Leo Van Broeck: ‘De betonstop kan niet te vroeg komen. Hij is zelfs onvoldoende’

Podcast

Klimaatverandering is deel van een bredere ecosysteemcrisis

Leo Van Broeck: ‘De betonstop kan niet te vroeg komen. Hij is zelfs onvoldoende’

Leo Van Broeck: ‘De betonstop kan niet te vroeg komen. Hij is zelfs onvoldoende’
Leo Van Broeck: ‘De betonstop kan niet te vroeg komen. Hij is zelfs onvoldoende’

Op 14 mei stelde het Panel voor Klimaat en Duurzaamheid zijn rapport voor. Vlaams minister Koen Van den Heuvel struikelde over het voorstel om de betonstop in Vlaanderen meteen in te voeren. Leo Van Broeck zegt dat zelfs een onmiddellijke en volledige betonstop onvoldoende is omdat de mens met zijn landbouw, ambachtelijke zones en lintbebouwing nu al veel te veel ruimte inneemt.

Hij is ingenieur, architect, prof stedenbouw aan de KU Leuven en sinds 2016 de Vlaamse Bouwmeester. Leo Van Broeck heeft vanuit die laatste functie het debat over de ruimtelijke ordening in Vlaanderen op een totaal ander niveau getild. Zijn basisstelling: Vlaanderen morst met zijn ruimte en daardoor is klimaatbeleid onmogelijk. We moeten dichter bij elkaar wonen en meer ruimte teruggeven aan natuur.

Van Broeck werd daardoor tegelijk populair én baksteen des aanstoots.

Hij is ook, samen met klimatoloog Jean-Pascal van Ypersele, coördinator van het Panel voor Klimaat en Duurzaamheid, een expertenpanel dat op vraag van Youth for Climate met onderbouwde voorstellen voor een ambitieus en ernstig klimaatbeleid kwam. Het Panel stelde zijn 120 bladzijden tellende rapport op 14 mei voor.

Vlaams minister Koen Van den Heuvel (CD&V) reageerde dezelfde dag dat hij grotendeels akkoord kon gaan met de aanbevelingen die het Panel voor Klimaat en Duurzaamheid, maar dat hij toch struikelde over het voorstel om de betonstop in Vlaanderen meteen in te voeren. De minister vindt dat te ambitieus, niet haalbaar. De Bouwmeester zegt dat zelfs een onmiddellijke en volledige betonstop onvoldoende is omdat de mens met zijn landbouw, ambachtelijke zones en lintbebouwing nu al veel te veel ruimte inneemt.

Gie Goris sprak met Leo Van Broeck over het rapport van het Panel voor Klimaat en Duurzaamheid, dat de duidelijke ondertitel kreeg: Om klimaatverandering en de ecosysteemcrisis echt aan te pakken is systeemverandering noodzakelijk en urgent.

Een gesprek met Van Broeck is echter nooit binnen de oevers van één thema te houden en wordt altijd een beetje een Theorie over Alles. Een MO*Q&A over de ecosysteemcrisis, de mens en zijn ruimte, en de belofte dat een ernstig klimaatbeleid een betere wereld oplevert.

En over de ongemakkelijke waarheid dat de wetenschap al meer dan een eeuw weet waarmee we bezig zijn. Van Broeck: ‘In 1903 ging de Nobelprijs voor Scheikunde naar Svante Arrhenius omdat hij uitgerekend had dat broeikasgassen de planeet zouden opwarmen. Eugène Huzar schrijft in 1858 dat de ontbossing en de CO2-uitstoot het planetair systeem volledig zullen verstoren.’

Enkele opvallende citaten uit het gesprek:

‘Er is eigenlijk maar één probleem: het ecosysteem van de planeet gaat kapot.’

‘Er is eigenlijk maar één probleem: het ecosysteem van de planeet gaat kapot. En dat ecosysteem is een jas met drie lagen: water, bodem en lucht. Wij hebben dat water verzuurd met te veel CO2 in de oceanen, wat het phytoplankton afbreekt – en dat maakt driekwart van onze zuurstof. We hebben de oceaan voor tachtig procent leeggevist, en vol plastic gepropt. De bodem hebben we voor 70 tot 90 procent afgedekt met onze activiteit en de lucht hebben we volgepompt met CO2, methaan en andere broeikasgassen, waardoor het klimaat gigantisch instabiel gaat worden. Kunnen we die crisis oplossen door batterijen in onze auto’s te steken? Natuurlijk niet. Wat wij moeten doen, is stoppen met het stukmaken van de jas.’

‘We hebben te maken met een systemisch probleem. Alles hangt samen. De uitstoot van de industrie komt voort uit het groeimodel en de wegwerpproductie die spullen zo ontwerpt dat ze na vijf jaar stuk gaan en we nieuwe spullen kunnen kopen. De migratie van mensen die op zoek zijn naar een beter leven, is het gevolg van het feit dat het huidige marktmodel de ongelijkheid in stand houdt of nog vergroot. Daardoor worden de gevolgen va milieuvervuiling en klimaatverandering ongelijk verdeeld en zullen mensen die het minst CO2 hebben uitgestoten of afval hebben geproduceerd, zullen de ergste gevolgen dragen.’

‘Ons idiote geloof in de eeuwige expansie en groei op een planeet die niet oneindig mee blijft groeien, dat is natuurlijk absurd.’

‘Ons marktmodel, ons idiote geloof in de eeuwige expansie en groei op een planeet die niet oneindig mee blijft groeien, dat is natuurlijk absurd. De winning van grondstoffen voor landbouw en productie is verantwoordelijk voor het verdwijnen van 90 procent van alle ecosystemen en voor 50 procent van alle uitstoot.’

‘Wij moeten plaats teruggeven aan de natuur. Zelfs de betonstop volstaat niet: we hebben nu al te veel plaats ingenomen. We moeten opnieuw in een kleiner gebied met onze woningen, maar ook met de ambachtelijke zones, de landbouw. Tegelijk moet de industrie “ontkoppelen”: werken met minder grondstoffen en minder ruimte. Dat betekent dat een bedrijf licht gaat verkopen in plaats van lampen – waardoor de lampen vanzelf duurzamer gemaakt worden, want een lange levensduur van het product wordt een voordeel voor het bedrijf.’

‘Het verschil tussen haves en have-nots kan aangepakt worden met een echte deeleconomie, zoals de burgers van Eeklo die nu aandeelhouder zijn van het energienet van hun windmolenpark. Daardoor vloeien de winsten van de energieproductie niet weg naar Suez of Tractebel, en er ontstaat een breder draagvlak voor de klimaatdoelstellingen. Zo een deeleconomie werkt herverdelend, maar maakt iedereen tegelijk ook een beetje aandeelhouder. De meeste klimaatoplossingen brengen niet alleen meer op dan ze kosten, ze zijn ook verbindend tussen links en rechts. Verbinding is nodig, want geen enkel land kan op zijn eentje zorgen voor zijn eigen atmosfeer. Goed beleid vraagt planetaire solidariteit, of je dat nu leuk vindt of niet.’

‘Het ging nog nooit zo goed met de mensheid als nu. Voedselprijzen zijn laag, levensverwachting is hoog, scholingsgraad is hoog, analfabetisme is laag, gezondheidszorg is goed, het aantal democratieën was nog nooit zo hoog. We hebben het goed en we zijn ook met zoveel, maar daardoor is het nog nooit zo slecht gegaan met de natuur.’

‘De toekomst: je geraakt overal voor minder geld, het openbaar en het collectief systeem is sneller, goedkoper, efficiënter.’

‘Welk wereldbeeld komt er in de plaats? Het wordt groener in de stad, het wordt meer dorp, meer kleine stad, meer grote stad, maar geen verkavelingen meer. Meer platteland, meer natuur, meer landbouw, schonere lucht, minder files, lagere belastingen, sneller op uw werk, alles in de buurt, vlakbij. Scholen, kinderen, crèches, kindvriendelijke straten. Vermoedelijk autovrije steden, waar alle auto’s deelwagens en taxi’s zijn, dus je geraakt als je slecht te been bent overal met een auto maar je moet er zelf geen meer hebben. Je geraakt overal voor minder geld, het openbaar en het collectief systeem is sneller, goedkoper, efficiënter.’

‘Er worden meer klinkers en beton uitgebroken in de steden zodat die in de zomer ’s nachts niet zo heet blijven. De steden zijn vochtiger, met meer parken en tuinen en vijvers, met meer natuur in de stad. Stel je voor dat je opnieuw een kwart natuur hebt in Vlaanderen, in de plaats van die vijf-zes procent die we nu hebben. Dat je overal opnieuw trekvogels en watervogels ziet en op het platteland kunt gaan wandelen en dat de herten voor u weglopen. Dat is een beetje een aards paradijs en wij zijn daar bang van, maar we kunnen dat zelf terug laten komen. We moeten dat niet eens zelf maken, als we genoeg plaats maken begint die jas van water, aarde en lucht die onze aarde omwikkelt zichzelf opnieuw op te fleuren, die wordt weer florissant gezond.’

‘Geen democratie zonder inzicht. Want inspraak zonder inzicht leidt altijd tot uitspraken zonder uitzicht.’

‘Draagvlak ontstaat wanneer de burger begrijpt waarover het gaat. Geen democratie zonder inzicht. Want inspraak zonder inzicht leidt altijd tot uitspraken zonder uitzicht. We zijn een hoogopgeleide bevolking, dus als je mensen haarfijn uitlegt wat de opties zijn en welke consequenties daaraan vasthangen voor hen en hun kinderen en kleinkinderen, dan zullen de keuzes heel erg meevallen. We moeten burgers niet om de vijf jaar éénmaal om hun stem vragen, maar hen permanent betrekken op basis van dialoog en uitwisseling.’

‘Het totaalgewicht van alle wezens met een ruggengraat bestaat voor 65 procent uit de veestapel die voor de mensen dient, voor 32 procent uit de mensheid zelf en voor nog slechts 3 procent uit dieren in de natuur. Dat zijn objectieve feiten en cijfers. Dat is geen doemdenken, maar de vaststelling is wel dat de natuur zo goed als verdwenen is, als 97 procent uit onszelf, onze varkens en koeien bestaat.’

‘Ik denk dat we een generatiewissel meemaken. Na eeuwen van antropocentrisme – de mens als maat van alle dingen, de mens als enige intelligente wezen – beginnen we te beseffen dat wij toch niet de koningen der aarde zijn, dat de schepping niet van ons is maar dat wij deel zijn van de aarde. De huidige crisis zet ons op onze plaats, en dat zal ons enorm deugd doen. Dat inzicht wordt ook uitgedrukt door de nieuwe generatie die massaal op straat komt met de slogan: ‘Not Climate Change but System Change’. De jongeren vragen dat de mens zichzelf in vraag stelt. En dat zal ons groter maken, als gulle vrijgevige mensen die afgeraakt zijn van hebberigheid. We gaan naar een leven met “beter” in plaats van een leven met “meer”. Meer zijn in de plaats van hebben, om het met een gedicht van Ed Hoornik te zeggen.’

We gaan naar een leven met “beter” in plaats van een leven met “meer”.

‘In Vlaanderen moeten we naar een kwart natuur. We hebben nu nog zes procent, dat is negentien procent te weinig, dat is 257.000 hectare bijmaken ten koste van uitgewoonde linten, uitgewoonde verkavelingen en ten koste van een stuk van onze landbouwbodem. De landbouw is slechts 0,7 procent van ons bruto binnenlands product omdat de voedselprijzen gekelderd zijn, dus wij kunnen een gezondere landbouw maken op minder grond.’