Babassu en de Body Shop

Reportage

Babassu en de Body Shop

Babassu en de Body Shop
Babassu en de Body Shop

Het Braziliaanse noordoosten zonder babassubomen is zoals Frankrijk zonder eiken bossen. De babassunoot is alles voor deze bewoners: economie en politiek, eten en drinken, cultuur en traditie. En vooral, de babassu’s zijn een vrouwenzaak. Vandaag staat deze rijke traditie echter onder druk. Jongeren als Aliça doen er alles aan om de babassucultuur en de toekomstpersectieven op het platteland nieuw leven in te blazen.

Gemakkelijkheidshalve worden ze wel eens cocosnoten genoemd. Babassubomen groeien in het wild in de uitlopers van het Braziliaanse Amazonewoud, in de staten Pará en Tocantins, maar vooral in Piauí en Maranhão. De noten, ongeveer zo groot als een citroen, hangen in dikke trossen onderaan de kruin. Ze zijn als goud uit de hemel: zo’n 300 000 tot 400 000 gezinnen hebben in deze streek een inkomen uit de babassu. 90 procent van de babassu-economie is in handen van vrouwen.

© Comundos

© Comundos

De levensboom

Ongeveer de hele boom is dankbare grondstof: de bladeren doen dienst als dakbedekking of om tengere plantjes in de moestuin te beschutten tegen de zon. Of om manden te vlechten. De stam bevat onder de schors een vruchtvlees waar meel van gemaakt wordt voor pap, cakes en koekjes. Het is zo voedzaam dat het ook gebruikt wordt in de mengeling van pakketten die worden uitgedeeld in de hulpprogramma’s tegen ondervoeding.

© Alma De Walsche

© Alma De Walsche

De bolsters zelf bevatten binnenin een olierijke noot. De olie uit die noot wordt gebruikt voor het maken van zeep en verzorgingsproducten. Het afval, de harde bolster waarin de noot verankerd zit, wordt dan weer gebruikt als carbon voor het kookvuur, de oven of de smidse. Ten slotte is babassu ook een reëel betaalmiddel: je kan naar de winkel gaan met een zak babassunoten: 2 reais is de waarde van een kilogram noten, 10 reais (2,8 euro) voor 5 kg.

Aliça, een jonge sociologe, groeide op in het hart van de babassucultuur. In de workshop van Comundos maakte ze dit filmpje over zichzelf. Haar gemeenschap, Ludovico, is een gehucht van de gemeente Lago do Junco (Maranhão) op zo’n anderhalf uur van Bacabal, in Maranhão. Ludovico heeft geschiedenis geschreven in de strijd om de babassu:

De strijd om de babassu

Tot in de jaren zestig waren de babassubomen gemeenschappelijk goed. Ze groeiden in het wild en waren vrij toegankelijk. Met het privatiseren van de grond, eind de jaren zestig, is die in handen gekomen van grootgrondbezitters die hun eigendom met prikkeldraad omheinden en de toegang met zware poorten vergrendelden. De lokale bewoners, die landloze boeren waren, vaak afstammelingen van slaven, werden afgesloten van de babassu’s. Ze besloten echter om het daar niet bij te laten.

Ludovico, waar Aliça woont, is een gehucht van de gemeente Lago do Junco, op anderhalf uur rijden van Bacabal (Maranhão). In de strijd om de babassu is hier geschiedenis geschreven. Maria Alaidis is geboren en getogen in Ludovico. Ze vertelt: ‘De strijd om de grond begon hier in Ludovico in 1987: de grootgrondbezitters en de politie tegen de inwoners.’

© Alma De Walsche

Maria Alaidis: ‘We bevinden ons vandaag in een transitieproces; we willen de strijd om de grond overdragen van de oudere op de jongere generatie.’

© Alma De Walsche

Hun inzet was niet alleen de toegang tot de babassubomen, maar ook het verwerven van grond zelf op basis van de zogenaamde Wet Sarney over de toegang tot braakliggende grond voor landlozen. ‘We waren niet alleen, ook andere gehuchten hier in de buurt kwamen in opstand tegen de grootgrondbezitter. De enige toeverlaat in onze strijd was de kerk, met de pastoor die hier woonde. Die heeft ons door dik en dun verdedigd, met het evangelie in de hand, met juridische bijstand, met politieke bemiddeling.’

‘Toen we de grond in handen kregen, waren we straatarm. Hier was niets want alle gebouwen die overbleven had de grootgrondbezitter uit wraak in brand gestoken.’

Het was een verbeten strijd. Alaidis: ‘Tien jaar heeft dat geduurd. Aan weerskanten zijn er doden gevallen, in totaal wel 100. Uiteindelijk is de overheid met de grootgrondbezitters tot een overeenkomst gekomen in 1997. We vroegen 600 ha, we kregen 318 ha. Maar toen we de grond in handen kregen, waren we straatarm. Hier was niets want alle gebouwen die overbleven had de grootgrondbezitter uit wraak in brand gestoken. Tot op vandaag hebben we nog steeds geen eigendomstitels. We kregen alleen het vruchtgebruik van de grond voor tien jaar. Inmiddels zitten we al 18 jaar verder.’

Tegelijk kregen ze in 1997 in de gemeente Lago do Junco en in Ludovico een wet goedgekeurd die de toestemming gaf om overal babassunoten te gaan plukken, ook op private terreinen. Slechts een handvol dorpen hebben tot op vandaag die wet. Het is een actiepunt van de vrouwenorganisatie om die wet op niveau van de deelstaat en de regio goedgekeurd te laten krijgen.

De Body Shop

De bewoners van Ludovico hebben ook een coöperatie opgericht die 154 leden telt. Volgend jaar viert ze haar 25ste verjaardag. Mensen leveren hun babassuoogst in bij de coöperatie, waar  de noten tot olie worden verwerkt. Per jaar ontvangt de coöperatie zo’n 370 ton, vertelt João Valdecí Silva, de directeur van de coöperatie. Per kg ingeleverde babassunoten, krijgt de coöperatie ook een subsidie van 0,80 reais (0,28 euro) van de overheid als prijsondersteuning die dan doorbetaald wordt aan de klant.

© Comundos

© Comundos

De geperste olie wordt opgekocht door onder meer de Body Shop en geëxporteerd naar Groot-Brittannië, de VS en Italië. De export rendeert bijna dubbel zoveel dan de verkoop in Brazilië zelf, omdat ketens als de Body Shop de meerwaarde van de milieuvriendelijke en duurzame economie naar waarde schatten. In Ludovico zelf is er ook een klein fabriekje waar zeep wordt geproduceerd.

© Comundos

De geperste olie wordt opgekocht door onder meer de Body Shop en geëxporteerd naar Groot-Brittannië, de VS en Italië.

© Comundos

De volgende generatie

‘We zijn nu in een volgende fase gekomen:  de strijd om de regulering van de grond’, zegt Maria Aleidis. ‘We moeten ofwel eigendomstitels bekomen ofwel een toezegging voor pakweg 30 jaar. Maar we willen die eigendom als collectief bezit. We vrezen dat als er een opdeling gebeurt in percelen van bijvoorbeeld 10 ha, een grootgrondbezitter makkelijk de eigenaars individueel kan benaderen om de percelen terug te kopen.’

Een babacuboom heeft 90 jaar nodig om vruchten te dragen.

De vrees bestaat dat de eigenaars de bomen omhakken om plaats te maken voor monoculturen. Een babacuboom heeft 90 jaar nodig om vruchten te dragen. Dus, zelfs al zou men elders gaan herbebossen, dan zijn de vruchten pas rijp over twee generaties. Bovendien is er de druk van de oprukkende sojamonocultuur, zoals beschreven in Voeding Verknipt van Luc Vankrunkelsven.

De vraag is maar of de jongeren van vandaag met evenveel vuur en overtuiging de bomen en de grond gaan verdedigen als hun ouders.

Maria Alaidis: ‘We bevinden ons vandaag in een transitieproces; we willen de strijd om de grond overdragen van de oudere op de jongere generatie, zoals de AJR (Associação dos Jovens Rurais), de Organisatie van Plattelandsjongeren waar Aliça actief in is.’

‘Vijftien jaar geleden waren de jongeren nog makkelijker te overtuigen om hier te blijven. Vandaag zien we dat ze meer en meer wegtrekken, op zoek naar werk elders. Sommigen gaan naar de agro-industrie, wat we heel spijtig vinden. Wij willen dit dorp tot ontwikkeling zien komen, met een onderwijssysteem dat onze visie en waarden aan de jongeren doorgeeft. Wij willen dat de vorming van onze jongeren sociaal en politiek georiënteerd is en dat ze zich niet op sleeptouw laten nemen door de consumptiemaatschappij.’

‘Vroeger was er hier geen verharde weg en hadden we geen scholen. Nu is er een verharde weg, hebben we een school met een bord, er zijn stenen huizen gekomen, er is elektriciteit. Dat zijn grote veranderingen en dat brengt mensen in verwarring. Ze zijn verward tussen “vooruitgang” en “duurzame ontwikkeling”. Dat is erg verwarrend in het hoofd van onze jongeren’, vindt Maria Alaidis.

Jongeren zijn verward tussen “vooruitgang” en “duurzame ontwikkeling”

Wat is dan volgens haar het verschil tussen vooruitgang en duurzame ontwikkeling?

‘Volgens mij gaat “vooruitgang” gepaard met heel wat nadelen. Als ik geld verdien, en ik denk alleen maar aan mezelf en vergeet dat de ander onderwijs en gezondheid nodig heeft, is dat geen echte vooruitgang. Wij hebben ook een verantwoordelijkheid voor het geheel en voor de ander. Hetzelfde voor de akker, waar je rijst en maïs en bonen zaait. Je maakt dan gebruik van de natuurlijke rijkdommen van de bodem en het water, maar als je dan pesticiden gebruikt breng je grote schade aan. Men noemt dat “vooruitgang”. Daar tegenover staat duurzame ontwikkeling, waar je wel zorg draagt voor je omgeving, de natuur en voor de anderen.’

Als symbool om de traditionele cultuur te waarderen heeft de gouverneur van Piauí Wellington Dias onlangs, in juni, een wetsvoorstel voor een nationale dag van de babassu goedgekeurd. Voortaan is 24 september in Piauí de nationale dag van de babassu.

Aliça en haar moeder zijn “quebradeiras”, notenbreeksters, een traditie die van moeder op dochter wordt doorgegeven