Dagen en nachten van paranoia en achtervolging

Reportage

Dagen en nachten van paranoia en achtervolging

Dagen en nachten van paranoia en achtervolging
Dagen en nachten van paranoia en achtervolging

Een journalistieke reis langs de frontlijnen van geweld en onderdrukking levert boeiende ontmoetingen op met een paranoïde Tsjetsjeense tolk, een topterrorist in een buitenwijk van Islamabad, en gastvrije jihadi-tapijthandelaars in de Kasjmirvallei. Hanne Couderé deelt enkele dagboekfragmenten uit haar reportagereizen voor het dossier "Spiraal van geweld".

Etappe I: Tsjetsjenië : Я не говорю по-русски

Voordat ik het antiek vliegtuigje van Grozny Avia opstap, bel ik met Ruslandkenner Aude Merlin om haar enkele tips te vragen. De verhalen van Tsjetsjenen die ik in België sprak, blijven nazinderen in mijn hoofd en zadelen me met een ongerust gevoel op.

‘Tsjetjsenië, ben je je leven beu?’ en ‘De geheime dienst zal je dag en nacht in de gaten houden!’ waren zowat de meest voorkomende reacties wanneer ik het over mijn eerstvolgende reisbestemming had.

‘Een journalistenvisum? Ben je helemaal getikt! Als ik jou was, stak ik via Oekraïne in het geniep de grens over’, raadde een andere Tsjetsjeen me aan.

Gelukkig heb ik dat laatste advies wijselijk genegeerd.

Aude waarschuwt me om vooral niet met strakke jeansbroek en een rugzak over straat te lopen. ‘Draag lange rokken, bind een sjaaltje op je hoofd, niet roken in het openbaar, en alles komt goed!’

Op de centrale boulevard paraderen zwaarbewapende militairen naast meisjes met modieuze laarzen en halflange rokjes. Mijn rok zal ik toch wat moeten inkorten om niet in de kijker te lopen.

Als ik in mijn grootmoeders outfit de vlieghaven van Grozny uitstap, wacht Bashir* me in strak maatpak op, een jonge universiteitsdocent die voor me zal tolken. Hij rijdt me meteen naar een plaatselijke fastfoodzaak. Bashir praat snel, met feilloos Brits accent. We rijden een overweldigende skyline badend in flitsende lichtreclames tegemoet. Op de centrale boulevard paraderen zwaarbewapende militairen naast meisjes met modieuze laarzen en halflange rokjes. Mijn rok zal ik toch wat moeten inkorten om niet in de kijker te lopen, denk ik.

De volgende dag hebben we een afspraak met Igor Kalyapin, het Russische hoofd van het Committee Against Torture, die tijdelijk in Grozny verblijft voor het proces van Ruslan Kutaev, een politieke activist die naar eigen zeggen valselijk wordt beschuldigd voor het bezit van heroïne. Tijdens het proces verblijft Igor samen met een heleboel collega’s in een klein huurappartement waarvan de vloer bezaaid is met dossiers.

Overal staan computers. Mensen bellen, lopen zenuwachtig heen en weer, eten uithaalmaaltijden. Het wordt een lang interview. Op de terugweg naar het hotel discussiëren Bashir en ik over Kutaev, over Kadyrov, over het leven in Tsjetsjenië. Het is laat ‘s avonds als ik de deur van mijn hotelkamer achter me toetrek.

Zo’n twee uur later wordt er hard geklopt. Ik was net in slaap gedommeld. Iemand roept mijn naam. ‘Doe open, snel!’

Bashir storm de kamer binnen. Hij ziet er vermoeid uit. ‘Je recorder!’, roept hij, ‘Geef je recorder!’

‘Wis meteen de opnames van het interview met Igor Kalyapin’, beveelt hij, ‘En ook van al die andere mensen die we op dat appartement spraken.’

Even weet ik niet wat zeggen en trek de grote kamerjas over mijn schouders. ‘Wat is er gaande?’, vraag ik, ‘Van waar die paniek?’

‘Mijn stem…’, Bashir struikelt over zijn woorden en ijsbeert de kamer door. ‘Mijn stem staat op jouw recorder. Wis alsjeblief al die opnamen. Ook de back ups op je computer. Ik wil hier niets meer mee te maken hebben’.

‘Wat die man vertelde, waar Igor over sprak, dat is niet het Tsjetsjenië dat ik ken, dat is niet het Tsjetsjenië dat ik wil kennen’

Hij zet zich naast me op bed en kijkt me angstig aan. ‘Als ze te weten komen dat ik bij Kalyapin was in dat appartement. De dingen waarover hij sprak. De folteringen, de moorden. Ik kan daar niets mee te maken hebben’.

‘Dat zijn toch niet jouw woorden op de recorder’, probeer ik hem te kalmeren. ‘Je vertaalt  gewoon de dingen die zij zeggen’.

‘Het is voldoende dat mijn stem op die opname staat. Het bewijst dat ik vanavond in dat appartement was met jou. Niemand mag dat weten. Ze kunnen me komen halen, weet je? Ze kunnen me … Je maakte toch ook nota’s, niet?’

Ik doe wat hij vraagt, wis alle opnames en excuseer mij. ‘Ik wilde je niet in gevaar brengen.’

Hij schudt zijn hoofd. ‘Wat die man vertelde, waar Igor over sprak, dat is niet het Tsjetsjenië dat ik ken, dat is niet het Tsjetsjenië dat ik wil kennen.’

De volgende ochtend bel ik Bashir. Hij neemt niet op. Pas na de middag krijg ik een bericht:

Beste Hanne. De komende dagen zal ik het te druk hebben met de voorbereidingen voor de feestdag van de Russische eenheid. Ik stuur je zo meteen het adres van een vertaalbureau. Het gaat je goed. Veel succes nog in Grozny!’

Etappe II: Islamabad: de vriendelijke terrorist

In het zwart geklede mannen houden losjes een Kalasjnikov in de hand. Aftab grijnst: ‘Klaar om een terrorist te ontmoeten?’

Islamabad ontvangt me met open armen. Het is er aangenaam en groen en dat doet deugd na al die Tsjetsjeense paranoia en vrieskoude. Omdat het ministerie van Binnenlandse Zaken me geen toestemming geeft om naar Pakistaans Kasjmir af te reizen (Nee hoor mevrouw, wij hebben niets te verbergen. Het is die verdomde bureaucratie!) besluit ik er enkele dagen te blijven.

De telefoon in mijn hotelkamer rinkelt. Het is Aftab, een lokale journalist die een aantal interviews voor me zou regelen. ‘Zorg dat je binnen tien minuten klaarstaat. Ik heb een verrassing voor je!’

Onze taxi rijdt steeds verder de stad uit. Brede lanen maken plaats voor groezelige buitenwijken. Op het einde van een achterliggende doodlopende straat stoppen we voor een grote ijzeren poort bewaakt door twee in het zwart geklede mannen. Ze houden losjes een Kalasjnikov in de hand. Aftab grijnst: ‘Klaar om een terrorist te ontmoeten?’

Fazlur Rehman Khalil, ooit bevriend met Osama Bin Laden, begroet me met brede glimlach. Hij wordt verdacht van het trainen van jihadstrijders in Afghanistan, Pakistan en Kasjmir, en prijkt op de terreurlijsten van de VS en de VN. Recent kreeg hij van Amerika nog een extra financiële sanctie.

Tussen twee kopjes thee door schudt Khalil alle aantijgingen van zich af: ‘Ik lever niemand financiële steun noch wapens. Dit zijn grove leugens! Als iemand mij bewijs voorlegt, zal ik mij verdedigen! Mijn enige tijd als actieve militant was in Afghanistan toen ik als moedjahedien aan de zijde van de VS tegen de Russen vocht. De Amerikanen waren toen onze partners. Als ik een terrorist ben vanwege dit verleden, is de VS een nog grotere terrorist’.

‘De Amerikanen bombardeerden een huwelijksceremonie in Afghanistan waarbij tachtig burgers omkwamen. Het enige wat ze de volgende dag zeiden was ‘sorry’. Is dit dan geen terrorisme? Ik daag Obama voor de rechtbank, en ga tot het Internationaal Strafhof als het moet!’

Het komende uur beschuldigt Khalil zowat de hele wereld van terrorisme: de Indiase premier Modi, de Pakistaanse regering, de VN, de NAVO,… allemaal moeten ze er aan geloven.

Ik vraag me af wat een mens moet meemaken om zoveel haat te koesteren. Duidelijk is dat de aanhoudende conflicten in Afghanistan en Kasjmir wrok blijven voeden.

Van de Pakistaanse regering heeft hij geen last, zo zegt hij. En wie weet krijgt Khalil door zijn terroristenlabel juist meer aanzien bij zijn volgelingen.

‘In Kasjmir steunen we de gewapende strijd van de vrijheidsstrijders. Moreel, niet met wapens’, beweert Khalil. ‘Dat zullen we doen zolang India de dialoog afzweert, zolang deze grootmacht onschuldige burgers doodt, en zolang het Westen niets onderneemt’.

De financiële sancties opgelegd door de VN en de VS, lijken hem niet te deren. Van de Pakistaanse regering heeft hij geen last, zo zegt hij. En wie weet krijgt Khalil door zijn terroristenlabel juist meer aanzien bij zijn volgelingen.

Terreur bestrijden is haat bestrijden. Maar hoe doe je dat?

Wanneer de imam van de moskee oproept voor het gebed, is het tijd om te vertrekken. In de voortuin drinken vrouwen thee. Kahlil’s kleinkinderen wuiven me uit. ‘Moslims en niet-moslims moeten die enorme misverstanden tussen hen uitklaren’, zegt hij me nog voor ik de deur uit stap. ‘Anders zal de wereld getuigen van een geweldig bloedbad’.

Etappe III: Van het front naar tapijten

Ik verblijf pal aan het uitgestrekte Dal Lake in Srinagar, bij de familie van de 26-jarige Nanda die het werk van haar vermoorde vader, één van Kasjmir’s meest vooraanstaande mensenrechtenadvocaten, verderzet. Ze brengt me in contact met Karan, een ex-vrijheidsstrijder, die later haar geheime vriendje blijkt te zijn.

Vloekend wurmt Karan zich met zijn kleine Toyota door de dagelijkse verkeersellende. Door de dikke smog en onbestaande voorrangsregels duurt het uren om de andere kant van de stad te bereiken. Karan stopt om de paar minuten om ergens een pakketje op te halen of af te geven en roept aan de lopende band door zijn telefoon.

Tussenin vertelt hij over zijn jaren in Tihar in New Delhi, de grootste en meest gevreesde gevangenis van Zuid-Azië. ‘Op vijf jaar tijd werd ik er 20 jaar ouder’. Hij heeft gelijk, denk ik.

‘Vroeg of laat doet elke vrijheidsstrijder in tapijten’, zegt Karan.

Nu verdient Karan, zoals vele Kasjmiri’s,  zijn geld met de export van Kasjmiri handwerk. Het verzet liet hij lang achter zich. Een Tihar deel twee wil hij koste wat het kost vermijden.

‘Vroeg of laat doet elke vrijheidsstrijder in tapijten’, zegt hij. ‘Toen ik uit de gevangenis kwam, bood India mij een goede baan aan. Ik weigerde, wilde niet één van hun omgekochte slaven zijn. They try to corrupt everybody, you know’.

Karan citeert Franse filosofen, Arabische dichters, en Indiase schrijvers. Ik sta versteld hoeveel hij van de Europese cultuur kent. Wanneer het gesprek naar Maleisische prostitués en Singaporese restaurants afglijdt, breng ik het onderwerp voorzichtig terug naar de gewapende strijd.

‘Wie ben je eigenlijk, Hanne?’, schaterlacht Karan. ‘Voor wie werk je?’

Na de zoveelste autorit win ik zijn vertrouwen.

‘Vandaag voeren we de strijd op twee manieren’, begint hij. ‘Je hebt de vuurgevechten in de grensregio’s tussen militanten en het Indiase leger. Daarnaast heb je de Sleeper Cells hier in Srinagar: militanten die naar de stad afreizen om een specifiek doelwit om te leggen, en daarna opnieuw te verdwijnen’.

‘Ze willen sterven in naam van de islam. Trouwere soldaten kan je je niet wensen.’

‘Naast de autochtone Hizbul-i-Mujhadeen, zijn er twee groepen met buitenlandse strijders actief met aan het hoofd een Kasjmiri. Ook nu nog glippen strijders over de gesloten grens met Pakistaans Kasjmir’, verzekert hij me. ‘Ze zijn niet talrijk, maar we hebben hen broodnodig. Ze willen immers sterven in naam van de islam. Trouwere soldaten kan je je niet wensen’.

Karan’s toekomstvoorspellingen zijn donker. ‘Mijn ouders drukten pamfletten en zwaaiden met spandoeken, wij namen de wapens op, en onze kinderen zullen zich nog heviger verzetten tegen het onrecht in Kasjmir.’

Naar het front in de bergen brengt hij me niet. ‘Volgende keer’, zegt hij, ‘maar breng dan wel een satelliettelefoon mee. Je weet maar nooit’.

Karan brengt het gesprek terug op Franse auteurs. ‘La fin justifie les moyens mais qu’est ce qui justifie la fin?’, citeert hij met een zwaar accent. ‘Albert Camus is mijn favoriet. In Tihar heb ik een beetje Frans geleerd. Kan je me nog wat meer woorden leren?’

‘La fin justifie les moyens mais qu’est ce qui justifie la fin?’, citeert hij met een zwaar accent.

Franse lectuur en een islamitische strijd, twee zaken die in mijn Europese ogen onverzoenbaar lijken, vloeien voor Karan naadloos in elkaar over.

De laatste avond belooft Karan me naar het vliegveld te voeren. ‘Vlak voor je het vliegtuig opstapt zal ik een geheim vertellen. Iets wat te gevoelig ligt om nu al te zeggen. Je zal er van achterover zal vallen!’

De volgende ochtend laat Karan weten dat hij een dringende afspraak heeft en ik maar best een taxi neem. Zijn geheim is voor die volgende keer, als ik met een satelliettelefoon kom.

*om de veiligheid van deze personen te beschermen, gebruik ik fictieve namen

Dit artikel kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.