Alle Irakezen afhankelijk van voedselhulp

Nieuws

Alle Irakezen afhankelijk van voedselhulp

Ricardo Grassi

30 juni 2003

Alle 27 miljoen Irakezen zijn tegenwoordig afhankelijk van de maandelijkse voedselpakketten die door hulporganisaties worden verdeeld. Voor de Amerikaanse invasie kon 40 procent van de bevolking nog hun eigen boontjes doppen, maar de oorlog heeft de laatste restjes zelfredzaamheid doen verdwijnen, zeggen hulpverleners. Donoren hebben genoeg voedsel en middelen bijeengebracht om de Iraakse bevolking de komende vijf maanden bij te staan, maar de verslechterende veiligheidssituatie bemoeilijkt de verdeling.

Volgens Torben Due, de vertegenwoordiger van het Wereldvoedselprogramma (WFP) in Irak, heeft zijn organisatie er de grootste noodhulpoperatie in haar geschiedenis opgezet om een voedselcrisis te vermijden. De situatie in Irak is catastrofaal. Door de oorlog en de blijvende instabiliteit hebben de meeste Irakezen het almaar moeilijker om het hoofd boven water te houden. Veel mensen hebben hun werk neergelegd – veiligheid en overleven hebben voorrang. Winkels en bedrijfjes blijven gesloten, ambtenaren zijn al maanden niet meer betaald. Volgens het WFP is een groot deel van de Iraakse bevolking nog veel kwetsbaarder geworden voor armoede en ondervoeding.

Voor het begin van de oorlog in maart was al 60 procent van de bevolking in het zuiden en het centrum van het land afhankelijk van voedselhulp en leefde één Irakees op vijf in “chronische armoede”. Dat blijkt uit een onderzoek dat het WFP daar toen deed uitvoeren. Mensen die in chronische armoede leven beschikken tijdens een lange periode niet over genoeg geld om zuiver water en voedsel te kopen en om andere basisbehoeften als kleding, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorgen te betalen. In het noorden van Irak was de situatie niet veel beter. Een onderzoek van de hulporganisatie ‘Save the Children’ wees uit dat ook daar het merendeel van de bevolking overleefde op voedselhulp en nauwelijks kansen zag bijkomende tegenslagen te verwerken.

De Iraakse bevolking was al uitgeloogd door een mank economisch beleid, de oorlog tegen Iran die aansleepte van 1980 tot 1988 en de Golfoorlog van 1991. De VN-sancties die werden ingesteld na de Iraakse bezetting van Koeweit, maakten de zaak nog veel erger. “De sancties hebben de bevolking verzwakt en het regime nog sterker gemaakt,” oordeelt Carol de Roy, de vertegenwoordiger van het VN-Kinderfonds Unicef in Irak. In de jaren 80 kon Irak nog vorderingen boeken op sociaal vlak: tussen 1975 en 1987 steeg bijvoorbeeld het aandeel van de bevolking met toegang tot zuiver drinkwater van 66 tot 87 procent. Maar daarna begon de neergang, zelfs toen Irak eind de jaren 90 de toelating kreeg een beperkte hoeveelheid olie te exporteren om daarmee de import van levensmiddelen en medicijnen te betalen.

Het WFP zegt dat de voedselbevoorrading van de Irakese bevolking verzekerd is voor de komende vijf maanden. Donors, de VS en Groot-Brittannië op kop - hebben al voor 500 miljoen voedselhulp ter beschikking gesteld. De verdeling daarvan levert in sommige streken wel problemen op – na de talrijke aanslagen op Britse en Amerikaanse troepen maken de hulpverleners zich grote zorgen over de veiligheid van hun medewerkers. Ook planning en communicatie zijn problematisch. De gebouwen van het Iraakse ministerie van Handel zijn verwoest tijdens de oorlog, en dat bemoeilijkt de coördinatie tussen Bagdad en de rest van het land.

Volgens WFP-vertegenwoordiger Due zal Irak ook op middellange termijn veel voedsel moeten blijven invoeren – die import zal moeten gefinancierd worden met de inkomsten uit de export van olie. Op langere termijn kan het land grotendeels zelfvoorzienend worden, maar daarvoor zijn wel massale investeringen in de landbouw nodig.