Rita Ndzanga (1933-2022): ‘Dit is het verhaal van alle mensen die weten hoe het voelt om vertrapt te worden’

Extra

Postuum portret van een anti-apartheidsstrijdster

Rita Ndzanga (1933-2022): ‘Dit is het verhaal van alle mensen die weten hoe het voelt om vertrapt te worden’

21 september 2022

Tot op de dag van haar overlijden, woensdag 17 augustus 2022, kon anti-apartheidsstrijdster Rita Ndzanga de pijn uit de martelkamers nog voelen. Ze is bij ons minder bekend dan medestrijdster Winnie Mandela, maar betaalde haar verzet tegen het brutale systeem van rassensegregatie minstens even duur.

Op de begrafenis van Winnie Mandela, activiste en ex-vrouw van Nelson Mandela, luistert journaliste Shanthini Naidoo vier jaar geleden naar de woorden van een kranige tachtiger: Rita Ndzanga. Die was samen met Winnie Mandela één van zeven vrouwen die op 14 oktober 1969 terechtstonden, na zes maanden eenzame opsluiting.

De begrafenis confronteert Naidoo met de tekortkomingen van de geschiedschrijving. Ze kent de verhalen van deze vrouwen niet, realiseert ze zich. Slechts 4 van de 7 van het bewuste proces zijn op dat moment nog in leven, beseft de journaliste. Ze wil de nog levende vrouwen, waaronder Ndzanga, vragen naar hun mening over de berichtgeving over de dood van Winnie Mandela.

‘Door Winnies overlijden werden we eraan herinnerd dat de vrouw in de apartheidsstrijd een heel andere rol kreeg toebedeeld dan de man.’

Rita Ndzanga wijst Naidoos vraag om een interview aanvankelijk af. Ook al werd de apartheid afgevoerd in 1990, Zuid-Afrika is nog altijd aan het helen. De dood van Winnie Mandela rijt oude wonden opnieuw open: berichten omschrijven haar als een losbandige, drankzuchtige vrouw, fraudeuse of zelfs moordenares, en dat maakt veel emoties los. Veel schrijvers, waarvan het merendeel vrouwen, stellen zich vragen bij de geschiedschrijving: was die wel even mild voor vrouwen als mannen?

Ndzanga beschouwt ook de krant van Naidoo, de lokale zondagskrant Sunday Times, als een van de wrede media. De op dat moment 85-jarige activiste wil maandenlang niet met de journaliste praten. Uiteindelijk slaagt die laatste er toch in het vertrouwen van Ndzanga te winnen.

Naidoo’s zoektocht naar de vrouwelijke leiders van haar eigen geschiedenis zal uiteindelijk leiden tot een boek, Vrouwen, verzet en Apartheid - dat nu ook in het Nederlands verschenen is. Het verhaalt over de 7 vrouwen die in oktober 1969 terechtstonden en die er vaak alles voor over hadden om de geïnstitutionaliseerde rassensegregatie van het apartheidsregime in Zuid-Afrika te bestrijden.

‘Door Winnie’s overlijden werden we eraan herinnerd dat de vrouw in de apartheidsstrijd, en in de geschiedenis, een heel andere rol kreeg toebedeeld dan de man’, schrijft Naidoo in het boek.

Folteringen

De 7 vrouwen waarvan sprake zijn Nomzamo Winnie Mandela, Martha Dhalmini, Rita Ndzanga, Thokozile Mngoma. Nondwe Mankahla, Joyce Sikhakhane en Shanti Naidoo (de gelijkenis met de naam van de journaliste is louter toeval).

Op die bewuste 14 oktober 1969 werden ze, net als 15 mannelijke activisten, samen voor de rechter geleid in de Old Synagoge in Pretoria. De 22 moesten zich verantwoorden voor hun vermeende overtreden van de Terrorismewet. Die moest zogenaamd het communisme onderdrukken, maar werd gebruikt om alle kritiek op de apartheid de mond te snoeren.

Bij gebrek aan bewijzen eindigde het proces met de vrijspraak. Maar na afloop werden ze gewoon opnieuw gearresteerd en verdwenen ze nog maandenlang achter de tralies. De zeven vrouwen betaalden een hoge prijs voor hun strijd tegen het brutale apartheidssysteem.

Vrouwelijke politieke gevangenen werden tijdens de apartheid extra hard aangepakt, zo blijkt uit onderzoek van professor Kalpana Hiralal (Universiteit KwaZulu-Natal). Hun gender werd vaak tegen hen gebruikt, stelt die. Eenzame opsluiting, aanranding, het hen ontzeggen van maandverbanden en de dreigementen dat hun kinderen zouden worden vermoord, lieten bij vrouwelijke politieke gevangenen zware littekens na.

Ma Rita was de vrouw die misschien wel het meest geleden heeft, deelt een van de andere voormalig gedetineerde activisten met journaliste Shanthini Naidoo.

‘Ik neem nog steeds pillen’, vertelt Rita Ndzanga een halve eeuw na de folteringen aan Naidoo, wijzend naar haar onderarm. Die knapte toen ze op bakstenen werd gegooid tijdens een van de vele ondervragingen. ’Ik kon de pijn vanaf hier voelen. Soms kan ik amper mijn hand optillen.’

Clandestien verzet

Rita Ndzanga werd zelf al op jonge leeftijd geconfronteerd met de gevolgen van de apartheidspolitiek. Ze werd geboren als Rita More en groeide op in Sophiatown, een multiculturele wijk in Johannesburg. Toen de National Party in 1948 aan de macht kwam en een politiek van segregatie invoerde, werd Rita’s wijk met geweld ontruimd en platgewalst. Afrikaanse, gekleurde, Indiase en Chinese families werden van elkaar gescheiden en naar verschillende getto’s verbannen.

Haar gevoel voor onrechtvaardigheid zou Rita Ndzanga later aanwenden in haar eerste baan, bij de bouw- en tegelzettersvakbond. Ze raakte er snel vertrouwd met het politieke werk. Het was het begin van haar langdurige inzet en strijd voor de rechten van de werkers die de Zuid-Afrikaanse economie draaiende houden.

Op haar werk ontmoette ze Lawrence Ndzanga, die in die periode actief leden rekruteerde voor het Afrikaans Nationaal Congres (ANC), onder ‘haar’ vakbondsleden. Met hem zou ze later trouwen. Hij sloeg voor haar ook de brug tussen het vakbondswerk en de anit-apartheidsstrijd.

Na hun huwelijk verhuisden ze naar het township Soweto. Het koppel raakte er bevriend met Shanti Naidoo, Joyce Sikhakhane en Winnie Mandela. De Ndzanga’s richtten in hun wijk een lokale afdeling van het ANC op, de politieke partij die streed tegen de rassensegregatie.

Maar de ban op het ANC, in 1961, maakte het leven van het jonge gezin snel bijzonder moeilijk. Ook het vakbondswerk van Ma Rita werd verboden. Het koppel kreeg in 1964 bovendien een eerste banning order opgelegd. Die sanctie werd onder het apartheidsregime vaak toegepast om de anti-apartheidsactivisten aan banden te leggen, hen de vrijheid te ontnemen om te wonen, te reizen en contact te hebben met andere activisten.

Het koppel had intussen vier jonge kinderen en leefde in armoede. Toch probeerden de Ndzanga’s hun engagementen voor de vakbond en de partij clandestien voort te zetten.

Erger dan de fysieke pijn was de pijn die Rita Ndzanga voelde voor haar kinderen, vertelt ze aan Naidoo. Samen met haar man Lawrence werd ze meerdere keren, midden in de nacht, door de apartheidspolitie uit bed gelicht. Niet wetend wie voor haar jonge kinderen zou zorgen, die huilend werden achtergelaten.

‘Ik heb mijn baby’s alleen achtergelaten’

(fragment uit het boek Vrouwen, verzet en apartheid van Shanthini Naidoo)

In de vroege ochtend van 12 mei 1969 werden Rita en Lawrence ruw gewekt door gebons op hun deuren en ramen. Er waren politiehonden, grote Duitse herders met blikkerende tanden, en felle lampen die door de ramen schenen, zodat de kinderen wakker werden. De politie doorzocht het huis urenlang, zonder zich te bekommeren om de vier Ndzanga-kinderen, die krijsten van angst. Uiteindelijk namen ze boeken, privébrieven, krantenknipsels en foto’s mee die niets te maken hadden met politiek of die, als dat wel het geval was, niet verboden waren. Niets daarvan is ooit teruggegeven. Na afloop van de huiszoeking werden Rita en Lawrence naar Pretoria Central Prison gebracht.

Het was niet de eerste keer dat ze opgepakt werden. ‘Ik denk dat mijn man en ik drie of vier keer zijn opgepakt. We moesten onze kleine kinderen hier achterlaten. En denk je dat ze dachten aan mijn kinderen? Vergeet het maar.’ Dat ze haar kinderen alleen moest laten, was Ma Rita’s grootste zorg.

Het echtpaar werd in hechtenis genomen en zou in eenzame opsluiting blijven, zonder nieuws van of over hun kinderen. Hoewel de kinderen later die dag in veilige handen waren, zag Ma Rita in nachtmerries en angstvisioenen tijdens de verhoren steeds weer dat beeld, hoe ze die vroege ochtend alleen achterbleven. Zelfs vandaag kwelt die herinnering haar soms nog.

Spoorloos verdwenen

Familie en vrienden werden niet geïnformeerd over de arrestaties, en het waren meestal de buren die opeens merkten dat het stil was in het huis ernaast. Voor de familie was het moeilijk om op zoek te gaan in alle gevangenissen. Mensen die werden opgepakt waren spoorloos verdwenen, tenzij iemand toevallig iets ter ore kwam. Rita en Lawrence zaten geïsoleerd en wisten niet waar de ander zat, en of die nog vastzat. Er was hoe dan ook weinig jurisdictie over de toepassing van de wet op het terrorisme.

Ma Rita zou zes maanden gevangenzitten voordat ze in december voor de rechtbank verscheen. ‘Toen ik werd opgepakt, vertrok ik alleen met de kleren die ik droeg: een rok, een jas en een baret. Iets anders had ik niet bij me. Ik heb een half jaar in de gevangenis gezeten zonder schone kleren om aan te trekken.’ De door het ANC aangestelde advocaten brachten persoonlijke spullen zodra ze hadden achterhaald waar hun cliënten zaten. Korter voor de tweede rechtszitting mochten ze met de advocaat overleggen. Veel kon die echter niet meer doen, omdat de hechtenis al was verlengd met een jaar.

Vandaag, aan haar eetkamertafel, geeft ze met haar handen aan hoe klein haar kinderen waren toen Lawrence en zij gearresteerd werden. ‘Onze kinderen, drie jongetjes en een meisje. Ze waren nog klein’, benadrukt ze. ‘Het liet de apartheidspolitie koud dat zulke kleine kinderen alleen achterbleven. Mijn zus moest komen en bij ze blijven, toen ze later die dag hoorde over de arrestaties, maar dat wist ik niet.’ Ma Rita kreeg niet te horen wie er bij haar kinderen was, en ze voelde zich nog maandenlang schuldig dat ze hen alleen had gelaten die ochtend.

Vijftig jaar later is het trauma nog even vers. Ma Rita herhaalt: ‘Ik heb kleine kinderen, mijn baby’s, alleen gelaten. Niemand gaf erom. Zelfs de Anglicaanse Kerk kwam niet kijken. Het was hard, dat kan ik je wel vertellen. Wat konden ze doen, toen de politie hun vader en moeder had weggehaald? Als moeder huil je de ogen uit je hoofd, zoals elke moeder zou doen als ze kleine kinderen alleen achterlaat, zonder dat er iemand is om op ze te passen.’

‘Uw man is dood’

Rita Ndzanga en haar man werden opgepakt in mei 1969. Na 491 dagen opsluiting, het proces op 14 oktober en de daaropvolgende vrijspraak werden ze vrijgelaten. Ze kregen opnieuw een banning order van vijf jaar opgelegd.

Ma Rita bleef als enige van haar gezin achter in Zuid-Afrika.

Maar in 1976 werd het koppel opnieuw gearresteerd. De twee werden van elkaar gescheiden en apart ondervraagd. Nadat Ma Rita urenlang aan de tand werd gevoeld, zonder te mogen slapen, werd haar plots gevraagd of ze de echtgenote van Lawrence was. Een uur later kwam een cipier haar vertellen dat haar man dood was.

Lawrence Ndzanga is een van de 166 gevangen die tijdens de apartheid stierf in gevangenschap. Volgens de politie overleed hij tijdens de ondervragingen aan een hartaanval. Zijn vrouw mocht de begrafenis niet bijwonen en werd pas een dag nadien vrijgelaten.

Na het overlijden van hun vader verlieten de drie kinderen van Lawrence en Rita een voor een het land. De oudste leefde al in ballingschap in Tanzania. Ook de andere drie voerden hun strijd liever buiten de landsgrenzen. De anti-apartheidsstrijdster bleef als enige van haar gezin achter in Zuid-Afrika.

Eindelijk herenigd in Zuid-Afrika

Pas begin jaren ‘80 verstreek Rita Ndzanga’s laatste banning order. Ze ging vervolgens opnieuw aan de slag bij de vakbond. Ma Rita werkte mee aan de oprichting van verschillende multiraciale vakbondsstructuren en van koepelorganisaties zoals het United Democratic Front. Ook werd ze een van de drijvende krachten achter de heroprichting van de Federation of Transvaal Women.

‘Dit is niet mijn verhaal. Het is het verhaal van alle mensen die weten hoe het voelt om vertrapt te worden.’

Haar engagement bij de vakbond voerde haar eind jaren ‘80 naar Berlijn. Als lid van een delegatie werd ze daar na tien jaar herenigd met haar dochter Thami en zoon Cecil, die allebei in Duitsland woonden. Op de terugweg maakte ze nog een tussenstop in Tanzania, waar ze ook haar zonen Andile en Jongizizwe opnieuw in de armen kon sluiten.

Het was de laatste keer dat ze Jongzizwe zag. Niet veel later overleed hij aan de gevolgen van hersenvliesontsteking. Ook haar andere zoon Andile stierf veel te vroeg, in een auto-ongeval.

Pas toen het verbod op het ANC werd opgegeven, in 1990, kon Ma Rita met haar twee andere kinderen in Zuid-Afrika worden herenigd. Ze stelde zich kandidaat als parlementslid, en op 66-jarige leeftijd werd ze nog verkozen. Twee termijnen lang vervulde ze die plicht.

‘Dit is niet mijn verhaal’, deelde ze voor haar dood met journaliste Shanthini Naidoo. ‘Het is het verhaal van alle mensen die de apartheid niet aanvaardden, die ertegen streden. Ze zijn hier nog steeds. Het is het verhaal van alle mensen die weten hoe het voelt om vertrapt te worden, terwijl je je in het zweet werkt voor de welvaart van het land. Het is het verhaal van alle vrouwen, de moeders, die in de buitenwijken werkten, in de keukens, op hun knieën de vloer schrobden, de was en de strijk deden, voor niets. Die niet betaald werden.’

Ze bleef verbolgen over de kritiek op Winnie Mandela na diens overlijden. ‘Ik weet niet waarom mensen zulke dingen zeggen over iemand die is overleden’, vertelt ze. ‘Winnie was niet slecht. We moeten onthouden waar we vandaag komen en waar we nu zijn, dat is belangrijk.’

Rita Ndzanga overleed deze zomer op 88-jarige leeftijd.

Vrouwen, Verzet en Apartheid door Shanthini Naidoo. Uitgegeven door EPO, Antwerpen, 2021. 240 blz. ISBN 978 9462 6730 9 0