Afrikaanse landen trekken ten strijde tegen gesubsidieerde katoenberg

Nieuws

Afrikaanse landen trekken ten strijde tegen gesubsidieerde katoenberg

Linard en D Wermus (Syfia)

08 mei 2003

(INFOSUD) - Vier katoenproducerende landen uit West-Afrika willen in september bij de Wereldhandelsorganisatie de Amerikaanse en Europese subsidies in de katoensector aanklagen. Het subsidieregime zorgt voor overproductie en houdt de prijzen op de wereldmarkt kunstmatig laag. De Afrikaanse landen hebben geen geld voor subsidies en eisen dat de WTO een einde maakt aan de oneerlijke concurrentie.

Ongelofelijk maar waar: één enkele katoenboer uit de VS-staat Arkansas kreeg in 2001 voor zijn 16.187 hectaren zes miljoen dollar aan subsidies. Evenveel als het inkomen van 25.000 katoenplanters uit Mali, zo berekende Oxfam International. In 2002 waren de Verenigde Staten wereldwijd koploper met 3,7 miljard dollar subsidies. Dan volgen China (1,2 miljard dollar), Europa (700 miljoen dollar), Turkije, Brazilië, Mexico en Egypte.

De gesubsidieerde katoenproductie verstoort het normale spel van vraagt en aanbod. Het Internationaal Overlegcomité voor Katoen (CCIC) stelt vast dat de prijzen voor het vijfde opeenvolgende jaar onder het gemiddelde lange termijnniveau van 0,72 dollarcent per pond blijven. De subsidies zorgen ervoor dat bijvoorbeeld een Spaanse of Griekse boer 1,3 dollar per pond katoenvezel krijgt, bijna het dubbele van de marktprijs. Voor de boeren in het Noorden blijft het daarom interessant om katoen te blijven planten, met overschotten en dumpingprijzen tot gevolg.

De Afrikaanse landen hebben het concurrentievoordeel van een lagere loonkost, maar geen geld om de te lage marktprijzen met subsidies te verzachten. De tien tot vijftien miljoen West-Afrikanen die van de katoenteelt afhankelijk zijn, ontgaat op die manier een miljard dollar per jaar. In Burkina Faso, Mali, Tsjaad en Benin vertegenwoordigt katoen vijf procent van het bruto binnenlands product en tot dertig procent van de exportinkomsten. Twee miljoen katoenboeren in West-Afrika zien hun levensonderhoud ernstig bedreigd.

De Wereldbank pleitte in een rapport in 2002 voor een versnelde liberalisering in de katoensector. Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz is het hier voor één keer roerend mee eens. Dergelijke subsidies verleiden de Amerikaanse boeren tot overproductie, wat de prijzen aanzienlijk drukt. De voordelen voor onze boeren worden elders met stijgende armoede betaald.

In juli richtten Benin, Burkina Faso, Tsjaad en Mali de Association cotonnière africaine (ACA) op om hun gemeenschappelijke belangen te verdedigen. ACA-voorzitter Maloem stelt vast dat de Afrikaanse katoensector over heel wat concurrentietroeven beschikt, maar dat regels van de Wereldhandelsorganisatie blijkbaar niet voor iedereen gelijk zijn.

Het katoendossier komt in juni ook ter sprake op de G8-top van staatshoofden in het Franse Evian. Europees Handelscommissaris Pascal Lamy liet alvast verstaan dat Europa slechts twee procent van ‘s wereld katoen produceert en dat de subsidies dus nauwelijks een invloed hebben op de wereldprijs. Volgens Lamy moet het probleem worden opgelost in de landbouwgesprekken van de Doha-onderhandelingsronde.