De wetenschap en ideologie van (het verzet tegen) veldproeven met genetisch gemanipuleerde gewassen

Barbara Van Dyck & Nina Holland

26 februari 2019
Opinie

De wetenschap en ideologie van (het verzet tegen) veldproeven met genetisch gemanipuleerde gewassen

De wetenschap en ideologie van (het verzet tegen) veldproeven met genetisch gemanipuleerde gewassen
De wetenschap en ideologie van (het verzet tegen) veldproeven met genetisch gemanipuleerde gewassen

Dat wetenschap en ideologie niet los van elkaar staan, is geen nieuws, zeggen wetenschappelijk onderzoeksters Barbara Van Dyck en Nina Holland. In het licht van controverses rond nieuwe technologie is het een goed idee om de nauwe verstrengeling van politiek, waarden, economie en wetenschap niet uit het oog te verliezen. Zeker in een context waarin “innovatie” (zonder verdere kwalificatie) en economische groei vaak als (bedenkelijke) maatstaven voor vooruitgang worden voorgesteld.

© BASF (CC BY-NC-ND 2.0)

Microscopisch beeld van de genetisch gemodificeerde Amflora aardappel

© BASF (CC BY-NC-ND 2.0)

Via het dagblad De Standaard (20/02) doet Dieter De Cleene, redacteur van het wetenschapsmagazine EOS, een oproep om te stoppen met ‘verzet tegen alle onderzoek dat niet in het eigen ideologische kraam past’. De Cleene doet dit nadat enkele organisaties die ijveren voor een duurzame en ecologische landbouw, de investering in een veldproef met genetisch gemodificeerde maïs een absurde grap noemden. Wat de organisaties aanklagen, is het feit dat de keuze voor investering in het ontwikkelen van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’) voor de landbouw van de toekomst mede een ideologische keuze is.

Dat wetenschap en ideologie niet los van elkaar staan, is geen nieuws. In het licht van controverses rond nieuwe technologie is het een goed idee om de nauwe verstrengeling van politiek, waarden, economie en wetenschap niet uit het oog te verliezen. Zeker in een context waarin “innovatie” (zonder verdere kwalificatie) en economische groei vaak als (bedenkelijke) maatstaven voor vooruitgang worden voorgesteld. Het hanteren van die maatstaven op zich houdt namelijk ideologische en politieke keuzes in. Laat ze samengaan met het geven van heel wat gewicht aan de stem van de wetenschap in besluitvorming en je krijgt het risico dat een oplossing bedacht met een bepaalde technologie meteen ook in alle opzichten “goed” is; of dat er zoiets bestaat als “de” wetenschap.

Een gedachtegoed dat de Fransman Claude Henri de Saint-Simon reeds in 1803 treffend formuleerde in een brief aan zijn tijdgenoten. In de nasleep van de Franse revolutie als een reactie tegen de macht van de adel en geestelijken en tegen regeringen geleid door het volk schreef de Saint-Simon: ‘A scientist, my dear friends, is a man who foresees; it is because science provides the means to predict that it is useful, and the scientists are superior to all other men’.

Hij stelt dat een maatschappij in handen van technocraten de beste perspectieven bood om een moderne samenleving te regeren. Ook vandaag worden wetenschappers vaak aangewezen – of eigenen zich die rol toe — als dé superieure autoriteit in het richting geven aan de wetenschappen, technologieontwikkeling, én aan de inrichting van de samenleving. Een vrij specifieke groep wetenschappers, dan wel te verstaan.

Net daar gaat veel van het verzet tegen veldproeven met genetisch gemanipuleerde organismen over. Het is een aanklacht tegen de politieke keuze om publiek onderzoeksgeld zo te investeren dat de enige weg vooruit weldra wel biotechnologisch moet zijn door gebrek aan zaden, kennis, beleid, wetgeving en infrastructuur die alternatieve ontwikkelingspaden aanmoedigen. De keuze om te investeren in veldproeven met genetisch gemanipuleerde gewassen, net als het verzet daartegen, zijn ingegeven door wetenschappelijke inzichten én ideologische voorkeuren.

De regulering van genetisch gemanipuleerde organismen in de EU

In het debat over innovatie in de landbouw klinkt de roep om meer macht voor de “stem van de wetenschap” in besluitvorming erg luid in bepaalde kringen. Erg duidelijk is de discussie rond de Europese regulering van ggo’s.

In een lopende campagne vragen een aantal biotechbedrijven en wetenschappelijke instituten om de nieuwste generatie van genetisch gemodificeerde organismen uit te sluiten van de bestaande regelgeving. Het Vlaams Instituut voor de Biotechnologie (VIB), en uitvoerder van de ggo-veldproeven in België, maakt actief deel uit van deze lobbycampagne richting de Europese instanties.

Het reguleren van de nieuwe generatie genetisch gemodificeerde organismen wordt gezien als een obstakel voor de internationale handel en de economische wedloop.

De campagne-argumentatie draait rond een grotere precisie en snelheid voor het ontwikkelen van nieuwe rassen via het gebruik van deze technieken, en presenteert ze als onmisbaar voor het voeden van de wereldbevolking in een tijd van klimaatverandering. Het reguleren van de nieuwe generatie genetisch gemodificeerde organismen wordt gezien als een obstakel voor de internationale handel en de economische wedloop.

Andere onderzoekers wijzen echter op de onverwachte effecten na toepassing van die nieuwe technieken en de beperkte efficiëntie ervan. In het prestigieuze tijdschrift Nature noemen moleculair biologen en bio-ingenieurs het optreden van onverwachte effecten ‘een probleem dat meer aandacht verdient’.

Boerenorganisaties en milieuverenigingen stellen dat een uitsluiting van de nieuwe technieken uit de bestaande wetgeving zou betekenen dat risicobeoordeling, etikettering en monitoring niet meer verplicht zou zijn voor de nieuwe generatie ggo’s. Ze pleiten voor een rigoureuze risico-evaluatie om de gevolgen van genetisch gemanipuleerde planten op de gezondheid van mensen, dieren en het leefmilieu na te gaan vooraleer ze gebruikt kunnen worden in de landbouw. Ook benadrukken ze het recht van boeren en consumenten om te weten wat ze zaaien of eten.

In tegenstelling tot de industrie stelden ze dat niet de regelgeving, maar juist de ggo’s, ontwikkeld door multinationals en bijhorende patenten, een rem zetten op de vooruitgang naar een meer duurzame landbouw.

In de aanhoudende discussie besloot het Europees hof van justitie afgelopen zomer om de bestaande Europese regelgeving voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) ook te laten gelden voor nieuwe technieken van genetische manipulatie, waaronder de ophefmakende techniek CRISPR-Cas9. Ook de ter discussie staande ggo-maïsveldproef te Wetteren — die moet bijdragen tot de kennis voor de ontwikkeling van gewassen die een grotere oogstzekerheid en een hogere opbrengst leveren — maakt gebruik van deze technologie.

De uitspraak van het Europees Hof, die de boerenorganisaties en anderen de facto gelijk gaf, maar daarnaast juridisch gezien ook wel te verwachten was, lokt al maanden bevlogen reacties uit. De beslissing werd hard veroordeeld door de ontwikkelaars van de nieuwe ggo-technieken zoals CRISPR, zowel biotechbedrijven als onderzoeksinstituten en gelijkgestemde journalisten. In de kranten en op sociale media spraken ze van overregulering en een obstakel voor duurzame landbouw.

Vlaanderen als proeftuin voor veldproeven met nieuwe ggo’s

In Vlaanderen is de discussie bijzonder geanimeerd. Dat onderzoek en ontwikkeling in de biotechnologie een belangrijke economische sector is in Vlaanderen heeft daar zeker mee te maken. Wetenschappers van de KULeuven stellen bijvoorbeeld dat “de landbouw van de toekomst CRISPR nodig heeft” en suggereren dat CRISPR zal zorgen voor opbrengstverhogingen. Het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) vreest dat de uitspraak van het Europees Hof investeringen in onderzoek en ontwikkeling van genetisch gemodificeerde planten zal vertragen.

Echter, enkele dagen voor de uitspraak van het Europees Hof in juli 2018, lekte uit dat het VIB, met medeweten van de bevoegde ministers, reeds anderhalf jaar in het geheim een veldproef uitvoerde met maïs die genetisch gemanipuleerd werd met gebruik van de CRISP-Cas9 gentechniek, zonder aan de ggo-regels te voldoen.

De ministers baseerden zich hierbij op een intern advies van Sciensano (het vroegere Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid) dat nog voor de uitspraak van het Hof van oordeel was dat de CRISPR-proef niet onder de ggo-wetgeving zou vallen. Hun oordeel was dat de mais geen ggo was omdat het transgene gedeelte van de plant er naderhand weer uitgehaald was. Maar de huidige ggo-regels stellen juist dat het gebruik van de technologie op zich reden is om, case by case, te kijken naar mogelijke bedoelde en onbedoelde gevolgen van de manipulatie. Na de uitspraak van het Hof waren de Belgische ministers er snel bij om het veld alsnog te regulariseren.

Zo verkreeg het VIB toch vergunning om een testveld met ggo-maïs op te zetten, zonder een advies van de bioveiligheidsraad, zonder dat controle op afstanden en andere bioveiligheidsmaatregelen, zonder het medeweten van het parlement en zonder het organiseren van een wettelijk verplichte inspraakprocedure.

Deze werkwijze voorspelt niet meteen veel voorzichtigheid en transparantie in het toepassen van nieuwe technieken door de Belgische ggo-ontwikkelaars en hen die op die toepassingen moeten toezien. Net in tegendeel. Momenteel loopt een nieuwe aanvraag voor een vervolg veldproef met ggo-CRISPR-maïs. Nadat de bioveiligheidsraad zich weldra over het dossier en de publieksbezwaren buigt, zullen de ministers al dan niet toelating verlenen voor de veldproef.

De organisaties die de veldproef met genetische gemodificeerde maïs een absurde grap noemden (DS 19/02), hebben niet veel vertrouwen in de mate dat de bioveiligheidsraad en de bevoegde ministers rekening zullen houden met de opmerkingen die burgers en organisaties formuleerden in de net afgelopen publieke consultatie. Ze formuleren het treffend: ‘de overheid vertrekt van ggo’s als oplossing. Als burger kun je daar hooguit nog een kleine kanttekening bijplaatsen. Of schamper lachen.’ De ondertekende organisaties weten waarom ze dit schrijven. Reeds decennialang werken ze aan het inbeelden en vormgeven van een eerlijke en ecologisch duurzame landbouw.

Zo gingen zij en andere betrokken burgers jaar na jaar in op de publieksraadpleging voor ggo-veldproeven. Maar sinds 2007, het moment dat het VIB startte met de coördinatie van alle vergunningsaanvragen voor ggo-veldproeven in België, hielden de bevoegde ministers slechts éénmaal rekening met de vraag van burgers om ook sociale en economische afwegingen mee te nemen in hun afwegingen. Vlaams minister Patricia Ceysens maakte er vervolgens een communautaire kwestie van en beschuldigde de federale ministers (Onkelinckx en Magnette) van “boycot van het de Vlaamse milieu-innovatie” en steunde het VIB om de ministeriële beslissing voor de rechtbank te brengen.

‘Sta op en verdedig onze wetenschap!’

De reacties van het VIB & co op elke vorm van kritiek op (of zelfs maar de vraag naar degelijke regulering van) veldproeven met ggo’s, beroepen zich vaak op de autoriteit van ‘de wetenschap’. Door ideologie en wetenschap tegenover elkaar te zetten, trachten ze andere inzichten te marginaliseren of mis te representeren (cfr. “verlaat je ideologische biokraam”).

Naar aanleiding van de uitspraak van het Europese Hof voor de reguleren van nieuwe ggo’s roept Dirk Inzé, wetenschappelijk directeur van het VIB, via twitter op: “sta op en verdedig onze wetenschap!”. Hij vindt dat de uitspraak van het Europese hof “wetenschappelijke feiten ontkent en Europa daarmee berooft van een technologie die de ontwikkeling van een milieuvriendelijke, duurzame landbouw en een bio-gebaseerde economie mogelijk maakt”.

In De Morgen zegt hij dat het toepassen van de ggo-regelgeving voor de nieuwe generatie ggo’s “absoluut niet rationeel is”. Juridisch gezien is het juist heel rationeel is dat de ggo-regels gelden. ( Aangezien er geen reden is dat de 2001/18 richtlijn deze nieuwe technieken zou uitsluiten van enige regulering; vandaar ook het voorstel van de Nederlandse regering om de wet aan te passen.)

Via de Europese media, het Europees parlement, internationale wetenschappelijke tijdschriften en petities benadrukt Inzé dat de Europese regelgeving niet gebaseerd is op wetenschap. Zulke stellige berichten van iemand met een bepaalde wetenschappelijke autoriteit wekken de indruk dat het opleggen van de ggo-regels aan technieken als CRISPR totaal overbodig is en bovendien een rem op “de vooruitgang” zet. Wat is daar mis mee?

Is dit werkelijk in het belang van de samenleving als geheel, en indien niet, in wiens belang is het dan wel?

Vooreest definieert het “vooruitgang” en innovatie erg nauw als het versterken van de op biotechnologie gebaseerde kenniseconomie. De toepassing van nieuwe technieken van genetische manipulatie móet blijkbaar een sleutelrol spelen in de innovatie in de landbouw. Maar is dit werkelijk in het belang van de samenleving als geheel, en indien niet, in wiens belang is het dan wel? Er zijn erg veel andere ideeën rond vooruitgang en innovatie in de moderne landbouw, zoals bijvoorbeeld het prestigieuze IAASTD rapport aantoonde, of beschreven wordt in tal van handboeken. Ze benadrukken hoe technologische, biologische, ecologische, economische en sociologische aspecten van de landbouw samenhangen en dus ook niet los van elkaar bekeken kunnen worden.

Vervolgens geeft het zich beroepen op de autoriteit van de wetenschap het idee dat de investering in, en de deregulering van, nieuwe producten door gene-editing synoniem zou staan voor een beleid “gebaseerd op wetenschap”. De ggo-ontwikkelaars in kwestie negeren consequent de meningen van wetenschappers die kanttekeningen plaatsen bij die deregulering, zoals prof. Philippe Baret in La Libre Belgique, prof. Michel Haring in De Morgen, of de vereniging van Europese wetenschappers voor milieu- en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Omgekeerd wordt kritiek op de lobby voor deregulering van nieuwe ggo-technieken, die samengaat met de vraag naar het inzetten op andere types innovatie als “anti-wetenschap” bestempeld, en niet de moeite van het aanhoren waard. Ook het bestaan van wetenschappelijk gefundeerde rapporten die publieke investeringen in agroecologisch onderzoek als prioritair zien, worden straal genegeerd. Vertegenwoordigers van boeren-, consumenten- of milieu-organisaties lijken al helemaal niet van tel.

Maatschappelijke beoordeling van nieuwe ggo-technieken

Bij het stellen van veiligheids- of milieuregels voor een technologie of groep producten, zijn verschillende vragen van belang: Hoe de eisen die de wet stelt tot stand kwamen, hoe studies gebeuren, door wie en waarom, en wat zijn hun limieten? Zowel op de regels rond huidige ggo’s als rond pesticiden wordt regelmatig kritiek geuit wat dat betreft. Het gaat dan bijvoorbeeld over het feit dat de studies door de ontwikkelaars zelf worden gedaan, dat ze over een te korte periode worden gehouden, of dat de gebruikte methoden bepaalde effecten niet blootleggen. De nieuwe ggo-technieken roepen wat dat betreft weer nieuwe vragen op.

Maar het debat rond innovatie in de landbouw, of in welke sector dan ook, is veel breder dan dit. Bij de beoordeling of je een bepaalde technologie of een bijbehorend product ook wilt als maatschappij, kan wetenschappelijk onderzoek helpen door een antwoord te geven op bepaalde vragen: Is het product effectief? Wat doet het product met het milieu? Hoe beïnvloedt dit product de manier van produceren in de landbouw? Wie heeft de eigendom van de technologie en het product in handen, met andere woorden, wie profiteert en wie ondervindt er wellicht nadelen van? Welke alternatieve oplossingspistes bestaan? Werden ze voldoende onderzocht?

Deze groep wetenschappers lijkt dus de strijd aan te gaan met “irrationaliteit”, maar heeft zelf moeite om de oogkleppen af te zetten als het gaat om wat er komt spelen bij een besluitvormingsproces.

Door de ontwikkelaars van ggo’s, pesticiden… worden deze kwesties afgedaan als emoties of liever nog, ideologie, en stellen dit tegenover hun eigen “wetenschappelijk feit” die blijkbaar waardenvrij en belangenvrij zijn. Deze groep wetenschappers lijkt dus de strijd aan te gaan met “irrationaliteit”, maar heeft zelf moeite om de oogkleppen af te zetten als het gaat om wat er komt spelen bij een besluitvormingsproces. Iedereen moet meegaan in een nieuw en onwrikbaar geloof: de antwoorden op de grote vraagstukken van deze tijd móeten wel uit deze technologierichting komen …

Meer eerlijkheid over de grenzen van wetenschappelijke studies zou het vertrouwen in de wetenschappen kunnen vooruithelpen. Op basis van een enkel experiment in de biotechnologie kan men bijvoorbeeld geen werkelijke uitspraken doen over de effecten van het gebruik van genetisch gemanipuleerde organismen op klimaatverandering, competitiviteit van Europa, of honger in de wereld. Ook is het belangrijk om voor ogen te houden dat we veel zaken niet weten, ondanks tal van onderzoeken.

Wetenschap als politieke speelbal?

Aan de andere kant ondergraaft de toenemende focus op rentabiliteit en het produceren van vermarktbare kennis binnen universiteiten het vermogen om andere kennis en technologie te creëren en te verspreiden die het belang van duurzame voedselsystemen dienen in plaats van investeerders.

Tactieken zoals cherry-picking van studies en experten, intimidatie van wetenschappers, bezuinigingen in bepaalde wetenschapstakken, en het bestellen van onderzoek ter ondersteuning van een beleid waarover toch al is besloten, zijn breed beschreven.

Het falen van de vermarkting van de landbouw- en voedselwetenschappen wordt steeds zichtbaarder en blijft niet zonder reactie. De roep voor de democratisering van de wetenschappen en kennis klinkt luid. MO* berichte het afgelopen jaar al verscheidene malen over hoe Monsanto (nu Bayer) wetenschap politiek gebruikt om de macht van de multinational kost wat kost te versterken.

Jarenlang hield het bedrijf studies achter die glyfosaat, het hoofdbestanddeel van o.a. hun herbicide RoundUp, in verband bracht met kanker. Tactieken zoals cherry-picking van studies en experten, intimidatie van wetenschappers, bezuinigingen in bepaalde wetenschapstakken, en het bestellen van onderzoek ter ondersteuning van een beleid waarover toch al is besloten, zijn breed beschreven.

Om de wetenschappen niet te laten verworden tot speelbal van conservatief populistische regimes of speculatieve vrije markten is weerwerk nodig. Hebben wetenschappers er daarom niet alle baat bij om brede allianties te bouwen? Om kritiek op keuzes rond wetenschapsbeleid serieus te nemen? Om collectief en kritisch de verdiensten en beperkingen van kennis en expertise vanuit verschillende hoeken in dialoog te brengen?

Daarom ontstaan wereldwijd initiatieven zoals wetenschapssalons, brede technologie-evaluaties, burgerpanels of allerhande vormen van participatief onderzoek gaande van plantenveredelingsprojecten samen met boerderijen tot burgerwetenschapsprojecten voor collectief beheer van biodiversiteit.

Geruststellende vaagheden over de precisie van CRISPR of de zoveelste belofte over de wonderen van ggo’s helpen het bredere debat over de toekomst van voedsel geen millimeter vooruit. Ook de aanname dat (een bepaald soort) wetenschappelijke kennis als vanzelfsprekend een universeel goed dient, of het verheffen van disciplinaire specialisten tot onbetwistbare feitenleveranciers, doet meer kwaad dan goed. Laat het innovatiedebat in de landbouw niet ondersneeuwen in oeverloze discussies over wetenschap versus ideologie. Laat het net meer over wetenschappelijke inzichten én politieke afwegingen gaan. Zowel de landbouw als de wetenschappen zullen er mee gediend zijn.

Barbara Van Dyck is wetenschappelijk onderzoekster aan de University of Sussex. Nina Holland is als onderzoekster werkzaam bij het corporate observatory Europe

Tags