten, maar door mensen die hen daartoe dwongen. Denken we maar aan de ‘oorlogsgeleerden’ die Wannes Van de Velde als geen ander kon verachten.

‘Wij zijn hier omdat jullie daar waren’, zoals Suketu Mehta het zo krachtig omschrijft in zijn Manifest van een immigrant, zonder het zelfs te hebben over de meest walgelijke uitwassen van die witte dominantie: ‘Wij migranten vinden dat er nooit eerlijk spel is gespeeld: eerst werden we door de rijke landen gekoloniseerd en van onze schatten beroofd en mochten we geen eigen industrieën opbouwen. Pas nadat we eeuwenlang geplunderd waren, gingen de rijke landen ervandoor – met achterlating van grenzen op de kaart die eeuwige strijd tussen onze gemeenschappen garandeerden. Vervolgens werden we als “gastarbeider” naar de rijke landen gehaald (…), maar mochten we onze gezinnen niet meenemen. En nadat ze daar hun economie hadden opgebouwd met onze grondstoffen en onze arbeid, vroegen ze ons terug te gaan en reageerden ze verbaasd toen we dat niet deden.’

Ongeacht hoeveel energie het ook zal kosten, MO* wil een eerlijk spel spelen. Dat zullen we blijven doen door middel van journalistiek werk dat menselijke waardigheid en rechtvaardigheid voor iedereen en solidariteit met kwetsbaren en verdrukten vooropstelt.