‘Wie tot slaaf gemaakt werd, verdient meer dan een anoniem bestaan’

Interview

Auteur Ayesha Harruna Attah duikt in het slavernijverleden van West-Afrika

‘Wie tot slaaf gemaakt werd, verdient meer dan een anoniem bestaan’

‘Wie tot slaaf gemaakt werd, verdient meer dan een anoniem bestaan’
‘Wie tot slaaf gemaakt werd, verdient meer dan een anoniem bestaan’

Toen Abdulrazak Gurnah de Nobelprijs voor Literatuur kreeg, twee weken geleden, was er even aandacht voor schrijvers uit Afrika. Maar die is alweer voorbij. Onterecht, want de literaire productie is er zo rijk en divers dat we er elke week uit kunnen putten. MO* sprak met de Ghanees-Senegalese auteur Ayesha Harruna Attah.

© Uitgeverij Vrijdag

Ayesha Harruna Attah: ‘Meteen besefte ik dat de betovergrootmoeder van mijn vader méér verdiende dan het anonieme bestaan in slavernij dat ze gekend had.’

© Uitgeverij Vrijdag

Slenterend langs schilderijen uit de Gouden Eeuw leest Ghanees-Senegalese auteur Ayesha Harruna Attah nieuwe verklarende bordjes die het slavernijverleden van de Lage Landen onderkennen. Het maakt haar tegelijk triest, boos en blij. Slaven verdwijnen in de donkere schaduw van de doeken of worden niet geschilderd. ‘Mensen die van hun naam en verleden beroofd werden, hebben nochtans wel dromen voor morgen.’

Als we de Eregalerij van het Amsterdamse Rijksmuseum binnenwandelen, wijst Ayesha Harruna Attah meteen Stilleven met een kalkoenpastei van Pieter Claesz aan, een doek uit 1627. ‘Zo’n schilderij trekt de schrijfster in mij aan’, zegt ze. ‘Het tafereel voert me meteen binnen in het dagelijkse leven van mensen uit die tijd en deze gewesten. Ik wil weten wat mensen aten, welk bestek ze gebruikten, hoe de tafel gedekt werd.’

Het Amsterdamse Rijksmuseum biedt elke bezoeker antwoorden op die vragen, al is het tentoongestelde Nederland natuurlijk het land van de elite en van een vervlogen tijd. Het waren de rijken die zichzelf en hun interieurs lieten schilderen, niet de boeren, marktvrouwen, vissers of herders.

Het Rijksmuseum is bedoeld om de glorie van Nederland als maritieme en koloniale wereldmacht te vieren. Dat is aan het gebouw te zien. Ook de collectie is vaak adembenemend. Als we dichter bij Claesz’ Stilleven komen, zien we een bordje met extra uitleg. Daarop wordt uitgelegd dat de Verenigde Oost-Indische Compagnie de kruidnagel en nootmuskaat, waarmee de spijzen op het doek gekruid zijn, in Nederland invoerden vanuit de Indonesische archipel. ‘Tot slaaf gemaakte mensen moesten op plantages de muskaatnoten plukken en ze ontdoen van het foelieblad.’ Bij een ander schilderij, van Johannes Vinckboons uit 1662, meldt het museum dat de VOC tussen 660.000 en 1,135 miljoen mensen verscheepte in de 17de en 18de eeuw.

De witte bordjes met extra informatie over slavernij vormen een bijzonder en behoorlijk indrukwekkend traject doorheen het Rijksmuseum. Het contrast met de originele uitleg bij de schilderijen is vaak frappant, zoals bij de levensgrote portretten van Oopjen Coppit en Marten Soolmans, door Rembrandt van Rijn. Op originele bordjes lezen we een beschrijving van de luxueuze kleding en wijst het museum op het grote precisiewerk van de schilder en het feit dat de zoon van een Vlaamse migrant rijk geworden was met suiker. Nu staat er ook dat de suiker in Brazilië geteeld, geoogst en verwerkt werd door Afrikanen die tot slaaf gemaakt waren. En dat Marten Soolmans een vrouw, Francisca genaamd, gevangen nam, opsloot en meermaals verkrachtte. Hij verstootte haar toen ze zwanger bleek.

Rembrandt van Rijn/Rijksmuseum Amsterdam

Portretten van Oopjen Coppit en Marten Soolmans door Rembrandt van Rijn. Slavenarbeid lag aan de basis van hun rijkdom.

Rembrandt van Rijn/Rijksmuseum Amsterdam

De tristesse van de Gouden Eeuw

Die toegevoegde commentaren zijn de reden waarom we ons gesprek hier starten. Ayesha Harruna Attah schreef met De honderd waterputten van Salaga en Het diepe blauw twee romans waarin slavernij in West-Afrika de centrale context vormt.

Attah groeide op in Ghana en woont in Senegal. Dat is ver van Nederlands-Indië, maar met de West-Indische Compagnie verschenen de Nederlanders vanaf 1621 ook aan de Afrikaanse westkust, van waaruit ze ongeveer 550.000 Afrikanen als slaven naar de Cariben en de Amerika’s verscheepten. Hoewel zowel in Nederland als in België de WIC louter als Nederlands geldt, werd die trouwens grotendeels opgericht en gefinancierd door mensen en met kapitaal uit de zuidelijke Nederlanden.

Het valt op hoe Attah de verklarende bordjes bijna letterlijk kan citeren – zo diep hebben de verhalen haar geraakt.

Na een dik uur confrontatie met het slavernijverleden van de Lage Landen laten we het museum achter ons en bestellen we een bakje troost – café do Brasil_!_ – in een koffiebar een paar grachten verder. Op de vraag wat zo’n bezoek met haar doet, heeft Attah twee antwoorden.

‘Enerzijds word ik daar vooral triest van. Niet alleen van het geweld dat mijn volk werd aangedaan, zoals de Afrikaan afgebeeld met een metalen halsband, maar ook van de manier waarop we onzichtbaar gemaakt worden: een slaaf zonder naam, een slaaf die bijna verdwijnt in de donkere schaduwen van het schilderij, de slaven die gewoon niet geschilderd worden.’

Attah stoort zich ook aan de hypocrisie. ‘Willem van Oranje heeft zich verzet tegen de Spaanse overheersing omdat ze de Nederlanden even wreed zouden behandelen als de kolonies in Zuid-Amerika. Diezelfde Nederlanden beginnen dertig jaar later, als onafhankelijke natie, zelf in tot slaaf gemaakte mensen te handelen.’ Het valt op hoe Attah de verklarende bordjes bijna letterlijk kan citeren – zo diep hebben de verhalen haar geraakt.

Anderzijds is ze, vanuit haar historische interesse, ‘blij dat deze informatie toegankelijk gemaakt wordt, dat mensen leren wat er echt gebeurd is.’ Dat is meer een rationele reactie, zegt ze, ‘maar die slaagt er niet in de onmiddellijke, emotionele impact te overstemmen’.

In ieders stamboom

Slavernij is een heel persoonlijk thema voor Ayesha Harruna Attah. Toen haar vader zijn stamboom opmaakte, bleek dat zijn betovergrootmoeder als slaaf leefde met zijn betovergrootvader. ‘We hebben zelfs geen naam van haar gevonden. Het enige wat we weten, is dat ze de witte hoofddoek droeg die haar in het polygame huishouden onderscheidde van de vrije vrouwen.’

Attah schreef postuum een eerbetoon aan haar tot slaaf gemaakte betovergrootmoeder. ‘Ik ken niet eens haar naam.’

Die ontdekking schokte Attah. ‘Meteen besefte ik dat die vrouw méér verdiende dan het anonieme bestaan in slavernij dat ze gekend had. Postuum had ze recht op een verhaal, op een leven, op keuzemogelijkheden. Dat heb ik haar willen geven met deze boeken.’

Met die ene anekdote verklaart Attah niet alleen de altijd dominante aanwezigheid van slavernij in de twee romans, maar ook de centrale rol die vrouwen erin spelen. Ze maakt meteen ook duidelijk waarom de slavernij waarover Attah schrijft slechts marginaal over de transatlantische slavenhandel gaat – al komt die zeker aan bod, als de dreigende zevende cirkel van de hel. Ze heeft veel meer aandacht voor slavernij als een institutie die al lang voor de komst van Europese handelaars bestond en waaraan West-Afrikaanse elites zelfs op het einde van de negentiende eeuw nog vasthielden.

Slavernij behoort nog heel erg tot het collectieve geheugen in West-Afrika, zegt Attah. Een paar jaar geleden vertelde ze aan iemand in een toevallige conversatie wat haar etnische achtergrond was, waarop die meteen repliceerde: ‘Oh, jullie waren slaven.’

‘Het was een terloopse opmerking,’ zegt Ayesha Attah, ‘van iemand wiens etnische achtergrond eerder aan de andere kant van het slavernijverhaal lag, en zonder aarzelen werd het gesprek verdergezet. Alsof er niets gezegd was.’

‘In het West-Afrikaanse onderwijs is er geen aandacht voor slavernij. Daarom spreek ik er net wel over.’

Betekent dat dat West-Afrikaanse samenlevingen die periode van slavernij helemaal verwerkt hebben? ‘Helemaal niet’, reageert Attah. ‘In de officiële geschiedschrijving en in het onderwijs is er geen aandacht voor. De nadruk ligt eerst en vooral op de grootsheid van de middeleeuwse imperia: het Mali-rijk, het Ghana-rijk, het Songhai-rijk. Daarna wordt gefocust op de koloniale bezetting, de uitbuiting en het antikoloniale verzet. Over de inheemse slavernij of over de verwoestende machtsstrijd binnen of tussen die rijken wordt nauwelijks gesproken. Daarom doe ik dat net wel.’

De strijd voor persoonlijke emancipatie

Het familie-epos in De honderd waterputten van Salaga en Het diepe blauw draait rond drie zussen, Aminah en haar jongere tweelingzusjes Hassana en Husseina, en hun zoektocht naar elkaar en naar een waardig bestaan. Op de achtergrond houdt Attah de geschiedenis voortdurend en steeds genuanceerd aanwezig. Ze vertelt over de vanzelfsprekendheid van slavernij en de impact daarvan op mens en samenleving op het einde van de 19de eeuw. ‘Op dat moment leven de mensen al bijna drie eeuwen met de voortdurende dreiging van een invasie die hen van hun vrijheid kan beroven. Stel je voor wat dat aan collectief en overgeleverd trauma kan betekenen.’

Michiel van Musscher/Rijksmuseum Amsterdam

Thomas Hees en zijn bediende Thomas en neven Jan en Andries Hees door Michiel van Musscher, 1687. Wie goed kijkt, ziet dat de 17-jarige bediende een metalen halsband rond zijn nek heeft.

Michiel van Musscher/Rijksmuseum Amsterdam

Tegelijk vertelt ze over de Britse abolitionisten die hard optreden tegen slavenhandel. De Britten beriepen zich op hoge morele standaarden, betoogt Attah, maar waren daar heel dubbel in. ‘Terwijl ze slavenhandel en slavernij afschaften aan de Goudkust, stonden ze het nog wel toe in de noordelijke gebieden. Anders zou de handel met het binnenland in het gedrang komen. Ze gebruikten hun zogenaamde strijd tegen slavernij als breekijzer om meer grondgebied te veroveren en de koloniale bezetting van West-Afrika verder te forceren.’ Bovendien, voegt ze later toe, ‘verbeterden de levensomstandigheden van de West-Afrikanen niet toen de Britten of de Fransen het grondgebied koloniseerden’.

‘Stel je voor wat een voortdurende dreiging van een invasie, drie eeuwen lang, aan collectief trauma kan betekenen.’

Die malafide positie van Britse abolitionisten weerhoudt de auteur er niet van ook oog te hebben voor rol van Afrikaanse elites. Zij waren cruciaal in zowel de transatlantische als de transsaharaanse slavenhandel, en in het bestendigen van de slavernij zelf.

Die eigen verantwoordelijkheid in uitbuiting en ontmenselijking, maar ook in uitsluiting en ongelijkheid is een tweede centraal thema in De honderd waterputten van Salaga . Het verzet tegen die traditie krijgt het gezicht van Wurche, de dochter van een van de troonpretendenten van haar natie. Niet dat Wurche van meet af aan tegen slavernij is, integendeel. Ze revolteert vooral tegen haar eigen uitsluiting: als dochter mag ze niet deelnemen aan politieke besluitvorming, terwijl ze wel ingezet wordt – als bruid – om cruciale bondgenootschappen af te sluiten.

‘Ik ben Wurche’, zegt Ayesha Harruna Attah, als ik op het einde van ons gesprek vraag welk personage het dichtst op haar huid kleeft. De vrouw die niet aan de kant wil staan. De vrouw die haar eigen keuzes maakt. De vrouw die het narratief bepaalt. Maar vooral: degene die er op wijst dat onderlinge verdeeldheid altijd in het voordeel werkt van de externe bedreiging.

‘De uitkomst van de geschiedenis had helemaal anders kunnen zijn,’ zegt ze, ‘als Afrikaanse leiders samen gestreden hadden tegen Europese kolonisatoren.’ L’union fait la force, dat is de kernboodschap die Attah meeneemt uit haar West-Afrikaanse geschiedenis. Of tenminste: verdeeldheid verzwakt.

Attah beseft dat ook vandaag nog de verdeeldheid heerst, zowel tussen als binnen landen. Dat stemt haar allesbehalve hoopvol.

Zussen worden vrouwen, vrouwen worden zusters

De hoofdpersonages van Attah zijn vrouwen die ‘zich samen verzetten tegen de grenzen, geboden en verboden van het patriarchaat’. De verhalen schreven zichzelf, zegt Attah, en vroegen vooral om vrouwen. Dat is niet geheel verwonderlijk: het is tenslotte haar betovergrootmoeder die de hele historie in gang zette.

‘De geschiedenis had helemaal anders kunnen gaan als Afrikaanse leiders samen gestreden hadden tegen Europese kolonisatoren.’

Niet dat er geen mannen voorkomen in de romans: er zijn de ruiters die het dorp aanvallen, de mannen die de troon van Salaga-Kpembe willen veroveren, de Britten en de Duitsers, de soldaten en de predikanten, er zijn de beminden zoals Joaquim en Moro, en dan zijn er de slavenhouders of -handelaaars. Maar uiteindelijk, opper ik, gaan de romans over sisterhood: de bijzondere band die vrouwen over alle verschillen en afstanden heen cultiveren.

Ayesha Harruna Attah knikt. Ze omschrijft het zusterschapsgevoel als een “heerlijk mooie ruimte” waarin je jezelf kan zijn en waarin de anderen je steunen als het tegenzit. Attah heeft één echte zus, en daarnaast veel zielsverwanten. ‘Vrouwen kunnen zusters zijn voor elkaar, maar dat betekent niet dat ze het altijd met elkaar eens zijn of dat ze geen botsingen of tegenstellingen kennen. Denk aan je eigen familie.’

Die verbondenheid heeft behoefte aan diversiteit. Daaraan is in West-Afrika geen gebrek, stelt Attah: ‘Mensen, culturen en economische stromen hebben eeuwenlang over onze landen en grenzen gevloeid. Het is zoals de Voltarivier die Ghana zo vruchtbaar heeft gemaakt, de samenvloeiing van de Witte, de Rode en de Zwarte Volta, die voorbij Salaga één stroom vormen. Zo is het ook altijd met mensen gegaan. Van links komt een woeste, energieke stroom; van rechts een gestage, brede stroom. En samen vormen ze de toekomst.’

Wat de samenvloeiing van de Volta’s ter hoogte van Salaga verbeelden, dat ervaart Attah nu dagelijks in Popenguine, een dorp in de verre rand van Dakar, Senegal, waar ze woont. ‘Je vindt er mensen uit heel Senegal, uiteraard, maar ook uit Kameroen en Gabon, uit Bangladesh en Zweden. Die diversiteit leidt soms tot knallen, soms tot schoonheid, soms tot solidariteit.’ West-Afrika, gelooft Attah, is altijd al een creatieve plek geweest, een “global village” waar markten en karavanen het denken en het leven beheersen, en waar culturele diversiteit de norm is, niet de aberratie.

Geloven in een gedeelde droom

Op de laatste bladzijde van Het diepe blauw, op het moment dat Husseina en Hassana elkaar écht vinden, zegt de ene tweelingzus tegen de andere: ‘Dank dat je in onze dromen gelooft.’ Met die korte zin overstijgen de zussen hun verschillen in religies, talen en persoonlijke geschiedenissen.

Attah stond aanvankelijk sceptisch tegenover de idee dat de tweelingen elkaars dromen konden dromen. Toen haar vader haar op een dag belde omdat hij een vreemde droom had, die exact beschreef wat dochter Ayesha 2500 kilometer verder doormaakte, verdween de scepsis. Dromen staan sindsdien voor spiritualiteit: geen godsgeloof, wel de erkenning van een transcendente werkelijkheid.

‘Mijn droom is dat iedereen de ruimte krijgt om te zijn en te creëren.’

Wat is jouw grote droom, vraag ik om af te ronden. Attah haalt even diep adem en doet dan een poging: ‘Mijn droom is dat iedereen de ruimte krijgt om te zijn en te creëren. Ongeacht je huidskleur, nationaliteit, afkomst, voorkeur, geslacht. Dat die ruimte groot genoeg is voor iedereen, maar nooit zo groot dat ze anderen in de weg staat ook zichzelf te worden. Ik droom van een wereld waarin iedereen een waardig leven kan leiden, met het hele spectrum aan menselijke emoties en verlangens.’

En zijn we op weg om die droom waar te maken? Attah zucht. ‘Ik weet het niet. Ik weet het niet. Soms heb je het gevoel dat we vooruitgaan, maar dan hoor je weer nieuws waaruit blijkt dat we twintig jaar teruggeworpen worden.’ Ze verwijst naar een wetsontwerp, de Proper Human Rights and Ghanaian Family Values 2021 draft Bill, dat momenteel voorligt in het Ghanese parlement, met als doel de LGBTQ-gemeenschap te criminaliseren.

‘Dat wetsvoorstel is vreselijk’, besluit ze. En daarmee keert Ayesha Harruna Attah terug naar een woord dat ze helemaal bij het begin van het interview gebruikte: ‘horror’.

![Daniel Vertangen/Rijksmuseum Amsterdam](//images.mo.be/sites/default/files/styles/portrait/public/field/image/68195_139685_TzDznX.jpg?itok=i-NQ6rtm " Portret van Jan Valckenburgh en een tot slaaf gemaakte bediende van Daniel Vertangen, uit 1660. De "bediende" is nauwelijks zichtbaar.")

Portret van Jan Valckenburgh en een tot slaaf gemaakte bediende van Daniel Vertangen, uit 1660. De “bediende” is nauwelijks zichtbaar.

Daniel Vertangen/Rijksmuseum Amsterdam

De illusie van schoonheid

Aan het begin van ons gesprek vroeg ik haar hoe ze het slavernijtraject in het Amsterdamse Rijksmuseum zou vergelijken met een plek als Gorée. Dat is het eiland voor Dakar van waaruit onder andere de West-Indische Compagnie honderdduizenden Afrikanen in slavernij afvoerde naar de Amerika’s.

‘Het verschil,’ reageerde Attah, ‘is dat het Rijksmuseum in een monumentaal gebouw gevestigd is en talloze prachtige kunstwerken toont. Je waant je in een huis van schoonheid, tot je beseft hoeveel vreselijke onmenselijkheid er nodig was om deze pracht te creëren. Gorée, daarentegen, is een huis van horror. Het bestaat uit kleine ruimtes waarin veel te veel mensen opgesloten werden, met als enige uitzicht de eeuwig klotsende oceaan die naar slavernij, geweld en een voortijdige dood leidde. Daar is geen illusie van schoonheid.’

Die horror is niet enkel tastbaar op het eiland, maar ook in de schilderijen van het Rijksmuseum. In het bijzonder raakte haar een doek uit 1660, Portret van Jan Valckenburgh en een tot slaaf gemaakte bediende, van Daniel Vertangen. Misschien omdat het portret gesitueerd wordt in Fort Elmina in Ghana. Vooral door de ingenieuze manier waarop de schilder de Afrikaanse “bediende” ontmenselijkt en bijna onzichtbaar maakt. De oorspronkelijke naam van het schilderij beperkte zich trouwens tot de vier eerste woorden. Wie het schilderij bekijkt, weet waarom.

Dat is niet het enige wat Vertangen vat in zijn portret. Het geeft ook een inkijk in de realiteit die Attah aangezet heeft om deze twee romans te schrijven: de naamloze mens die als slaaf door het leven moet. Daar tegenover zet ze, met alle verhalende kracht die ze in zich heeft, de gedeelde dromen van Afrikaanse vrouwen.

De honderd waterputten van Salaga door Ayesha Harruna Attah is uitgegeven door Orlando en Oxfam Novib. 270 blzn. ISBN 978 94 9208 684 6

Het diepe blauw door Ayesha Harruna Attah is uitgegeven door Orlando en Oxfam Novib. 266 blzn. ISBN 978 90 8314 682 9