Tien tips voor wie boeken het mooiste geschenk vindt

Extra

Van beklijvende romans tot urgente non-fictie

Tien tips voor wie boeken het mooiste geschenk vindt

Tien tips voor wie boeken het mooiste geschenk vindt
Tien tips voor wie boeken het mooiste geschenk vindt

Elk boek is een geschenk van de auteur aan de samenleving, maar het kan natuurlijk ook gewoon een cadeau zijn dat je een geliefde of jezelf geeft. Tips nodig? Journalist Gie Goris neemt met u het stapeltje door dat hij de voorbije maanden las. Van beklijvende romans tot urgente non-fictie.

Elk boek is een geschenk van de auteur aan de samenleving, maar het kan natuurlijk ook gewoon een cadeau zijn dat je een geliefde of jezelf geeft. Tips nodig? Journalist Gie Goris neemt met u het stapeltje door dat hij de voorbije maanden las: acht beklijvende romans en vier urgente non-fictie boeken.

***

  1. De naakte mens (Stilte is mijn moedertaal door Sulaiman Addonia)

  2. Waar is thuis? (Homeland Elegies door Ayad Akhtar)

  3. Vluchten is een reis die niet op reizen lijkt (Ik ben Ahmad door Ahmad Ahmadyar)

  4. On the road naar La Frontera (Archief van verloren kinderen door Valeria Luiselli)

  5. Afdaling in het inferno (Tot het water stijgt door Maryse Condé)

  6. Abba, abba, lama sabachtani? (Gedachten over rouw van Chimamanda Ngozi Adichie)

  7. David tegen Goliath in West-Afrika (Hoe mooi wij waren door Imbolo Mbue)

  8. Achter de schermen (Achter het schild van Extreemrechts door Hind Fraihi en Bas Bogaerts)

  9. Argumenten voor aardbewoners (Een beter milieu begint niet bij jezelf door Jaap Tielbeke / Het is allemaal de schuld van de Chinezen! En andere dooddoeners over het klimaat door Tine Hens)

  10. Zusterschap haalt het van slavernij (De honderd waterputten van Salaga en Het diepe blauw door Ayesha Harruna Attah)

***

1. De naakte mens

Een roman moet je eigen ervaring of wereldvisie niet bevestigen, maar net uitdagen. Met geloofwaardige verbeelding, met empathie waar je die zelf niet kunt opbrengen, met een verhaal dat zo beklijft dat het opduikt wanneer je in de echte wereld gevraagd wordt om te kiezen. Als dat de definitie is van een roman, dan is Stilte is mijn moedertaal een Roman.

Het verhaal wortelt in de eigen ervaring van de schrijver. Sulaiman Addonia kwam als kind van een Eritrese moeder en een Ethiopische vader terecht in een Soedanees vluchtelingenkamp toen zijn vader- en moederland elkaar in een niets ontziende oorlog begonnen te bekampen.

Aan de oppervlakte van het verhaal bevinden zich een paar elementen van het vluchtelingenkamp zoals dat bestaat in de westerse beeldvorming: de afwezige infrastructuur, de uitzichtloosheid, de internationale hulporganisatie en de verschrikkelijke afhankelijk van de bewoners van haar overlevingspakketten of beloftes.

Stilte is mijn moedertaal gaat over mensen, met al hun mensenstreken en al hun mensenwensen.

Maar Stilte gaat niet over vluchtelingen of het vluchtelingenkamp. Ze vormen de setting. De roman gaat over mensen, met al hun mensenstreken en al hun mensenwensen. In een gesprek met Addonia spitte ik de grote thema’s van het boek uit: taal, traditie, gender, seksualiteit en vluchtelingen. Dat kan u hier nalezen.

Maar om dat goed te lezen, is dit citaat cruciaal: ‘De meeste verhalen over Afrika zijn gehuld in Grote Thema’s: oorlog, corruptie, uitbuiting, koloniale onderdrukking. Ik heb de Afrikaanse personages uitgekleed, laag na laag van die grote thema’s ontdaan, tot ik op hun naakte lichaam uitkwam. Het resultaat is een verhaal dat rond intimiteit draait. De mens, zijn of haar lichaam, de eigen dromen en beleving van seksualiteit, liefde en intimiteit. De gewone mens, ergens in een huis of een hut.’

Stilte is mijn moedertaal is een roman die heel essentiële thema’s op een uitdrukkelijk niet-thematische manier vertelt. De roman is ook altijd ingehouden. Niet enkel als het over Hagos gaat, de broer die stom geboren werd en die dus zorgvuldig communiceert zonder iets te zeggen. Ook Saba, de zus, wordt niet babbelziek, ook al wil ze alles zien, leren en begrijpen.

Doorheen het verhaal voel je toch hoe groot de indruk geweest is die het vluchtelingenkamp op de jonge Addonia gemaakt heeft en hoe hij zijn eigen zwijgzaamheid in die tijd laat doorsijpelen in deze roman die zijn eigen kindertijd als achtergrond heeft. Van de vele zaken die niet gezegd worden, maar die wel voelbaar zijn, is de ellendige tijdloosheid van het bestaan in het vluchtelingenkamp er een.

Nergens in Stilte wordt verwezen naar voortgang. Geen ‘week later’ of ‘toen Hagos en Saba een jaar in het kamp verbleven’… Het effect van die bewuste keuze is de ervaring dat de dagen inwisselbaar worden. Dat voorheen en later hun betekenis verloren hebben. Dat de tijd stilstaat. Maar niet het leven, want dat ontstaat binnen mensen en tussen mensen, ongeacht uur, tijd of dag.

Sulaiman Addonia is ongetwijfeld een van de grote literaire talenten die in dit land leven. Stilte is het eerste boek van hem dat vertaald werd in het Nederlands. Het is een indrukwekkend en beklijvend boek.

Stilte is mijn moedertaal door Sulaiman Addonia is uitgegeven door Uitgeverij Jurgen Maas. 272 blzn. ISBN 978 94 91921 88 9

***

2. Waar is thuis?

Het begint met de titel. Hoeveel mensen kunnen uitleggen wat een elegie is? En is er een Europese vertaling die het Amerikaanse homeland in al zijn betekenis en met al zijn impact kan weergeven? Zou Klaagzangen over het vaderland werken?

Niet echt, want het land van de vader is in deze roman net gecontesteerd: is het Pakistan (waar hij geboren werd) of is het de Verenigde Staten van Amerika (waar hij carrière maakte en een gezin stichtte, en dat hij door dik en dun verdedigt)? Bovendien gaat het verhaal ook over een vergelijkbare maar anders gewogen strijd van de moeder, ook uit Pakistan gemigreerd naar de VS, maar minder enthousiast over het land van aankomst.

Klaagzangen over het thuisland is ook niet goed, want dat roept te veel bantoestans op en veel te weinig de achterdochtige veiligheidsstaat die de VS werden na 9/11. Bovendien klinkt klaagzang te klagerig, en heeft het te weinig de diep culturele betekenis van een elegie. Treurzang zou al een eind beter op weg raken.

‘Ik kan enkel zaken verzinnen over gebeurtenissen die al plaatsvonden.’

Als twee woorden in de titel vertalen al zoveel problemen opleveren, dan geldt dat zeker voor de hele tekst van dit boek. De taal is bovendien high brow, eigen aan de literaire kringen waarin de hoofdpersoon zich beweegt.

Is dat hoofdpersonage – Ayad Akhtar geheten – de auteur zelf? Gedeeltelijk, wellicht. Als opdracht gebruikt de auteur een citaat van Alison Bechdel: ‘I can only make things up about things that have already happened.’

Maar elders in het verhaal zegt het hoofdpersonage dat zijn toneelstuk foutief gelezen wordt als autobiografisch. ‘Als ik een autobiografie had willen schrijven, dan had ik dat wel gedaan.’

Homeland Elegies speelt de hele tijd met de grens tussen feit en fictie. Als lezer moet je de zoektocht naar wat waar of wat verbeeld is opgeven eer je volop in het verhaal kan meegaan. Voor mij hielp dat om af te raken van de gène die je overvalt als iemand ongemakkelijke waarheden vertelt over zichzelf of zijn ouders, of over vrienden en kennissen. Zodra al die mensen personages worden, is al die openhartigheid draaglijker.

Tegelijk wordt Homeland Elegies nooit een roman zoals we ons die voorstellen. Er is immers niet alleen het spel met feit en fictie, er is ook de overlap tussen verhaal en essay. Daarbij houdt het verhaal een duidelijke focus op de levens van het Pakistaanse gezin in Amerika, ook al is het gewicht van de politieke evoluties na 11 september 2001 daarin heel nadrukkelijk aanwezig, als een soort vierde gezinslid dat patriarchaal stuurt zonder geraakt te worden.

Tegelijk verheldert deze roman de onderliggende ideologieën en dynamieken die het Amerika van de middenklassedroom torpedeerden en omvormden tot een dystopie waarin levens en gemeenschappen enkel nog koopwaar zijn. Hij verklaart de cruciale rol van schulden en corporaties voor de neoliberale revolutie sinds de jaren 1980. En hij weeft uitdagende analyses over moslimidentiteit en westers imperialisme door de ontmoetingen en familiale trouvailles.

Voor alle duidelijkheid: Akhtar doet dit zonder sloganesk te worden en zonder de vaart van het verhaal te breken. Dat is redelijk meesterlijk, vind ik.

Homeland Elegies gaat (ook) over de versmachtende impact van 9/11 op moslims in Amerika.

Wat deze roman overtuigend maakt, is de radicale kwetsbaarheid van alle personages. Zoals gezegd: die kwetsbaarheid en het menselijke falen die eraan ten grondslag liggen, worden soms ondraaglijk als je bedenkt dat het wel eens om een letterlijk verslag over reële mensen zou kunnen gaan. Maar ook als die mensen overgaan in romanpersonages, blijven ze geloofwaardig en blijft de barmhartige eerlijkheid waarmee Akhtar hun zuchten en zoeken vertelt eerlijk en ontroerend.

Dat wordt wellicht nergens duidelijker dan op het einde van de roman, als de vader aan zijn zoon vraagt of hij een goede vader geweest is. Of, ten minste, een beetje ok? Het is een vraag die wellicht elke ouder zich stelt. En omdat het zo’n vreselijke vraag is, wellicht nooit echt aan zijn of haar kinderen stelt.

Zo menselijk is Homeland Elegies dus wel, tussen, onder en na alle maatschappelijke urgentie. Want – heb ik dat al vermeld? – eigenlijk gaat het hele boek (ook) over de versmachtende impact van 9/11 op moslims in Amerika, en zeker op immigranten, en zeker als ze uit Zuid-Azië komen.

Homeland Elegies door Ayad Akhtar is uitgegeven door Tinder Press. 343 blzn. ISBN 978 1 4722 7688 9

***

3. Vluchten is een reis die niet op reizen lijkt

Afghanistan is de voorbije maanden prominent aanwezig geweest in de actualiteit. Dat is bijna nooit goed nieuws. De snelle opmars van de Taliban en hun verrassend plotse inname van Kaboel, de chaotische taferelen op de luchthaven toen westerse landen hun onvoorbereide en niet-gecoördineerde evacuaties uitvoerden, de humanitaire ramp die begonnen is en aanzwelt: het doet de gemiddelde Belg alleen huiveren en hoofdschudden. Of het voedt de angst en afkeer van een groeiende groep medeburgers.

Afghanen zijn ongemerkt een belangrijke groep binnen de groeiende diversiteit van onze steden en gemeenten geworden. De verhalen die ik dit voorjaar over hen publiceerde in het dossier De stad is ook van A., bleven niet onopgemerkt. Een van de reacties was de vraag van een uitgever om het verhaal van Ahmad Ahmadyar eens door te lezen. Mijn antwoord – ook een mini-recensie – belandde uiteindelijk achteraan in het boek, als een soort nawoord.

Vluchten is een reis die in niets op reizen lijkt. Dat een jongen van 9 nachten door de bergen moet trekken, de verschrikkingen van de oversteek in een rubberbootje moet doormaken, opgepakt en opgesloten wordt, zijn leven moet achterlaten en het elders opnieuw beginnen. En nog eens, en nog eens… dat krijg je moeilijk uitgelegd aan een Belgische jongere die bij reizen aan vakantie, avontuur, ontdekking en ontspanning denkt.

‘Mijn verhaal is niet het meest schokkende verhaal van een vlucht. En bijlange niet het enige’, schrijft Ahmad in het nawoord van zijn boek. Dat klopt, en net dat maakt zijn relaas zo noodzakelijk én onvoorstelbaar voor Belgische lezers.

Ik heb de voorbije maanden met tientallen Afghanen gepraat. Over hun vlucht, over hun aankomst, over hun worsteling met taal en reglementen, over hun onverwoestbare wil om door te gaan en opnieuw te beginnen. Telkens overviel me het gevoel dat ik tegenover een buitenaards wezen zat: jongens, moeders, meisjes en vaders die door de hel moesten om veiligheid, rechten en kansen te verwerven die voor een grote meerderheid in dit land vanzelfsprekend lijken.

Telkens hij als mens erkend en benaderd wordt, krijgt hij weer hoop. Maar die menselijkheid is schaars.

Toch zijn de Afghanen geen extraterrestrials. Dat blijkt alweer uit Ahmads verhaal. Ze hebben kou en kennen angst, ze twijfelen en worden woedend, ze zijn ontroerd of houden koppig vol.

Ahmad noteert het meer dan eens: telkens hij als mens erkend en benaderd wordt, krijgt hij weer hoop. Maar tijdens de lange tocht van Ghazni in Afghanistan naar Kortrijk in België is die menselijkheid schaars. Veel te schaars.

Toch overleeft hij, als mens. Hij wordt een elfjarige met de ervaring van een volwassene, en blijft tegelijk een jongen met dromen en ambities. Hij is volop bezig die waar te maken.

Intussen ziet hij echter rondom zich dat mensen zoals hij gewantrouwd worden, of erger: afgewezen, verworpen, weggestuurd. Dat triggerde hem om zijn eigen verhaal in voldoende detail te vertellen, zodat al wie hier is en daarvoor niet door de hel moest, toch een beetje zou begrijpen wat de werkelijkheid is die besloten ligt in dat ene woordje “vluchteling”.

Ik ben Ahmad is geen slachtofferverhaal, dat krijg je trouwens heel zelden te horen van Afghanen. Het is een overleversverhaal. Of beter: een verhaal over leven. Een verhaal dat oproept om samen de wereld menselijker te maken door de mens in elk individu te zien en de rijkdom in diversiteit.

Ik ben Ahmad door Ahmad Ahmadyar is uitgegeven door vzw Herkens. 147 blzn. ISBN 978 94 9313 650 2

***

4. On the road naar La Frontera

De roman is altijd al het strijdtoneel geweest van een vormenstrijd. Moet het om een verhaal met een duidelijk begin, midden en einde gaan? Of moet de vorm net alle zekerheden op losse schroeven zetten, zodat niet de personages op papier, maar de lezer zelf moet antwoorden op de essentiële vragen over zin en betekenis van het leven? Moet het verzonnen verhaal geloofwaardig zijn of net losgezongen van de realiteit? Mag het om een mengvorm van feit en fictie gaan en waar ligt dan de juiste of aanvaardbare grens?

Met haar Archief van verloren kinderen biedt de in Mexico geboren auteur Valeria Luiselli haar eigen en koppige antwoord op al die vragen.

De kern van haar verhaal wordt gevormd door de massale migratie van minderjarigen uit Centraal-Amerika die midden jaren 2010 media en beleid in de VS schokten. ‘Meer dan 70.000 niet-begeleide kinderen probeerden tussen april en juni 2014 de VS binnen te komen, vooral via de Vallei van de Rio Grande in Texas’, schreef Alma De Walsche daarover in MO*.

In Luiselli’s roman blijven de meisjes gewoon verdwenen: gezocht, maar verloren.

Luisella dramatiseert dat gegeven door het te personaliseren. In eerste instantie wordt het een verhaal van twee kinderen van een kennis die opgepakt zijn aan de grens en vervolgens “verdwijnen”.

Een klassiekere roman zou de alwetende schrijver dan tussen de verdwenen dochters transporteren, zodat de lezer hun worstelingen en moeilijkheden leert kennen. Maar in Luiselli’s roman blijven de meisjes gewoon verdwenen: gezocht, maar verloren. En daardoor nog niet echt gearchiveerd.

Een kleine tussenvoeging. Archiveren, documenteren en documentaires maken, maar ook geschiedenis herinneren en echo’s van het verleden of van alle gelijktijdige actualiteiten opvangen en bewaren zijn centrale begrippen in deze roman. Je kan zelfs stellen dat de hele constructie van de roman, zijn centrale personages en de verhaallijn daarover gaan.

Hoe horen we wat er rondom ons gebeurt? Hoe herinneren we ons wat er in het verleden gebeurd is? Hoe ordenen we de chaotische gebeurtenissen van vandaag en geven we hen zin voor onszelf en voor de toekomst, wanneer degenen die er niet bewust bij waren zich die zaken toch moeten herinneren?

In die zin is dit Archief ook een masterclass verhalende en herinnerende journalistiek.

Terwijl de dreigende crisis van de vluchtende kinderen aanzwelt, ontplooit de roman zich ook als een klassieke Amerikaanse road novel, niet toevallig met de nodige referenties naar On the Road van Kerouac. Een samengesteld gezin verlaat New York met twee eindbestemmingen: de plek waar Apacheleider Geronimo – de laatste vrije leider van de inheemse Amerikanen – zich overgaf aan het leger van de bezettende macht- en de plek waar de verloren kinderen de VS binnenkomen of van waaruit ze teruggevlogen worden naar hun gewelddadige herkomstlanden.

De levens van man en vrouw, zoon en dochter dreigen opnieuw uit elkaar te gaan omdat de projecten van de twee volwassenen niet langer gelijklopen. Maar dat is een oppervlakkige lezing, blijkt uiteindelijk.

Het verleden van kolonisering en genocide op de inheemse Amerikanen verweeft zich met de behandeling van vluchtelingenkinderen uit Midden-Amerika. Als de uitsluiting schering is, dan is het geweld door het militair-juridische apparaat de inslag.

Romantechnisch wordt die verwevenheid verbeeld door de laatste hoofdstukken die lezen als een beklemmende en in toenemende mate koortsige angstdroom. Die is opgeschreven als het feitelijke verslag van twee afzonderlijke kindertochten door de onbarmhartige woestijn van Arizona.

Persoonlijk vind ik dat hier wel iets te veel overgave van de lezer gevraagd wordt om de tocht van de twee New Yorkse kinderen ook helemaal geloofwaardig te blijven vinden.

Bovendien wordt net iets te veel de indruk gewekt dat de wanhoopstocht van “verloren kinderen” en de “avonturentocht” van de andere kinderen vergelijkbaar is. Quod non. Dat blijkt ook uit de afloop.

Het is ook iets te veel het gekende procedé van de Amerikaanse film over buitenlandse realiteiten: pas als er een hoofdpersonage is waarmee de doorsnee kijker zich kan identificeren, wordt het leed van de anderen gevaloriseerd en invoelbaar.

‘Dit hele gebied is een gigantische begraafplaats, maar er zijn niet veel mensen die een echt graf krijgen, omdat de meeste levens er niet toe doen.’

Maar deze enkele kritische kanttekeningen doen niets af van het monumentale karakter van deze roman, van de vele pakkende bedenkingen onderweg en de beklijvende ervaringen van de kinderen.

Een klein voorbeeld, halverwege de roman en onderweg naar de bestemming: ‘Dit hele gebied is een gigantische begraafplaats, zei papa, maar er zijn niet veel mensen die een echt graf krijgen, omdat de meeste levens er niet toe doen.’

Daarop volgt een mooie beschouwing over hoe mensen zichzelf en anderen zien en noemen. Apachen die zichzelf Nde (“mensen”) noemden en door anderen Apache (“vijand”) genoemd werden; hoe de Nde de anderen Indah noemden (zowel vijand, vreemdeling als oog). Hoe Mexicanen de blanken hueros noemden (zowel leeg als zonder kleur) en hoe Mexicaanse indianen de blanke Amerikanen borrado’s noemden (“uitgewiste mensen”).

Waarop de jongen besluit: ‘Ik hoorde het allemaal aan en was benieuwd wie er eigenlijk meer borrado, meer uitgewist waren. En wat het eigenlijk echt betekende om borrado te zijn en wie waar uitgewist werd, en door wie.’

Zo blijkt deze roman tegelijk ook nog een beschouwing over cancelen te kunnen zijn. Dé uitdaging is om in de vaart van het verhaal niet te vergeten om laag na laag tekst en betekenis af te pellen. Wellicht is een tweede lezing aangewezen.

Archief van verloren kinderen is een must read en wacht op een Europees antwoord, een Archief van verzonken dromen of zo.

Archief van verloren kinderen door Valeria Luiselli is uitgegeven door DasMag / Karaat. 438 blzn. ISBN 978 94 024787 9 5

***

5. Afdaling in het inferno

Misschien moet ik eerst bekennen dat ik een fan ben, nog voor ze de “alternatieve Nobelprijs voor Literatuur” kreeg in 2018. Dat was het jaar dat er geen echte uitgereikt werd omdat er te veel seksueel overschrijdend gedrag had plaatsgevonden binnen of rond de jury.

Maryse Condé heeft me anders doen lezen en anders doen kijken naar de betekenis en cultuur van transatlantische Afrikanen, zowel in West-Afrika als in de Caraïben. Van Ségou tot H__et onwaarschijnlijke en droevige lot van Ivan en Ivana, bijna altijd heb ik haar boeken met groot literair plezier verslonden. Dat Uitgeverij Orlando nu haar meer dan tien jaar oude Tot het water stijgt in Nederlandse vertaling uitbrengt, vind ik dan ook goed nieuws.

Toen ik Condé in 2005 interviewde, zei ze onder meer: ‘In het begin van mijn schrijverscarrière schreef ik in de geest van Aimé Cesaire, wat betekende dat elke “ik” eigenlijk “wij” betekende: wij, de afstammelingen van de zwarte slaven, wij Antillianen, wij vrouwen. Nu probeer niet meer de ambassadeur te zijn van welke groep dan ook. Ik wil en kan niet meer in naam van anderen spreken.’

Die individuele, literaire stem betekende ook dat ze meer ging experimenteren met de locaties van haar verhalen: ‘Ik voel me nu vrij genoeg om in mijn romans van de ene plek naar de andere te verhuizen. Vroeger vertrok ik van de idee dat je als mens altijd aan een bepaalde plaats toebehoorde. Intussen ben ik erachter gekomen dat het voor de menselijke natuur niet zo belangrijk is of je geboren bent in Parijs, Mali, New York of Guadeloupe. Wat telt, zijn de keuzes die je maakt, de ervaringen waardoor je getekend wordt, de mensen die je toelaat in je leven.’

Ik vermoed nu dat Tot het water stijgt het boek is waaraan ze op dat moment zat te werken: ‘Een boek over mijn grootmoeder, die stierf voor ik geboren werd. Er is bijna niemand te vinden die echt iets van haar weet en daardoor is ze, in zekere zin, geen “historische figuur”. Ze was een niemand, een zwarte vrouw in de Antillen die erg jong gestorven is.’

De queeste van Babakar naar liefde zorgt niet voor verlossing, maar brengt hem van de ene naar de volgende plek van verschrikking.

In elk geval verhuist het hoofdpersonage – niet de vroeg gestorven grootmoeder, maar een Malinese gynaecoloog – het hele verhaal door. Van Mali naar Canada, en verder naar Ivoorkust, Guadeloupe en Haïti, waar hij optrekt met een Libanees die eigenlijk een Palestijn is.

Hij leeft in voortdurend contact met zijn vroeg gestorven, eigenzinnige en vrijdenkende moeder, die afkomstig was uit Guadeloupe. Zijn eigen eerste, grote liefde komt om in Ivoorkust terwijl ze zwanger was van hun kind. Die ervaring wordt een obsessie die hem later “vader” maakt van het kind van – alweer een vroeg gestorven – vrouw uit Haïti.

De queeste van Babakar naar liefde zorgt niet voor verlossing, maar brengt hem van de ene naar de volgende plek van verschrikking. Condé plaatst het gebeuren in de context van politieke actualiteit, die soms gemaskeerd wordt, dan weer geëxpliciteerd.

Ze gebruikt daarvoor ook verschillende vertelperspectieven. Vier mannen en één vrouw – Babakar, Movar, Fouad, Roro Meiji en Estrella – vertellen hun eigen verhaal, wat telkens scharnierpunten oplevert waarop de roman een nieuwe wending neemt.

Het zijn die verhalen die echt overtuigen. Het overkoepelende narratief mist een doorleefde geloofwaardigheid, al was het maar omdat Babakar elk bloedbad, elke burgeroorlog en elke ramp zonder kleerscheuren overleeft. Maar het is dan ook wellicht niet Maryse Condés bedoeling een verhaal te vertellen dat de toets van de realiteit kan doorstaan. Een roman is geen reportage of geschiedenisles, vindt ze.

De personages en de verscheurende contexten waarin ze terecht komen, overleven of ten onder gaan, vormen samen een bezinning op idealen, menselijke kwetsbaarheid en macht. ‘Als er al een schuldige is, dan is het deze verdomde tijd waarin wij het ongeluk hebben te leven’, roept Babakar op een nacht uit tegen Fouad. Dat vat een beetje de rode draad van de roman samen.

Tegen het einde van de roman formuleert hij dat nog wat specifieker in deze bedenking: ‘Al die onbegrijpelijke spelletjes die schuilgaan achter grote woorden als democratie, anti-imperialisme en nationale identiteit. Zijn het, als puntje bij paaltje komt, niet louter machtsspelletjes?’

Daarmee geeft Condé ook aan dat ze weinig geloof meer hecht aan beloftes die ideologieën inhouden. Thecla, de blauwogige moeder van Babakar, bezoekt hem in zijn dromen.

Halverwege de roman spot ze met hem en zijn vrienden en noemt hen – in een ironische verwijzing naar haar eigen roman uit 1993 – Kolonie de Nieuwe Wereld: ‘Een Arabier; een half-Creools, sub-Saharaanse Afrikaan en een Haïtiaan. Misschien gaat het wel om een nieuwe mensheid. Een mensheid zonder Europeanen, dat wil zeggen zonder ontdekkers-kolonisten, zonder meesters en zonder slaven of uitgebuite mensen. Jullie kunnen voor een rechtvaardiger wereld zorgen!’

Om geen misverstand te laten bestaan, schrijft Condé op de volgende regel: ‘Ze riep die woorden voordat ze met een schaterlach verdween.’

Tot het water stijgt is geen hoogtepunt in het oeuvre van Maryse Condé, daarvoor missen de personages vlees, bloed en geloofwaardigheid. Maar het geheel is wel een urgente bevraging van de schijnbaar onuitputtelijke menselijke capaciteit tot conflict, geweld en liefde.

Als ze het boek vandaag zou schrijven, konden Ethiopië, Venezuela, Jemen of Afghanistan bij op het parcours van menselijke zelfdestructie. En Mali zou nu, in een pijnlijke bevestiging van de kernboodschap van het boek, niet langer het vredige vertrekpunt zijn, maar een van de meest uitzichtloze voorbeelden van opstand, corruptie en verraad.

Tot het water stijgt door Maryse Condé is uitgegeven door Orlando. 287 blzn. ISBN 978 94 93081 90 1

***

6. Abba, abba, lama sabachtani?

Ik probeer alles te lezen dat Chimamanda Ngozi Adichie publiceert. Ze is een belangrijke literaire stem uit Afrika – al woont ze momenteel in de VS, en zou ik dus ook ‘uit de Afrikaanse diaspora’ kunnen schrijven.

Toen dit najaar de aankondiging van haar nieuwe boek arriveerde – al zou ik beter ‘boekje” schrijven, want zelfs op klein formaat en royaal met witruimte vormgegeven haalt de tekst nauwelijks 85 bladzijden – was ik dan ook meteen nieuwsgierig. Meer: het onderwerp sprak me meteen aan en ik wou weten wat een schrijfster als Adichie zou aanvangen met de dood van haar vader en haar rouwproces daarover.

Dit citaat is exemplarisch: ‘Je leert hoe rauw rouw kan zijn, doortrokken van woede. Hoe oppervlakkig condoleances kunnen klinken. Je leert hoeveel het bij rouw om woorden gaat, het gebrek aan woorden en het zoeken naar woorden. Waarom heb ik zo’n doffe pijn in mijn lendenen? Dat komt van het huilen, wordt me verteld. Ik wist niet dat we met onze spieren huilden. Het is niet de pijn die verbaast, maar de fysieke kant ervan; mijn tong smaakt afschuwelijk bitter, alsof ik iets onsmakelijks heb gegeten en vergeten ben mijn tanden te poetsen; op mijn borst een zwaar, afschuwelijk gewicht en inwendig het gevoel voor altijd te ontbinden. Mijn hart – mijn echte, fysieke hart, niets figuurlijks hier – rent van me weg, is zijn eigen aparte ding geworden dat te snel klopt, zijn ritme strookt niet met het mijne. Niet alleen de geest wordt aangetast, maar ook het lichaam, dat pijn doet en aan kracht inboet.’

De dood van James Nwoye Adichie kwam onverwacht en in een periode dat reizen tussen Nigeria en de Verenigde Staten zo goed als onmogelijk was. Niets had de auteur – die zichzelf omschrijft als een vaderskindje – voorbereid op dit onherstelbare verlies en er was weinig dat haar hielp om het te bevatten of te verwerken. Taal, het bloed dat door de aderen van een schrijfster stroomt, is dan het vanzelfsprekende toevluchtsoord om de eigen verwarring te bevatten, maar ook om de vaak gebrekkige omgang van de buitenwereld met de dood te beschrijven.

De kracht van dit boek: het gaat niet veralgemenen, abstraheren of sublimeren. Dat is ook de beperking.

Gedachten over rouw had misschien beter Gedachten over mijn rouw geheten. Het essay van Chimamanda is hoogst persoonlijk en individueel. Dat is de kracht van haar verhaal: het blijft bij de ik-persoon en gaat niet veralgemenen, abstraheren of sublimeren in historische of filosofische bespiegelingen.

Tegelijk werkt het ook beperkend, want er zitten naar mijn gevoel net te weinig openingen in om het een universeel verhaal te maken. Haar verhaal over rauwe en brutale rouw resoneert maar weinig met het verhaal van mijn eigen afscheid van mijn vader, die niet zo geheel onverwacht uit dit leven vertrok, en waarbij we allemaal aanwezig waren.

Ieder afscheid is fundamenteel persoonlijk, en dat is ruimer dan “individueel”, want het raakt ook de relaties, de gemeenschappen en de culturen waarvan we deel uitmaken. Ook die worsteling met traditie en verwachtingen wordt door Adichie scherp én persoonlijk beschreven. Het is een van de passages die heel erg universeel aanvoelen, ook al gaat het om cultureel heel specifieke gewoontes bij begrafenissen.

Bijna iedereen heeft wel eens het gevoel gehad dat de rituelen en geplogenheden in de weg staan van de eigen, individuele emotie. Tegelijk leren mensen gaandeweg ook wel dat formele en praktische verplichtingen die emotie maar even, in de eerste dagen, omzwachtelen en dat het gevoel alleen of achtergelaten te zijn daarna toch, laag na laag, bovenkomt.

Hoe Chimamanda Ngozi Adichie met dat langzame, zeurende aspect van rouw omgaat, komen we niet te weten. Haar Gedachten over rouw houden op voordat ze daaraan kan beginnen.

Wellicht was het beter geweest als de uitgever haar had kunnen of willen overtuigen om deze tekst een jaar te laten liggen en dan te gebruiken als een eerste, ongefilterde blik op wat rouw is, doet of betekent. Vanuit de schorre schreeuw van dit moment had ze dan verder kunnen kijken in de tijd en verder dan zichzelf. Met haar talent had dat een nog veel relevanter en indringender boek opgeleverd. Maar het is waarschijnlijk onweerstaanbaar om alles van Chimamanda meteen uit te brengen, want er zijn meer mensen zoals ik, die alles van haar willen lezen.

Gedachten over rouw van Chimamanda Ngozi Adichie is uitgegeven door De Bezige Bij. 88 blzn.

***

7. David tegen Goliath in West-Afrika

Het verhaal dat Imbolo Mbue vertelt in Hoe mooi wij waren is tegelijk heel actueel en van alle tijden, het is universeel én geworteld in herkenbare toestanden uit West-Afrika. Het basismotief is David tegen Goliath.

In Mbue’s roman wordt dat (het onooglijke West-Afrikaanse dorpje) Kosawa tegen (de almachtige Amerikaanse oliemultinational) Pexton. Maar terwijl David, Uilenspiegel en Asterix het altijd halen van de bezetter, biedt Imbolo Mbue minder hoop. De werkelijkheid heeft, net als de waarheid, haar rechten.

Pexton is Shell in Nigeria of Perenco in Kameroen, maar het kan net zo goed Glencore in Congo zijn of Chevron in Ecuador. De Goliath van de 21ste eeuw is niet alleen exponentieel veel groter, rijker en machtiger dan de inwoners van dorpen die hij bezet, verplaatst of vergiftigt, hij is ook slimmer en sluwer.

Toen Pexton met de exploratie van olie in de vallei begon, vroegen de dorpsoudsten zich af waarom het bedrijf niet gewoon palmbomen plantte als het olie nodig had, zoals men in het dorp al generaties deed.

De Goliath van de 21ste eeuw is veel groter, rijker en machtiger dan de inwoners van dorpen die hij bezet, verplaatst of vergiftigt, hij is ook slimmer en sluwer.

Met dat ene beeld schetst Mbue de onoverbrugbare kloof tussen de twee werelden: een grotendeels autarkisch dorp in het binnenland, afgesneden van onderwijs, consumptie en informatie, versus een kapitaalkrachtig bedrijf dat de autoritaire politieke macht op zijn hand houdt met smeergeld en dat onuitputtelijke middelen heeft om juridische procedures aan te gaan, te rekken en te winnen. De botsing tussen die twee werelden resulteert in een lange rij slachtoffers: van kinderen die vergiftigd raken tot protesterende inwoners die uitgeschakeld worden.

Hoe mooi wij waren is in zekere zin ook een verhandeling over verzet. Mbue weegt de terechte woede van de inwoners van Kosawa over het onrecht dat hen aangedaan wordt, en de frustratie over het gebrek aan impact dat hun protest heeft, zorgvuldig af tegen de mogelijkheden die ze hebben om daar wat aan te doen. Tussen David en Goliath introduceert zowel een collaborerende dictator als een Amerikaanse ngo, kortweg de Herstelbeweging genoemd.

Die Herstelbeweging wil de verontwaardiging die in de VS ontstaat door reportages in de media omzetten in compensaties voor de inwoners van Kosawa. Tegelijk probeert het de lokale woede binnen de perken van wat zij redelijk acht te houden. Enerzijds is de solidariteit reëel, anderzijds sluipt het gevoel van medeplichtigheid, of minstens organisatorisch eigenbelang hoe langer hoe meer in het verhaal. Daarmee vat Imbolo Mbue heel goed het gevoel dat westerse solidariteit voorwaardelijk en vooral beperkt is.

Het is niet dat het lokale verzet eenduidig of rechtlijnig geportretteerd wordt. Ook daarin zitten veel aspecten: van aanvaarding en vermijding tot ondoordachte acties, politieke weerstand en gewapend verzet. De jonge Thule en een handvol leeftijdsgenoten ontpoppen zich als centrale spelers in de zoektocht naar de beste manier om te vechten tegen het criminele verzuim van Pexton en voor de belangen van Kosawa. Thule kan, dankzij de middelen van de Herstelbeweging naar school, en later zelfs doorstuderen in New York.

Als vroegrijpe tiener begint ze klassiekers als Pedagogie van de onderdrukten (Paulo Freire) en De verworpenen der aarde (Franz Fanon) te lezen (wat gezien de context van quasi ongeletterdheid niet helemaal geloofwaardig is), en in de VS verzeilt ze in kringen van radicaal linkse denkers, waar ze uiteindelijk de geweldloze strategie van Martin Luther King aan overhoudt.

Haar jaren in de VS reflecteren wellicht de positie van de auteur die, zoals zoveel andere vertaalde auteurs uit Afrika, verhuisd is naar de VS. Dat perspectief is toch ook een beetje een zwakte van deze beklijvende roman, want het idee dat Amerika de enige bron is van kennis en inzicht laat te weinig ruimte voor lokale actie of agency.

Het voordeel van Thule’s passage in het centrum van de macht is dat ze gaat beseffen dat kennis niet volstaat, ook niet in de VS. Ze voelt aan dat ook hooggeschoolde samenlevingen niet in staat zijn de extractie door multinationals te weerstaan, en dat studeren dus wellicht wel een noodzakelijk maar tegelijk een onvoldoende antwoord is op de macht van de Goliath.

Kortom: al wie een urgent verhaal wil lezen en kan verdragen dat de afloop niet warm en hoopgevend is, wie de actualiteit in West-Afrika wil benaderen via een oeroude mythe, wie een kritische blik wil op westerse solidariteit, wie een bezinning zoekt op verzet: lees deze roman!

Hoe mooi wij waren door Imbolo Mbue is uitgegeven door De Bezige Bij. 495 blzn. ISBN 978 94 0318 650 4

***

8. Achter de schermen van extreemrechts

Ik begrijp dat schild van de titel wel, het verwijst naar de middeleeuwse mythes waarop extreemrechts in Vlaanderen bouwt. Toch was er een beter alternatief: Achter de schermen van extreemrechts.

Dat vat zowel het feit dat de auteurs de verborgen gehouden, interne keuken van de recente heropleving van Vlaams Belang onderzoeken, als het feit dat ze dat voor een groot deel doen door rond te struinen in gesloten groepen op internet en sociale media. De schermen van extreemrechts zijn geen paravents, maar beeldschermen die een ander beeld tonen voor ingewijden dan voor buitenstaanders.

De combinatie van onderzoeksjournalistiek en fotografie resulteert in een onthullend boek. Hind Fraihi beschrijft haar undercover aanwezigheid in de krochten van het extreemrechtse internet – als lid van gesloten groepen zoals de SheWolves, door het Vlaams Belang aangestuurde groepen waarin vrouwen gevormd en omkaderd worden om extreemrechts gedachtengoed te argumenteren en te verspreiden.

Bas Bogaerts werkt niet undercover, natuurlijk. Hij is, als beroepsfotograaf, net een uitdrukkelijk zichtbare getuige van extreemrechtse betogingen en bijeenkomsten. Zijn beelden zijn niet bedoeld om sensationele effecten te resorteren, al schokken ze wel vaak.

De zoektocht naar extreemrechts wordt bijzonder omdat beide auteurs hun eigen achtergrond en betrokkenheid daarbij verhelderen.

Wat de dubbele zoektocht naar de nieuwe golf extreemrechts ook echt bijzonder maakt, is dat beide auteurs hun eigen achtergrond en betrokkenheid daarbij verhelderen. Voor Hind Fraihi is dat een verhaal dat zowel teruggaat op een jeugd in een migrantengezin in het Vlaanderen van Zwarte Zondag als op haar eigen grote onderzoek naar de greep die het jihadisme begin jaren 2000 kreeg op het leven in Molenbeek.

Bas Bogaerts vertrekt van een familiegeschiedenis waarin Vlaams-nationalisme en collaboratie centraal staan. Wat die verschillende achtergronden en perspectieven samenbrengt, is een gezamenlijke zorg om radicalisering en electoraal succes van extreemrechts.

De toon van het boek is volgehouden nieuwsgierig, betrokken en analyserend. Er wordt niet neergekeken op de vrouwen of mannen die beschreven of geportretteerd worden. Ze worden niet weggezet als onwetend of onvolwassen.

Tegelijk worden de uitwassen van de extreemrechtse ideologie – met zijn smeulende verheerlijking van de naziperiode, zijn virulente racisme en xenofobie, zijn eigen versie van morele of etnische superioriteit – nooit geminimaliseerd of gerelativeerd.

In het laatste hoofdstuk van het boek vragen de auteurs zich af: ‘Wie zijn de feniksen van extreemrechts in Vlaanderen? Wat beweegt hen, wat beroert hen?’

Het is, in het licht van de anti-vaxbetoging van 21 november, een profetische vraag. Die succesvolle manifestatie werd immers opgezet en gecontroleerd door Feniks, een recente scheut aan de Schild&Vrienden-boom.

Woordvoerster Sarah Melis behoort, samen met Dries Van Langenhoven en vele andere jonge extreemrechtsen, tot wat Fraihi en Bogaerts omschrijven als ‘de überfatsoenlijken, erfgenamen van een katholieke hypocrisie waarbij een dubbelleven niet geschuwd wordt. Door een keurige sociale code zijn deze kleinburgerlijken amper te zien om betogingen en demonstraties. Ze dienen zichzelf en anderen wel online een racistische overdosis toe met de verkiezingen als ultiem epoche-moment.’

Extreemrechts helpt het succes van extreemrechts veel beter te verklaren dan een dik magnus opus van een socioloog.

(Achter het schild van) Extreemrechts door Hind Fraihi en Bas Bogaerts is uitgegeven door Pelckmans. 215 blzn. ISBN 978 94 6383 210 6

***

9. Argumenten voor aardbewoners

‘Een abject boekje.’ Met dat vernietigende oordeel gaf duurzaamheidsboegbeeld Jan Rotmans Een beter milieu begint niet bij jezelf in november een duw in de rug, want televisie en sociale media drijven op controverse. Dus mocht auteur Jaap Tielbeke enkele dagen later aanschuiven in Buitenhof om met Rotmans te discussiëren over de vraag hoe milieu, klimaat en vooral de mensheid gered kunnen worden.

Tielbeke legt nochtans heel goed uit in het boek dat die uitdagende titel geen cynisme bepleit, maar vertrekt van inzicht in de manier waarop de grote vervuilers hun eigen verantwoordelijkheid uitbesteden aan individuele consumenten. Daarbij krijgen ze trouwens de steun van overheden, die ook liever aan tafel zitten met captains of industry dan te luisteren naar hun eigen kiezers.

Het is paradoxaal in deze tijd, maar klimaatjournalisten zitten duidelijk in het defensief

Tielbeke bouwt zijn boek vervolgens op aan de hand van een serie mythes die het duurzaamheidsdebat vandaag domineren. Daarmee zit hij zowel inhoudelijk als qua aanpak helemaal op dezelfde lijn als ex-collega Tine Hens, die haar boek Het is allemaal de schuld van de Chinezen ook structureert rond wat zij dooddoeners noemt.

Het is paradoxaal in deze tijd, maar klimaatjournalisten zitten duidelijk in het defensief. Het offensief gaat grotendeels uit van megabedrijven die eerst ontkenning, dan scepticisme, later modernisme en nu inactivisme pushen, daarin geholpen door overheden en sociale media.

‘Het is niet waar’ wordt zonder blikken of blozen ingewisseld voor ‘Het is toch te laat’ of ‘Ons land is te klein om het verschil te maken’. Wat telt, is dat de economische status quo behouden blijft.

Beide boeken zijn twee zaken in één. Een vindplaats van heel veel informatie, die gehaald wordt bij wetenschappelijk eminente bronnen én een verzameling argumenten waarop klimaatbewuste burgers kunnen terugvallen als ze weer eens geconfronteerd worden met de ene of de andere mythe of dooddoener.

De mythes die Jaap Tielbeke aanpakt, zijn: het is de schuld van de mensheid; de groene consument is de oplossing; het is allemaal een kwestie van CO2-boekhouding; we komen eruit met een technofix.

Tine Hens bouwt haar boek rond deze tien dooddoeners: het klimaat is altijd al veranderd; hoe meer CO2, hoe beter voor planten; het is de overbevolking; dit land is te klein, het is de schuld van de Chinezen; technologie zal ons redden; we gaan toch niet terug naar de middeleeuwen; zonnepanelen zijn ook vervuilend; het is te duur; het is te laat; we mogen niet alarmistisch zijn.

Wie nog met geen enkele van deze “argumenten” geconfronteerd werd, woont op Mars. Wie op aarde woont, heeft er dus alle belang bij deze boeken te lezen.

Een beter milieu begint niet bij jezelf, maar dat ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid om te handelen. Als burger op de eerste plaats, als economische actor, en ook als consument. Maar het is de politieke transitie die al het andere mogelijk moet maken, niet andersom.

Wie vreest dat deze boeken een verengde blik op de planetaire crisis bieden (enkel klimaat, enkel CO2, …), die vreest onterecht.

Klimaatboeken concurreren niet. Dat bewijst Tine Hens door in haar Chinezen te verwijzen naar Tielbekes Beter milieu. Maar als u niet beide boeken kan lezen, dan zou ik toch de Chinezen aanraden.

Niet enkel omdat Tine Hens een gewaardeerde ex-collega is, maar ook omdat ze beter, vlotter en toegankelijker schrijft. En misschien vooral omdat ze een serie experts uit buiten- én binnenland introduceert waarvan je het bestaan niet vermoedde. Klimaatjournalistiek komt vaak neer op het vinden van die experts, en dat doet Tine als weinig anderen in ons taalgebied.

Helemaal vooraan in haar Woord Vooraf signaleert Tine Hens dat ze ‘al enkele jaren voor MO*magazine over de klimaat- en biodiversiteitscrisis’ schreef, ‘twee existentiële bedreigingen die onlosmakelijk met elkaar en met de menselijke aanwezigheid op de planeet verbonden zijn’.

Ook Tielbeke noteert dat ‘de ineenstorting van ecosystemen, het verdwijnen van insectenpopulaties, bodemvervuiling door mijnbouw of een drijvende vuilnisbelt in de oceaan… zich niet laat uitdrukken in CO2-equivalenten’. Wie dus vreest dat deze boeken een verengde blik op de planetaire crisis bieden (enkel klimaat, enkel CO2, …), die vreest onterecht.

Jaap Tielbeke, en zeker Tine Hens beseffen én beschrijven de volle breedte van de aanstormende crisis. En ze wijzen beiden in dezelfde richting voor een oplossing: een sturende overheid die de economie afhelpt van haar groei-obsessie en haar schreeuwende ongelijkheid tussen aandeelhouders en arbeiders.

Een beter milieu begint niet bij jezelf door Jaap Tielbeke is uitgegeven door Das Mag. 239 blzn. ISBN 978 94 9316 843 5

Het is allemaal de schuld van de Chinezen! En andere dooddoeners over het klimaat door Tine Hens is uitgegeven door EPO. 245 blzn. ISBN 978 94 6267 192 8

***

10. Zusterschap haalt het van slavernij

Hassana en Husseina zijn tweelingzussen en Aminah is hun oudere zus. Samen vormen ze de driehoek waarrond Ayesha Harruna Attah twee indringende verhalen weeft: De honderd waterputten van Salaga en Het diepe blauw.

Het begint in het dorp Botu, dat in de Sahel langs de karavaanroutes tussen Timboektoe en Sokoto ligt – ergens in hedendaags Burkina Faso of Niger. Het zijn onzekere tijden: al op bladzijde 22 zegt de vader van het gezin, voordat hij met zijn schoenen, laarzen en sandalen de markten van de brede regio gaat doen: ‘Veilig is het nergens. Maar we kunnen niet in angst leven. Ze blijven maar praten over de ruiters alsof het iets nieuws is… De ruiters, die zijn er omdat er landen zijn die koningen en koninginnen hebben. Juist in plaatsen als Botu, waar iedereen gelijk is, vind je geen slaven.’

De nacht dat “de ruiters” Botu aanvallen, zet het drama in gang. De meisjes worden als slaven meegevoerd door de meedogenloze overvallers, en de tweeling raakt gescheiden.

‘Juist in plaatsen als Botu, waar iedereen gelijk is, vind je geen slaven.’

In De honderd waterputten focust Attah op het leven en het lot van Aminah, die op een bepaald moment ook van Hassana gescheiden wordt. In alternerende hoofdstukken is Wurche het hoofdpersonage. Zij is de dochter van een koninklijke troonpretendent in Salaga-Kpembe, in hedendaags noordelijk Ghana.

Wurche legt zich niet neer bij haar vrouwelijke status en de daarbij horende verplichtingen en vooral verboden: ze wil een politieke rol van betekenis spelen. Daarin is ze duidelijk een dochter van haar vader, die zich ook niet neerlegt bij de positie van uitgerangeerde adel. Hij wil de nieuwe koning of Kpembawura worden.

Uiteindelijk zullen de levens van Aminah en Wurche in elkaar vervlochten raken, maar voor de roman is het vooral belangrijk dat Attah via haar twee personages een vrouwelijk dubbelportret van het leven in West-Afrika op het einde van de 19de eeuw schetst: voor de ene is het een bestaan als rechteloze slaaf, inclusief misbruik en vernedering; voor de andere is het een strijd voor emancipatie en het recht op liefde. En beiden moeten overleven in een periode van grote regionale spanningen en vooral van toenemende koloniale aanwezigheid van Britse soldaten en handelaars.

Attah slaagt erin om de complexiteit van die periode als onopvallend decor te gebruiken: de sluwe manier waarop de Britten coalities maken met concurrerende volkeren en via die verdeel-en-heers-tactiek aan gebiedsuitbreiding te doen. Tegelijk stellen de Britten zich op dat moment hard op tegen de slavenhandel, terwijl de Afrikaanse elite daar zonder problemen gebruik van blijft maken.

Slavernij en slavenhandel zijn emotionele onderwerpen die van alle kanten politiek geïnstrumentaliseerd worden.

Daarover correct en ongedwongen schrijven, is geen sinecure. Slavernij en slavenhandel zijn immers emotionele onderwerpen die van alle kanten politiek geïnstrumentaliseerd worden. Iedereen weet dat de Atlantische slavenhandel van de 16de tot 19de eeuw verwoestende effecten had op heel veel Afrikaanse samenlevingen en naties, terwijl die handel in menselijke personen onontbeerlijk was voor de plantage-economieën in de zogenaamde Nieuwe Wereld.

Voorafgaand aan en overlappend met de Atlantische slavenhandel werden miljoenen Afrikanen als slaven weggevoerd naar islamitische economieën in het Midden-Oosten of Zuid-Azië. En aan de basis van dit alles lag het ongemakkelijke feit dat slavernij een diepgewortelde institutie was, zeker in West-Afrika. De honderd waterputten uit de titel van het eerste boek zijn trouwens bedoeld voor het schoonwassen van slaven, voordat ze op de markt te koop aangeboden werden.

Toen de Portugezen een eerste schip vol slaven naar Brazilië stuurden, moesten ze niet zelf het binnenland in om dorpen te overvallen. De slaven werden hen aangeboden door lokale heersers. De meeste mensen die tot slaaf gemaakt werden, waren collateral dammage van de oorlogen die uitgevochten werden tussen concurrerende rijken en legers.

De ontmenselijking die samenhing met de Atlantische slavenhandel en met de slavernij in de Amerika’s ging veel verder dan wat in Afrika zelf gewoonte was. Het gewelddadige racisme sloot elk perspectief op waardigheid uit, terwijl de inheemse traditie wel rechten en mogelijkheid openliet, al bleven slaven ook in Afrika generaties lang onvrij en ongelijk.

Niemand wil slaaf zijn, ongeacht de meester. Dat begrepen de Britse abolitionisten eind 19de eeuw. Ze zetten hun morele verontwaardiging over slavernij in op een moment dat ze volop bezig waren met hun koloniale expansie.

Niemand wil slaaf zijn, ongeacht de meester.

Niemand wil slaaf zijn, ongeacht de meester. In zekere zin is dat een van de hoofdthema’s van Het diepe blauw. In die roman staat de tweeling Hassana-Husseina centraal. De opbouw herinnert aan De honderd waterputten van Salaga: het ene hoofdstuk verhaalt het wedervaren van Husseina, het andere van Hassana.

De eerste komt, via een passage in Lagos, terecht in gemeenschap van vrijgevochten Afrikaanse afstammelingen in Salvador de Bahia, Brazilië. De tweede passeert via een Brits-protestantse missie in Abetifi en belandt in Accra. Husseina wordt ondergedompeld in de candomblé, Hassana weigert de stap naar het christendom te zetten. Beide zussen hebben het juk van het slavenbestaan kunnen afwerpen, maar leven met het gevoel niet helemaal vrij te zijn zolang ze elkaar niet teruggevonden hebben.

De onverbrekelijke band tussen tweelingen geldt als een symbool voor de diepe banden van zusterschap, zonder dat te romantiseren. Er is de wens om die band achter te laten en de nieuwe kansen in het leven te grijpen. Er is de vraag wie van beide zussen roept en wie er antwoordt, wie kiest en wie volgt. En er zijn de nieuwe vriendschappen, liefdes en relaties die onafhankelijk van de andere opgebouwd worden.

De manier waarop de tweeling elkaar terugvindt, is puur toeval – of misschien wordt alles gedreven door de onderliggende kracht van de uitgewisselde dromen, over het diepe blauw van de Atlantische Oceaan heen. Dat magisch-realistische motief werkt perfect doorheen het verhaal, tot het helemaal op het einde net te ver gerokken wordt.

Maar om een tweeluik dat aaneenhangt van geweld, slavernij en afscheid toch te laten eindigen op een dubbel happy end, moet er al eens een beroep gedaan worden op een deus ex machina. Of die deus dan Iémanja of Otienu genoemd wordt, of God of Allah, doet er minder toe dan de vaststelling: we hebben geloofd in onze dromen.

Attah vermijdt het simplisme van zowel het slachtoffer- als het heldenverhaal

De drie zussen gaan elk op een eigen manier om met de gewelddadige breuk die de overval en het slavenbestaan veroorzaken. Op die manier vermijdt Attah het simplisme van zowel het slachtoffer- als het heldenverhaal, en haalt ze juist de diepe menselijkheid boven van elk meisje dat vrouw wordt in deze situatie.

De verhalen van Aminah, Wurche, Moro, Hassana, Rose, Amerley, Husseina (die Vitoria wordt), Yaya, Joaquim en de anderen bieden een kaleidoscoop aan perspectieven. Toch zou het zou mooi zijn als Attah dat ene loshangende draadje in de beide verhalen zou oppakken om er een derde boek mee te maken.

Heel vroeg in de honderd waterputten droomt de tweeling dat hun vader, die maar niet terugkeert van zijn handelstocht, opgesloten zit in een kamer zonder vensters. Daardoor wéten ze dat hij niet terugkeert.

Het verhaal komt ook in Het diepe blauw terug. Als lezer wil je weten wat er echt met de vader gebeurd is, en of zijn verhaal nog een ander licht kan werpen op de geschiedenis van de regio. Een trilogie, Ayesha Harruna Attah, lijkt dat geen aantrekkelijk idee?

Toen ik haar in oktober de vraag stelde, antwoordde ze: ‘Ja, ik ben ook benieuwd wat er met Baba gebeurd is en of zijn lot ons meer kan vertellen over de transsaharaanse slavenhandel. Alleen klinkt zijn stem niet zo luid als die van de tweeling. Of dat derde boek er dus komt, en wanneer, kan ik nu niet zeggen.’

De honderd waterputten van Salaga door Ayesha Harruna Attah is uitgegeven door Uitgeverij Orlando / Oxfam Novib. 270 blzn. ISBN 978 94 9208 684 6

Het diepe blauw door Ayesha Harruna Attah is uitgegeven door Uitgeverij Orlando / Oxfam Novib. 266 blzn. ISBN 978 90 8314 682 9