Europa minder sociaal dan lijkt in wereldhandel

Nieuws

Europa minder sociaal dan lijkt in wereldhandel

De Europese Unie lijkt meer bekommerd om eerlijke handel dan andere rijke landen, maar klopt dat wel met de werkelijkheid? Jan Orbie onderzocht voor zijn doctoraat aan de Universiteit Gent of de mooiere woorden van de EU ook leiden tot meer overtuigende daden.

Europa spreekt een andere taal dan vroeger, stelde Jan Orbie vast. ‘Morele motieven zijn de voorbije tien jaar, vooral bij de EU, heel uitdrukkelijk het discours over wereldhandel binnengeslopen. Na de mislukte ministerconferentie van Seattle (1999) is ontwikkeling zelfs het ultieme referentiepunt geworden voor al wat in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) gebeurt. Dat was in vorige onderhandelingsrondes veel minder het geval. Het idee om de nieuwe onderhandelingsronde een ontwikkelingsronde te noemen, kwam van de toenmalige WTO-directeur Mike Moore, maar de EU is onmiddellijk op die kar gesprongen. Het was een voorwaarde om de ontwikkelingslanden te overtuigen opnieuw aan de onderhandelingstafel te gaan zitten. Bovendien stond ook de Europese publieke opinie na Seattle sceptisch tegenover de WTO.’
Is er in de daden een verschil tussen de EU en de VS?
Jan Orbie: In de praktijk zijn de verschillen veeleer minimaal. Na de oprichting van de WTO in 1995 was het de EU die het voortouw nam om een nieuwe ronde te eisen, tegen de zin van de meeste ontwikkelingslanden. Dat was nieuw: vroeger waren vooral de VS voorstanders van multilaterale handelsverdragen, terwijl de Unie de kampioen was van regionale handelsakkoorden zoals de Lomé-akkoorden met de ACS-landen (Afrika, Caraïben en Stille Oceaan), de Maghreblanden… Eén reden is dat de EU tot de jaren negentig vooral bezig was met de schepping van de eigen eenheidsmarkt en minder met wereldhandel. Eens de ene markt er was, ontstond een soort ideologische ijver om dat eigen model uit te voeren. Dat model is meer dan een douane-unie, het bevat ook allerlei vormen van regulering. De EU wilde die eveneens uitvoeren: dat de eigen bedrijven juist aan die regels gewend zijn, is immers een voordeel. Zo heeft de EU sterke regels in verband investeringen en concurrentie en dus werden dat twee van de zogenaamde Singapore-onderwerpen, waar de EU zo hard voor vocht in de WTO. Omdat de sociale regels in de EU veeleer zwak zijn, stellen we vast de EU op sociaal gebied weinig eisen stelt in de WTO.
Als de EU de rol van de VS overnam, zegt u dan dat ze nu een zeer liberale koers vaart?
Jan Orbie: Europa voerde in de jaren zeventig alvast een progressiever beleid. Het was bijvoorbeeld de eerste om werk te maken van niet-wederkerige markttoegang. Dat wil zeggen: ontwikkelingslanden hadden meer markttoegang op de EU-markt dan omgekeerd. Dat vloeide rechtstreeks voort uit de Nieuwe Internationale Economische Orde (NIEO) die de ontwikkelingslanden vroegen en de mogelijkheid om via een General System of Preferences (GSP) ontwikkelingslanden meer markttoegang te geven dan de rijke landen. In de Lomé-akkoorden met de ACS-landen ging Europa nog veel verder: de EU was bereid de wereldhandel zo te structureren dat hij de ontwikkelingslanden zou dienen. Europa verbond er zich in grondstoffenakkoorden toe bepaalde hoeveelheden grondstoffen tegen een bepaalde prijs af te nemen.
Een stukje planeconomie temidden van het kapitalistisch bestel?
Jan Orbie: Zo zou je dat kunnen noemen. Het Suikerprotocol garandeerde de ACS-landen bijvoorbeeld dat de EU elk jaar een bepaalde hoeveelheid suiker tegen een hoge en stabiele prijs afnam. Dat systeem had zo zijn nadelen -zoals de neiging tot overproductie- maar het was het soort marktingrijpen dat nu ondenkbaar lijkt. De EU wil dat niet meer en ook grote en competitieve ontwikkelingslanden zoals Brazilië of China zijn nu voor de vrije markt, omdat dit in hun voordeel is.
Had die Europese bereidwilligheid ook niet te maken met machtsverhoudingen? De olielanden hadden getoond hoe ze met een kartel het Westen konden droogleggen. Verklaart de vrees dat dit ook voor andere grondstoffen kon gebeuren niet de bereidheid om grondstoffenakkoorden te sluiten?
Jan Orbie: Absoluut, maar er is ook een ideologische evolutie. De EU heeft afstand genomen van dat soort marktinterventies. Daarbij speelt zeker het argument dat die interventies toch niet hebben gewerkt. De ACS-landen hebben hun aandeel in de wereldeconomie zelfs zien krimpen. Het is echter intellectueel oneerlijk te doen alsof men nu 30 jaar tevergeefs heeft geprobeerd de handel te reguleren ten voordele van de ontwikkelingslanden. Vanaf eind de jaren zeventig al ging de slinger de andere richting uit en ging de EU meer voor de markt opteren. Nu gelooft de EU dat de wederkerige vrijhandel beter is voor ontwikkeling.
Het Initiatief’Everything but Arms’(EBA) uit 2001 is toch geen wederkerige vrijhandel, want het geeft de Minst Ontwikkelde Landen vrije toegang tot de Europese markt voor allesbehalve wapens zonder dat daarvoor in ruil een evenwaardige markttoegang van de EU in die landen wordt gevraagd?
Jan Orbie: Eigenlijk hadden ontwikkelingslanden via het Algemeen Voorkeursysteem (GSP) al veel markttoegang in de EU. 99% van de effectieve invoer gebeurde al tariefvrij. Daarom heeft EBA de invoer uit die landen ook amper verhoogd. Daar staat tegenover dat het de restanten van “Lomé” ondergraaft. De EU stelt met EBA en andere initiatieven een vrije markt in het vooruitzicht waarin afspraken over quota en prijzen wegvallen. De ACS-landen moeten nu concurreren met veel sterkere landen en aan veel lagere wereldmarktprijzen. Het verbaast niet dat de ACS-landen nu al weer pleiten voor een suikerprotocol en voor gegarandeerde minimumprijzen. Men heeft het kind weggegooid, en alleen het badwater behouden.
Op een ander terrein -sociale minimumvoorwaarden in de WTO- was de EU toch wel een voorloper? Was de EU geen voortrekker van de zogenaamde sociale clausule? (Sociale clausules in handelsakkoorden zouden landen die de vijf basisnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) niet eerbiedigen minder markttoegang geven, of diegenen dat wel deden, belonen. De vijf normen zijn vrijheid van vereniging, recht op collectief onderhandelen, het verbod op kinderarbeid, dwangarbeid en discriminatie, jvd.)
Jan Orbie: Ook dat is maar schijn. Toen de sociale clausule op tafel lag bij de WTO -op de ministerconferentie van Singapore in 1997- had de EU niet eens een eensgezind standpunt. Uit mijn onderzoek blijkt dat Duitsland onder kanselier Helmut Kohl en het Verenigd Koninkrijk onder de conservatieven toen tegen sociale clausules waren. Dat neutraliseerde het activisme dat Frankrijk én België ter zake inderdaad vertoonden. Toen na de machtsovername door Blair en Schröder de Britten en Duitsers bijdraaiden, ging de EU er nog altijd niet echt voor. Dat kan je duidelijk afleiden uit de prioriteiten van de EU. De ontwikkelingslanden waren tegen de sociale clausule, maar ook tegen de Singapore-onderwerpen. De sociale clausules liet de Unie al halverwege 2001 vallen, nog voor de WTO-top in Doha, maar voor de Singapore onderwerpen bleef ze vechten tot het voorjaar van 2004.
De EU heeft wel een eenzijdige sociale clausule?
Jan Orbie: Inderdaad. Landen die de vijf IAO-normen niet eerbiedigen, krijgen een sociale sanctie: ze verliezen de grotere markttoegang verbonden aan het GSP en vallen terug op de gewone WTO-markttoegang. Landen die de vijf basisnormen wel naleven, krijgen extra markttoegang als ze daarom vragen. Blijkbaar was het sop de kool niet waard want enkel Sri Lanka en Moldavië vroegen dat aan. Anderen weigerden omdat ze het een inbreuk op hun soevereiniteit vinden. Birma en Wit-Rusland waren de enigen die de sociale sanctie kregen.
Heeft de EU de sociale sanctie niet overwogen voor China omdat het de vrijheid van vereniging niet eerbiedigt?
Jan Orbie: De EU had dat gekund -als ze vond dat China de vakbondsvrijheid niet erkent, had ze dat recht- maar ze durfde niet. De EU had ook de toetreding van China tot de WTO om dezelfde redenen kunnen tegenhouden, maar ook dat is nooit een optie geweest. Zelfs in de VS was er meer discussie over mensenrechten en China dan in Europa. Op zo’n momenten zie je dat de commerciële belangen het halen op de mooie verklaringen over ethiek.