'We verliezen steeds onze helden'

Nieuws

Cineaste Monique Phoba over Thomas Sankara

'We verliezen steeds onze helden'

'We verliezen steeds onze helden'
'We verliezen steeds onze helden'

Olivia U. Rutazibwa

25 mei 2011

Belgisch –Congolese filmmaakster Monique Phoba vertelt hoe ze in 1987, toen nog een student-journaliste voor Radio Campus, een interview wist te strikken met Thomas Sankara tijdens het FESPACO filmfestival in Ouagadougou.

Phoba: In 1986 ging ik voor het eerst naar Burkina Faso, het was simpelweg de goedkoopste manier om in Afrika te geraken. Mijn vriend en ik belandden daar middenin de Burkinese revolutie. Zelfs als ongeïnformeerde toeristen konden we niet anders dan opmerken dat er iets aan de hand was: Op de markt, op bureau,… iedereen zat aan zijn of haar radio gekluisterd. Mensen deden niets anders dan lachen met wat ze op de radio hoorden. Dat waren dus de zogenaamde TPR: de Revolutionaire Volksrechtbanken, die rechtstreeks werden uitgezonden.

Die TPR zijn niet geheel onbesproken, wat was er zo speciaal aan?

Phoba: Ik ken niet alle omstandigheden van de TPR, maar de kritieken zullen waarschijnlijk wel een grond van waarheid hebben gehad. Het bijzondere aan de TPR was dat de mensen zichzelf moesten verdedigen, zonder advocaten. In de praktijk kwam het er op neer dat hij die het radste van tong was, of –  belangrijker nog –, de mensen het meest kon doen lachen, zich er uit kon praten. Ook al was hij zo schuldig als de pest. Dat maakte dat het soms echt een klucht was. Maar toch waren TPR belangrijk want ze hebben de weg vrijgemaakt voor de nationale conferenties die daarop in volgden in verschillende Afrikaanse landen. In die conferenties, zoals die in Benin bijvoorbeeld, voelden mensen hun leiders publiekelijk aan de tand over wat ze na x aantal jaren aan de macht hadden verwezenlijkt, vanuit de idee dat het geen onbereikbare personages zijn. Dat is wat Sankara probeerde te bereiken met het uitschakelen van de advocaten: dat mensen hun leiders rechtstreeks ter verantwoording kunnen roepen. We zullen dit in de toekomst ook nog nodig hebben.

Hoe kwam je van die toevallige reis bij de president terecht?

Phoba: Mensen zeiden ons dat, als we een actuele reportage wilden maken over Burkina Faso, we zeker niet mochten nalaten om met de president te praten. We konden ons moeilijk inbeelden dat wij, die maar voor een kleine studentenradio werkten, hem zouden mogen lastigvallen. Maar ze verzekerden ons dat hun president helemaal zo niet was. Dit werd bevestigd door zijn kabinet dat ons liet weten dat er effectief geen probleem was om de president te ontmoeten. Dat nam niet weg dat we na tien dagen de president nog steeds niet had gezien. Uiteindelijk hebben we, erg teleurgesteld, ons vliegtuig terug naar België moeten nemen.

Hoe is het dan alsnog gelukt?

Phoba: Eenmaal terug thuis heb ik een brief geschreven aan een krantje van pro-Sankara jongeren over mijn teleurstelling. Enige tijd daarna kreeg ik kreeg ik een brief in mijn bus van het kabinet van president Sankara met uitvoerige excuses en de belofte dat ik, de volgende keer dat ik in Burkina Faso zou zijn, als eerste de kans zou krijgzn om hem te spreken. We konden onze ogen niet geloven. Het was alsof er een stukje paradijs op ons hoofd viel. Hij had ‘ons’, jonge journalisten van een kleine studentenradio, geschreven! We moesten dus een manier vinden om terug in Burkina Faso te geraken. We hebben ons tot de redactie van de EU-ACP Courrier gewend met het aanbod om een artikel over het FESPACO filmfestival van 1987 te schrijven, alsook een interview met de president.

Het FESCPACO vindt vandaag nog steeds om de twee jaar plaats, hoe was het in die tijd?

Het was alsof er een stukje paradijs op ons hoofd viel.

Ik weet niet wat het vandaag de dag nog is, maar toen was het iets waar elke Burkinees zich op stortte en mee bezig was. Iedereen sprak u aan over het FESPACO. Er hing een heel idyllische sfeer. Ik denk niet dat dat vandaag nog het geval is.

Het was ook Sankara’s laatste levensjaar. Hij was zelf zeer betrokken bij het FESPACO en trok op met ons journalisten en cineasten. Op een keer kwamen we de filmzaal uit en stond hij daar en zei: ‘Ik was op jullie aan het wachten!’ Alsof we vrienden waren. En hij had zijn gitaar bij. Hij discussieerde met ons over de films. We hebben bijvoorbeeld een hele discussie gevoerd over de kus op het scherm. Hij was tegen de kus. ‘De kus is niet Afrikaans,’ was zijn mening. Natuurlijk waren wij jongeren het daar niet mee eens. Spijtig genoeg waren er toen nog geen gsm’s om hem als president te kunnen filmen terwijl hij een vurig pleidooi hield over de legitimiteit van de kus op het grote scherm. We waren allemaal zo hard aan het lachen dat we er niet eens in slaagden om hem tegen te spreken.

Hoe is het interview uiteindelijk verlopen?

Phoba: Hij was een man van zijn woord en heeft me dus ontvangen. Ik kwam net na Fela (Kuti, or). Uiteraard hebben we niet het interview gehad dat ik had gewild.  Er was een enorme lange rij en er stond ook iemand met een horloge bij die iedereen een 10-15 tal minuten gaf. Als je goed op de foto kijkt zie je dat hij echt uitgeput was. Hij was duidelijk voor iedereen beschikbaar en had een enorm politiek programma op poten gezet. Ik heb hem de vraag gesteld of hij de druk aankon. Hij antwoordde me: ‘Als de dood komt zal het me op mijn twee benen in dienst van mijn volk vinden.’ Toen ik terug thuis was had ik zo weinig materiaal dat ik het interview uiteindelijk niet heb verspreid. Maar toen hij gestorven is en ik de opname terug beluisterde, besefte ik dat hij toen al over zijn dood aan het praten was. Dan heb ik het op de radio laten horen. De mensen hebben gehuild en belden in op het programma. Ik antwoordde ook huilend. Het was echt een intens moment.

Herinner je je nog het moment waarop je zijn dood vernam?

Ik hoorde het op het journaal. Ik heb me opgesloten in mijn kamer om te huilen. Mijn moeder vond het allemaal een beetje overdreven, maar mijn vader begreep het. Ik had de indruk dat hij aan Lumumba dacht. Want in zijn jeugd was het Lumumba die vermoord was. Hij begreep het, dat feit dat wij steeds onze helden verliezen. Het is zoals Bob Marley zei: ‘How long shall they kill our prophets while we stand aside and look?’

Is hij nog actueel voor Afrika vandaag?

We hebben tienduizend Sankara’s nodig in Afrika. Maar men wilt niet dat onze helden als echte voorbeelden kunnen dienen en ons op ideeën brengen. Ze moeten als uitzonderingen gezien worden. In het verleden hebben de Europeanen de verdeel en heers tactiek toegepast onder de Afrikanen. Vandaag zitten we nog steeds in dezelfde situatie. We steken energie in het bekampen van elkaar in plaats van te beseffen dat anderen rijk worden van onze onenigheden. Dat betekent concreet dat, als we weer een Sankara zouden vinden, dat we hem zelf zouden bekampen. Er zijn altijd Sankara’s geweest, maar het is alsof we geen toegang krijgen tot hen. Ik vraag me af of we een Sankara van vandaag de tijd en de kans zouden geven om boven te komen drijven. Thomas Sankara heeft gelukkig de kans gezien om een beetje erkenning te krijgen.