20 jaar MO*: ‘Leren van het Zuiden blijft in het Noorden erg moeilijk’

Reportage

Een greep uit 20 jaar MO*

20 jaar MO*: ‘Leren van het Zuiden blijft in het Noorden erg moeilijk’

20 jaar MO*: ‘Leren van het Zuiden blijft in het Noorden erg moeilijk’
20 jaar MO*: ‘Leren van het Zuiden blijft in het Noorden erg moeilijk’

Dit jaar prijkt de naam MO* precies twintig jaar op de cover van uw favoriete mondiale magazine. Naar aanleiding van die verjaardag duikt oud-hoofdredacteur Gie Goris in het rijkgevulde archief. Omdat het verleden nooit zo relevant was voor de toekomst als nu.

© MO*

© MO*

Dit jaar prijkt de naam MO* precies twintig jaar op de cover van uw favoriete mondiale magazine. Naar aanleiding van die verjaardag duikt oud-hoofdredacteur Gie Goris in het rijkgevulde archief. Hij pikt er een thema uit en gooit het voor de voeten van de vier jongeren die zich engageren in de raad van bestuur van vzw Wereldmediahuis, de uitgever van MO*. Omdat het verleden nooit zo relevant was voor de toekomst als nu.

Elke rivier heeft een bedding nodig, en voor MO* was dat de Vlaamse Noord-Zuidbeweging. 11.11.11, Broederlijk Delen, Vredeseilanden, Wereldsolidariteit, Trias, FOS en Oxfam Wereldwinkels zijn niet toevallig de initiatiefnemers van dit blad. Vandaag zijn er meer leden in de vzw die MO* uitgeeft, maar nog steeds komen ze bij grote meerderheid uit diezelfde beweging voor internationale solidariteit.

Bovendien is de financiering van MO* voor een belangrijk deel afkomstig van de budgetten voor ontwikkelingssamenwerking, zowel van de federale als de Vlaamse regering. Betrouwbare en mondiale informatie helpt om een breed draagvlak te creëren voor projecten, programma’s en omwentelingen die naar een rechtvaardige wereld moeten leiden. Zowel ngo’s als overheden zijn daar terecht van overtuigd.

‘Geen jaknikkers nodig’

Is die ontwikkelingsbeddingvoor MO* altijd probleemloos geweest? Uiteraard niet. Al was het maar omdat ontwikkelingssamenwerking in toenemende mate problematisch blijkt, zowel het concept als de praktijk. Bovendien is er altijd geld te weinig. Dan is er zo nu en dan weleens iemand die denkt dat het eigen tekort opgelost kan worden door te korten op MO*. Gelukkig zijn er altijd veel meer verantwoordelijken, ambtenaren, ministers en communicatiemensen die juist de unieke kracht van mondiale journalistiek erkenden en dus bleven ondersteunen.

In mei 2008 zat er opvallend veel ontwikkelingsnieuws in ons magazine. De cover was een fotomontage: een oude foto van koning Boudewijn en koningin Fabiola op bezoek in Congo bewerkt tot een beeld waarin Geert Bourgeois (toenmalig Vlaams minister-president) en Charles Michel (toen Belgisch minister voor Ontwikkelingssamenwerking) rondgedragen werden door Congolezen.

John Vandaele schreef een kritisch artikel over de Belgische ontwikkelingsbegroting en de creatieve omgang met cijfers. Stefaan Anrys bracht een reportage over Vlaamse hulp aan Mozambique. En ik schreef een stukje over een ‘radicaal nieuwe ontwikkelingsvisie’, gebaseerd op het socialezekerheidsdenken van Gorik Ooms.

Dat nummer leverde ons weinig applaus op bij onze financiers. Maar het gesprek erover versterkte wel de samenwerking op de lange termijn. Zowel de overheid als de ngo-sector beseft immers dat ze geen jaknikkers of satrapen nodig heeft, maar kritische verhalen waaruit geleerd kan worden.

‘We moeten mensen niet reduceren tot hun problemen’

Ange-Vanessa Nsanzineza (25), één van de vier jonge bestuurders van Wereldmediahuis, raakte al op jonge leeftijd geboeid én gefrustreerd door de verhalen over ontwikkelingshulp. ‘Het was vooral de denigrerende toon die me trof en dwarszat’, zegt ze. ‘Arme mensen worden herleid tot hun problemen. Zelden hoor je iets over hun echte leven, over hun feesten of dromen of over hun eigen geschiedenis en oplossingen.’

Dat deed pijn, want Ange wist dat ze thuis zelf ook op de rand van de armoedegrens leefden. En bovendien zagen die gedenigreerde mensen uit de ontwikkelingsverhalen er vaak uit zoals zij. Als leerlinge op de Antwerpse Linkeroever en zeker daarna in Merksem liet ze dat niet zomaar gebeuren. ‘Ik ben niet op mijn mondje gevallen’, lacht ze.

‘Een van de eerste stappen om dat ongenoegen om te zetten in constructieve daden,’ zegt Ange, ‘was dat ik begon mee te werken met jongerenmedia-agentschap StampMedia’, dat jongeren zelf de verhalen laat vertellen die ze in hun eigen wereld opmerken.

© Nisran Azouaghe

Ange-Vanessa Nsanzineza

© Nisran Azouaghe

Vandaag studeert ze antropologie aan de KU Leuven en werkt ze deeltijds voor de jongerenorganisatie Tumult. Daar is ze coördinator van Let us Talk, een programma dat jongeren samenbrengt ‘om met elkaar te praten over migratie en beeldvorming’, legt ze uit. ‘En dus ook over racisme, over hoe jongeren zich op school voelen, hoe hun familie in elkaar zit, kortom: over het leven zoals het is. Want we willen niet dezelfde fout maken die in de ontwikkelingswereld zo vaak voorkomt: de andere reduceren tot zijn problemen.’

‘Alsof het Zuiden nog altijd dankbaar zou moeten zijn voor hulp en voor opgedrongen beleidskeuzes.’

Voor ons gesprek stuurden we Ange het MO*magazine uit mei 2008 toe. ‘Lopen onze weldoeners elkaar voor de voeten?’, vraagt de cover. Op de vraag wat haar het meest opviel, antwoordt Ange: ‘Dat er zo weinig veranderd is. De manier waarop de overheid met ontwikkelingsgeld én met ngo’s omgaat, lijkt niet echt veranderd de voorbije vijftien jaar. Ik was dus niet verbaasd door wat ik las. En tegelijk is dat toch ook vreemd: dat alles bij het oude blijft, al weet iedereen dat dat niet goed is.’ Dat de Mozambikaanse regering toen al besliste om zelf het heft in handen te nemen in de gezondheidszorg, vindt Ange-Vanessa Nsanzineza hoopgevend.

Die assertiviteit van het Zuiden is in het Noorden vaak moeilijk om te aanvaarden, merkt Ange. ‘Alsof het Zuiden nog altijd dankbaar zou moeten zijn voor hulp en voor opgedrongen beleidskeuzes.’ Binnen de Noord-Zuidbeweging merkt ze wel meer enthousiasme voor de dekolonisering van de relaties.

De Noord-Zuidbeweging is nog veel te wit, vindt Ange, al ziet ze wel een eerste stap naar dekolonisering die de beweging vandaag al kan zetten: een echte plaats geven aan de kennis van het terrein binnen de diaspora. ‘Zo kan je de noden van onderuit veel beter in kaart brengen. Door de diepe en persoonlijke relaties die daardoor ook ingebracht worden, verdwijnt ook de eenzijdigheid en de suprematie van de witte redder’, gelooft ze.

Want het is de hoogste tijd ‘dat we van elkaar beginnen te leren. Als het Westen bereid was geweest om de ervaringen met zika of ebola ernstig te nemen, dan was men hier ook beter voorbereid geweest op een pandemie. Maar leren van het Zuiden blijft in het Noorden erg moeilijk.’

Dit artikel werd geschreven voor het zomernummer van MO*magazine. Vind je dit artikel waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.