Stijn Oosterlynck: ‘Vlaanderen is een ultraliberale staat, op het vlak van woonbeleid’

Podcast

MO* Q&A: ‘We wéten hoe we samenleven in diversiteit kunnen stimuleren en mogelijk maken’

Stijn Oosterlynck: ‘Vlaanderen is een ultraliberale staat, op het vlak van woonbeleid’

Stijn Oosterlynck: ‘Vlaanderen is een ultraliberale staat, op het vlak van woonbeleid’
Stijn Oosterlynck: ‘Vlaanderen is een ultraliberale staat, op het vlak van woonbeleid’

Stadssocioloog Stijn Oosterlynck (UA) is als academicus heel sterk betrokken op de grote vraagstukken van vandaag: stedelijkheid, diversiteit, duurzaamheid, democratie. Deze podcast is verplichte luistertijd voor regeringsonderhandelaars en al wie beleid wil voeren.

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Er bewoog de voorbije maanden weinig op het politieke schaakbord van dit land. Maar als er debat plaatsvond, dan waren stad, diversiteit of duurzaamheid nooit ver weg.

Dat is al reden genoeg om Stijn Oosterlynck uit te nodigen voor een stevig interview, want als socioloog probeert hij de onderliggende processen en houdingen achter conflicten en botsende visies over die thema’s te begrijpen. Bovendien slaagt Oosterlynck er altijd in om de essentie van academisch onderzoek helder te verwoorden en te vertalen naar heel concrete praktijken.

Wat maakt de stad zo speciaal dat je er academisch op focust, maar ook dat de politiek er zo veel belang aan hecht?

Stijn Oosterlynck: De stad is het laboratorium voor nieuwe vormen van samenleven. De stad ligt in de frontlinie, onder andere van migratie maar ook van armoede. Nieuwe technologieën worden vaak eerst in de stedelijke omgeving toegepast.

Daarom is de stad zo interessant voor een socioloog om te observeren en ook om te kijken hoe de samenleving eventueel in een andere richting gestuurd kan worden.

De onbetaalbare stad

De stadsvlucht van dertig jaar geleden lijkt vandaag gekeerd in een bestorming van de stad, tenminste als je de steil stijgende huur- en woningprijzen als graadmeter neemt.

Stijn Oosterlynck: Het klopt dat de steden, die tot begin van deze eeuw hun bevolkingsaantallen zagen krimpen, opnieuw zijn gaan groeien. Alleen: dat betekent niet dat de stadsvlucht gestopt is. Meer gegoede families verlaten nog altijd de stad, vaak op het moment dat ze kinderen krijgen of die kinderen beginnen opgroeien. Zij koesteren nog steeds het ideaal van een vrijstaande woning met een grote tuin. De groei van de stedelijke bevolking is dan ook bijna uitsluitend op het conto van externe migratie te schrijven.

Maar die immigratie bestaat grotendeels uit mensen die op of onder de armoedegrens overleven. Hoe verklaar je dan die stijgende huur- en woningprijzen?

Stijn Oosterlynck: Nieuwkomers zijn inderdaad meestal niet kapitaalkrachtig, maar ze komen naar de stad omwille van hun contacten en netwerken, de publieke dienstverlening die er is, maar ook het private aanbod van goedkope winkels, de informele arbeid en huisvesting die in de stad makkelijker voorhanden zijn.

De groeiende bevolking zet druk op het woningaanbod, dat zich niet zo snel aanpast. Daardoor komen die mensen op de private huurmarkt terecht, ook al is dat het segment van de woonmarkt dat vaak de laagste kwaliteit biedt: oude huizen, vaak nog uit de periode van de industriële revolutie, die voor een veel te hoge prijs verhuurd worden aan veel te veel mensen tegelijk.

‘De welvaartsstaat die op veel terreinen heel goed uitgebouwd is, blijft zwaar in gebreke in de huisvestingsector.’

Moet de overheid dan tussenkomen, bijvoorbeeld met een groter aanbod van sociale woningen?

Stijn Oosterlynck: De overheid heeft zeker een belangrijke rol te spelen. Huisvesting is een grondwettelijk recht en ook in de Vlaamse wooncode staat dat de Vlaming recht heeft op een betaalbare en kwalitatieve woning in een goede omgeving. Maar de welvaartsstaat die op veel terreinen heel goed uitgebouwd is, blijft zwaar in gebreke in de huisvestingsector.

Op dat vlak zijn wij een ultraliberale staat, altijd al geweest. Vlaanderen heeft 7 procent sociale huisvesting, terwijl het Verenigd Koninkrijk na decennia van neoliberalisering en grootschalige privatiseringsprogramma’s nog altijd rond de 20 procent sociale huisvesting heeft.

Eigendomsverwerving staat bij ons centraal. Dat is een erfenis van de christendemocratische traditie van “één familie, één huis” in Vlaanderen, als de beste manier om het christelijke gezin te laten functioneren. Want een eigen huis maakt de mensen verantwoordelijk. Het gevolg is dat het grootste deel van de overheidsmiddelen voor huisvesting – vandaag ongeveer tachtig procent – gaat naar eigendomsverwerving. Die investering drijft de huizenprijzen op en verdwijnt dus eigenlijk in een bodemloze put.

Bovendien heeft de middenklasse die steun niet echt nodig. Van de dertig procent lagere inkomens zit ongeveer zeven procent in sociale huisvesting. Zij betalen een huur die afgestemd is op hun inkomen.

Maar de anderen betalen op de private huurmarkt een hoge prijs voor een kwalitatief slechte woning. Voor deze groep heeft de private markt sinds de Tweede Wereldoorlog nog nooit gewerkt, en zal ze ook nooit werken, omdat het geen kapitaalkrachtige groep is.

Wat motiveert een partij als N-VA dan om sociale huisvesting te weren uit de stad, of haar toch zo minimaal mogelijk houden – als we de startnota van Bart De Wever als vertrekpunt nemen?

Stijn Oosterlynck: Het gaat zeker niet alleen om de N-VA. Geen enkele minister van Huisvesting heeft de voorbije decennia de kaart van de sociale huisvesting getrokken. Niet de christendemocraten, niet de sociaaldemocraten, niet de liberalen.

Eigenlijk heeft Liesbeth Homans van N-VA een klein beetje een inhaalbeweging ingezet door jaarlijks een 2500-tal extra sociale woningen te realiseren.

Maar nu zou het aantal gefinancierde sociale woningen in de stad wel geplafonneerd worden?

Stijn Oosterlynck: Het gaat eigenlijk over de spreiding van de sociale huisvesting, die vandaag nog altijd geconcentreerd zit in enkele grootsteden en een aantal industriesteden. Kleinere of rijkere gemeenten hebben nooit geïnvesteerd in sociale huisvesting, en ze zagen de armere inwoners graag naar de steden vertrekken. Zo’n vijftien jaar geleden hebben een aantal stedelijke politici aan de alarmbel getrokken en gesteld dat ook andere, voorstedelijke gemeenten de last moesten helpen dragen. Een van de voortrekkers daarvan was toenmalig burgemeester van Antwerpen, Patrick Janssens.

Die visie geraakte verankerd in het Grond- en Pandendecreet, waarin elke gemeente een sociaal objectief voor sociale huisvesting opgelegd krijgt. Steden met al negen procent van hun woningaanbod in sociale huisvesting zouden dan niet langer moeten bijbouwen, maar mochten dat wel. Gent deed dat, Antwerpen niet.

Dat sociaal objectief was een minimumgrens, maar die wordt in de Vlaamse Startnota plots een maximum. Niet de spreiding is een probleem, wel het vastleggen van de negen procent als een maximum.

De Vlaamse lintworm

De spanning tussen stad en platteland is zo oud als de staat, maar lijkt de jongste jaren alleen maar scherper te worden. Voorstellen, in het kader van klimaatbeleid, om het wonen te verdichten, lijken meteen te leiden tot een nieuwe boerenkrijg van het platteland tegen de sansculotten van de stad. Waarom slagen we er zo slecht in om voorbij de lintbebouwing te denken?

Stijn Oosterlynck: Er zijn effectief grote verschillen tussen stad en platteland, of beter: tussen de grootsteden Antwerpen, Gent en Brussel en alle andere gemeenten, bijvoorbeeld op het vlak van armoede en diversiteit. De grootsteden staan dan ook voor specifieke problemen, maar tegelijk wordt de tegenstelling tussen grootstad en verkavelings-Vlaanderen ook wel eens overdreven. Zeker als het gaat over ecologische kwesties is die tegenstelling een gemakzuchtig frame, want een duurzamere omgang met de openbare ruimte gaat niet over stad versus platteland, maar over een keuze voor kernen in plaats van voor een verspreide bevolking. Het landschap dat we sinds de Middeleeuwen hebben, is dat van enkele grotere steden en veel kleinere steden, die allemaal relatief dicht bij elkaar liggen. Daarbinnen zijn alle kernen waardevol, ook op het platteland. De lintbebouwing is het probleem.

Diversiteit, extreemrechts en investeren in sociaal beleid

Een ander opvallend verschil tussen stad en platteland zat in de verkiezingsuitslagen van 26 mei: terwijl extreemrechts een opvallend sterk resultaat behaalde op het platteland, bleek dat niet het geval te zijn in de grote steden. Zit dat verschil in de demografie, de superdiversiteit van de steden, of in het feit dat die steden al twintig jaar of langer een actief beleid voeren om de groei van extreemrechts af te remmen of te voorkomen?

Stijn Oosterlynck: Het Vlaams Blok of Belang is terug, maar niet op dezelfde manier als voorheen. De partij begon ooit als een typisch grootstedelijk fenomeen in de Antwerpse, negentiende-eeuwse gordel. Ze is daar vandaag nog wel aanwezig, maar domineert daar helemaal niet meer de politieke dynamiek of het sociale leven. Extreemrechts is vandaag vooral een suburbaan fenomeen, een politieke kracht in verkavelings-Vlaanderen en landelijk Vlaanderen.

De bevolkingssamenstelling van de steden is daarin een belangrijke factor, uiteraard. Als Antwerpen een minderheid-meerderheidsstad geworden is, waarin meer dan de helft van de mensen een migratie-achtergrond heeft, dan beseft het VB zelf ook wel dat het moeilijk is daar een electoraal draagvlak te krijgen.

Het is de implosie van het midden van het politieke spectrum die geleid heeft tot de opkomst van extreemrechts in West-Vlaanderen en delen van Limburg.

Daarnaast is er ook ingezet op stadsvernieuwing binnen die achtergebleven buurten. Het Vlaams Blok heeft ons eigenlijk het stedenbeleid gegeven. Zijn opkomst in de multiculturele wijken van de steden creëerde paniek in de gevestigde politieke wereld en leidde ertoe dat onder andere Jean-Luc Dehaene stelde dat absoluut aangetoond moest worden dat de inwoners daar niet vergeten werden. Wat ze wel waren.

Die investering heeft geleid tot veel weerbaarder wijken, waar ook meer dienstverlening is, waar formules uitgedacht worden om het samenleven in diversiteit beter te laten verlopen, wat ongetwijfeld gezorgd heeft voor buurten die veel beter met de spanningen en diversiteit kunnen omgaan, en waar het VB dus minder kans maakt.

De landelijke doorbraak van het VB is eigenlijk een inhaalbeweging. De enige regio die nog geen Zwarte Zondag beleefd had, was West-Vlaanderen, en dat is nu rechtgezet. Dat heeft ook te maken met de tanende macht van de christendemocratie, met West-Vlaanderen als haar laatste grote bolwerk. Het is de implosie van het midden van het politieke spectrum die geleid heeft tot de opkomst van extreemrechts in West-Vlaanderen en delen van Limburg.

In de grootstedelijke wijken konden buren samengebracht worden, met het gemeenschappelijke belang dat ze de wijk en de stad leefbaarder wilden maken. In de Kempen of West-Vlaanderen heeft men vooral schrik dat “de Andere” een buur zou worden.

Stijn Oosterlynck: Migratie is intussen overal. Kijk bijvoorbeeld naar Turnhout, maar ook naar heel wat West-Vlaamse gemeenten. Dat heeft ook te maken met een verschillend vestigingspatroon van nieuwe migranten. De Turkse, Marokkaanse en Italiaanse gastarbeiders gingen wonen bij de mijnen of de metaal- of textielindustrie waarin ze actief waren. Vandaag zie je dat de Oost-Europese migranten zowat overal terechtkomen omdat ze voor de bouwindustrie of de tuinbouw werken, die geografisch veel meer verspreid zijn.

Ook de asielmigratie heeft men bewust proberen spreiden over het grondgebied. Migratie is dus overal, al blijven mensen het zeker wel overschatten. Maar het is geen cijferdiscussie, het gaat over het aanvoelen dat de gemeenschap waarin mensen leven verandert. Men ervaart dat de gemeenschap van vroeger, die zeker ook geïdealiseerd wordt, vandaag geïnfiltreerd wordt door nieuwkomers waarvan men niet zeker weet of men ze wel wil.

Het antwoord in de grote steden is de opbouw van nieuwe, stedelijke identiteiten als alternatief voor de oude nationale identiteiten uit de negentiende eeuw.

Stijn Oosterlynck: Niet alleen in de grote steden. Elke stad heeft intussen wel een stadsslogan om de lokale identiteit in de verf te zetten. Izegem voert al jaren de slogan: ‘Preus op Izegem’, maar het Vlaams Belang heeft er heel sterk gescoord en de stad had al een sterk N-VA. De vraag is vooral hoe inclusief die lokale identiteit ingevuld wordt. Ik hoop dat we nu niet overal de discussies gaan herhalen die we in Antwerpen, Gent of Brussel gehad hebben in de jaren 1980. We wéten vandaag veel beter hoe we samenleven in diversiteit kunnen stimuleren en mogelijk maken. Die ervaringen kunnen niet zomaar overgezet worden, maar we weten wel hoe eraan te beginnen.

Geef eens een voorbeeld?

Stijn Oosterlynck: Er is het model waarmee Bart Somers in Mechelen uitpakt en waar Tom Meeuws in Antwerpen wil uitpakken, en dat gaat uit van de vaststelling dat de inwoners van de stad geen gedeeld verleden hebben, dat het verleden eerder zorgt voor verdeeldheid, zoals in de discussies over Zwarte Piet of koloniale standbeelden. Daarom moet er gemikt worden op een gedeelde toekomst. Die toekomst wordt niet gebouwd op het verleden, zoals vroeger, maar op de inzet van actuele inwoners.

Een belangrijke facto daarbij is de aanwezigheid van sterk sociaal-cultureel werk. Dat betekent niet dat het verleden vergeten moet worden, maar het krijgt een andere plaats. De Gentse Rabotwijk, bijvoorbeeld, heeft een sterk textielverleden. Dat was ook de reden waarom veel Turkse migranten er zijn komen wonen. Maar de wijk heeft nu haar sociaal weefsel verloren en is sterk verarmd. Sociaal-culturele werkers stelden vast dat veel Turkse vrouwen in achterkamertjes naai- en verstelwerk deden. Dat gaf aanleiding tot een nieuwe klemtoon op textiel als gedeelde identiteit tussen de nieuwe inwoners en de oude arbeidersklasse dien nog levendige herinneringen heeft aan de textielindustrie. Zoiets vraagt een investering in sociale verbanden, in buurt- en opbouwwerkers die samen met bewoners verbanden opzoeken en herstellen.

Een middenveld met vele akkers

Dat lijkt in te gaan tegen de trend dat overheden eerder gaan besparen op sociaal-cultureel werk en middenveldorganisaties liever kwijt zijn dan rijk.

Stijn Oosterlynck: Er zijn zeker wel bedreigingen voor het middenveld, maar daarin moet je toch het onderscheid maken tussen de Vlaamse koepelorganisaties, waar de meeste subsidies naartoe gaan, en echt lokale organisaties die vaak met heel weinig subsidies rondkomen en op vrijwilligerswerk draaien. De bedreiging is vooral reëel voor de Vlaamse structuren, en alhoewel die heel belangrijk zijn voor de lokale werkingen, zullen die laatste niet zo snel verdwijnen, ook al vallen subsidies weg voor de structuren. Wat hen wel bedreigt, is de grote vergrijzing van lokale organisaties en het gebrek aan visie voor de stad.

Te weinig visie, betekent dat ook een onvoldoende kritische houding tegenover de overheid? Je hoort wel eens dat het middenveld verworden is tot onderaannemers van de overheid of een louter dienstverlenende sector.

Stijn Oosterlynck: Het middenveld is zeer divers, van het klassieke verenigingsleven over sociale economie tot de welzijnssector. Uit recent onderzoek dat we deden naar de rol van het middenveld, blijkt dat de gemeenschapsvormende rol het allerbelangrijkste is, ook voor sociale economie.

Daarnaast is er de dienstverlenende rol: activiteiten organiseren, mensen verzorgen, enzovoort. Volgens de middenveldorganisaties is dat hun tweede belangrijkste functie. De politieke rol, het nastreven van maatschappelijke veranderingen, is historisch heel belangrijk in Vlaanderen, maar wordt nu door de betrokken organisaties zelf op de derde plaats gezet. Uit de bevraging blijkt ook dat die politieke rol vandaag even groot of groter is dan tien jaar geleden.

Is dat een goede evolutie?

Stijn Oosterlynck: Ik denk het wel. De vraag is eigenlijk wat ze bedoelen met die politieke rol. In de welzijnssector stelt men bijvoorbeeld vast dat het nieuwe decreet de organisaties een signaalfunctie geeft die ze vroeger niet hadden. Dat zien zij als een toegenomen politieke rol. Een ander voorbeeld is dat de koepelorganisaties van de sociale economie aan politieke belangenbehartiging doen. Dat staat trouwens heel vaak centraal in het politieke werk.

De discussie over de depolitisering van het middenveld gaat over veel meer, dat gaat over de vraag of het middenveld het maatschappelijk debat over hoe de samenleving er moet uitzien nog wel aanvuurt. Femma kan bijvoorbeeld de belangen van vrouwen behartigen, maar ze kan ook het debat over de werk-levenbalans op de politieke agenda zetten, zoals de organisatie nu doet in het kader van een actieonderzoek dat alvast tijdelijk de invoering van de dertigurenweek in de eigen organisatie inhoudt.

Misschien moeten middenveldorganisaties hun politieke rol ook breder invullen en niet enkel mikken op politiek beleid, maar ook op economische keuzes en dynamieken?

Stijn Oosterlynck: Absoluut. De politieke rol wordt nog te vaak heel traditioneel ingevuld als beleidsbeïnvloeding. Dat past binnen het idee van de verzuiling, waarbinnen ideeën en voorstellen van de basis doorgegeven werden via eigen organisaties naar bevriende politieke mandatarissen. Dat resulteerde in gebrekkige transparantie en achterkamerpolitiek, een traditie ook van wegen op de macht zonder verkozen te zijn.

De Boerenbond die nog altijd probeert te wegen via ministers zoals Joke Schauvliege, dat is een aflopend verhaal, al was het maar omdat de zuilpartijen zelf nauwelijks nog gewicht hebben.

De vernieuwing van het middenveld sinds de jaren zestig is een poging om daar vanaf te komen en andere modellen van politiek werk uit te proberen. Dat gaat in de richting van een meer publieke rol in het politieke debat, het gesprek weghalen uit de achterkamers en democratiseren. Dat krijgt de vorm van levensstijlpolitiek, zoals de vegetarische beweging dat doet. Zij toveren de winkel om tot een politieke arena, door te vragen dat er een vegetarisch aanbod komt. Of ook: de activisten tegen plastic die alle verpakkingsplastic bij de kassa van de supermarkt achterlaten om te tonen wat de kost is van al dat plastic.

Een andere vorm van politiek werk is wat David Van Reybrouck doet met zijn deliberatieve politiek, door te argumenteren dat we de macht niet moeten afstaan bij verkiezingen, maar op allerlei fora moeten blijven discussiëren. Maar politiek werk kan ook door de agonistische weg op te gaan, waarbij je de tegenstrijdigheden of tegenstellingen in het publieke debat zichtbaar maakt en je net daardoor op het debat probeert te wegen.

Opnieuw Femma: vroeger schreven ze memoranda die maar doorgegeven moesten worden aan de CD&V, vandaag beseffen ze dat dat niet meer werkt en dus gaan ze het debat publiek voeren. Heel anders dan de Boerenbond die nog altijd probeert te wegen via ministers zoals Joke Schauvliege, maar dat is een aflopend verhaal, al was het maar omdat de zuilpartijen zelf nauwelijks nog gewicht hebben.

Maar het middenveld is zelf ook geen monoliet. In de grootsteden moet het noodzakelijk divers zijn of worden, waardoor er vaak ook andere prioriteiten groeien dan in de grote, erkende organisaties in de rest van het gewest.

Stijn Oosterlynck: De etnische diversiteit is een grote uitdaging voor het middenveld, maar de sociale diversiteit is dat misschien nog meer. Wat dat betreft zien we dat de verzuilde middenveldorganisaties vaak nog net iets beter scoren en meer laaggeschoolden betrekken dan de nieuwe sociale organisaties die vooral een zaak zijn van hooggeschoolden. Maar ook voor etnisch-culturele diversiteit is er nog lange weg te gaan zijn er blijkbaar nog geen goede formules om die diversiteit een plek te geven, ook niet in de steden.

We hebben dit jaar een onderzoek afgerond in Borgerhout en Molenbeek, en het overwegende beeld blijft dat van segregatie: de etnische zelforganisaties zijn vaak klein, informeel en hebben moeite om het hoofd boven water te houden, daarnaast zijn er de klassieke organisaties, die weliswaar tanende zijn, die overwegend wit en verzuild zijn, en dan zijn er de nieuwe burgerinitiatieven die zeer wit en hoogopgeleid zijn. Dat kan veranderen als er een middenklasse ontstaat met een migratieachtergrond. Zij zetten vaak zelf ook organisaties op, maar ze kunnen ook brugfiguren worden.

Ook organisaties zoals Samenlevingsopbouw zijn cruciaal omdat zij organisaties vanuit de migratiewereld helpen om te gaan met de formele regels van het organisatieleven in België. De meer gemengde initiatieven zien we vooral opduiken in de jeugd- en sportsector. Let’s Go Urban, bijvoorbeeld, vertrekt van stadscultuur die jongeren delen en dat trekt een heel divers publiek aan. Binnen de sector van jeugdbewegingen probeert me al lang om meer diversiteit te realiseren, maar gaat men nu meer voor het realiseren van die doelstelling binnen de globale sector, eerder dan voor het realiseren ervan in elke beweging.

De podcasts van MO* zijn te beluisteren via Soundcloud, Apple Podcasts, Stitcher en Radiopublic.