‘In Peru wordt mijnbouw beschermd, terwijl de gemeenschappen er niet toe doen’

Reportage

Peruaanse gemeenschappen weinig hoopvol over nakende verkiezingen

‘In Peru wordt mijnbouw beschermd, terwijl de gemeenschappen er niet toe doen’

‘In Peru wordt mijnbouw beschermd, terwijl de gemeenschappen er niet toe doen’
‘In Peru wordt mijnbouw beschermd, terwijl de gemeenschappen er niet toe doen’

In Latijns-Amerika pikt de mijnbouw steeds meer grondgebied in. In Peru is dat inmiddels een vijfde van de totale landoppervlakte, en de gemeenschappen rond de mijnen zien hun levenskwaliteit gestaag achteruitgaan. Op 7 oktober zijn er regionale verkiezingen in Peru, maar die bieden geen hoop op verbetering. Met een regering die al zolang men zich herinnert de mijnbouw steunt, zijn de gemeenschappen op zichzelf aangewezen.

©

Mijnbouwproject Antapaccay in Espinar

©​

In alle vroegte ging zijn telefoon. ‘Je moet nu komen. Nu. Het is zover’, klonk het aan de andere kant van de lijn. Een stem vol wanhoop. Hij twijfelde geen seconde.

‘Er lagen vrouwen op de grond, gewond. Politieagenten stonden nog over hen heen gebogen. Het was duidelijk dat er agressie was geweest, al werd alles rustig toen ik er aankwam met mijn camera. Zodra er een camera bij is, doet de politie niks meer. Behalve dan proberen die camera af te pakken.’

Vidal Merma zit op een krakkemikkig bankje tegen de muur terwijl hij praat. Hij is zo ongeveer de enige journalist in Espinar, een provincie in het zuiden van Peru, die zich niet heeft laten inpalmen door de regering of door Glencore, het Canadese mijnbouwbedrijf dat de mijn in Espinar in handen heeft.

Boven zijn hoofd hangt een grote kaart van zijn provincie. De rood gekleurde delen behoren al tot de mijnbouw, de gele zijn in overdracht. De helft van Espinar is ingekleurd. De provincie Chumbivilcas behoort al voor bijna 100 procent toe aan de mijnbouw. Van heel het nationale grondgebied van Peru is dat voor bijna 20 procent het geval. En nog is het niet genoeg. De mijnbouwbedrijven moeten blijven uitbreiden, koste wat het kost.

En wat het kost, dat merkt vooral de lokale bevolking. Zij zien hun leven dagelijks achteruitgaan. Er is geen drinkbaar water meer, en hun kostbare landbouwgrond zit vol giftige metalen. Net als hun lichamen. Meer en meer mensen sterven aan kanker, en dieren worden misvormd geboren. Dieren met één oog, vijf poten, twee koppen. Alles hebben ze inmiddels al gezien. En ze staan er alleen voor. De regering doet niks voor hen. Sterker nog, de regering maakt wetten om de mijnbouwbedrijven in Peru te steunen. Zo duurt een stuk grond overdragen aan de mijnbouw dertig dagen tot maximaal vijf jaar, terwijl het voor de gemeenschappen tot wel 25 jaar kan duren voor ze eigendomsrecht over hun grond krijgen. Zelfs de nationale politie draaft braaf op wanneer de mijnbouwbedrijven het vragen. Zoals nu.

© Vidal Merma

Verzet in Alto Huarca wordt door de politie hardhandig de kop ingedrukt.

© Vidal Merma​

Samen sterk

Vroeger waren families snel overtuigd. Mijnbouwbedrijven paaiden hen met werkgelegenheid, studiebeurzen voor de kinderen, geld. Inmiddels weten veel gemeenschappen beter. Ze hebben gezien wat de mijnbouw werkelijk voor hen betekent. En ze leren beetje bij beetje hun rechten kennen, organiseren zich, beseffen dat het anders kan. Ze verzetten zich.

Maar dat laat de empresa niet zomaar gebeuren. Als je niet tekent, komen de bedreigingen. En krijgen ze je op die manier nog niet weggejaagd, dan haalt het bedrijf de politie erbij. Dat is wat er gebeurde in de gemeenschap Alto Huarca toen de familie Alvarez weigerde haar land te verkopen. Een deel van hun huis werd vernield, en een paar dagen later was het tijd voor de laatste stap: de politie werd op hen afgestuurd om hen hardhandig van hun land te verdrijven.

Verschillende personen uit de gemeenschap schaarden zich achter de familie Alvarez en samen lieten ze hun protest horen. Samen hielden ze stand. Zoals de kreet die tijdens iedere protestmars door de straten van Peru weerklinkt al zegt: El pueblo unido jamás será vencido. Het verenigde volk kun je nooit overwinnen.

Dat beseffen de mijnbouwbedrijven ook. Dus is het eerste waar ze op uit zijn de gemeenschappen te verdelen. Een paar weken eerder kreeg Merma hetzelfde telefoontje. Een even wanhopig klinkende stem. Ook toen sprong hij meteen op zijn motor, ook toen met gevaar voor eigen leven. Alleen kwam dat gevaar toen van een andere kant.

‘De pijn was erg, maar veel erger was dat de mensen voor wie ik me dagelijks inzet mij in elkaar sloegen. De gemeenschap had me verraden.’

‘Ze stonden me op te wachten’, vertelt hij. Hij schudt zijn hoofd, maar zijn glimlach verdwijnt nooit van zijn gezicht. ‘Ze sloegen me, pakten mijn camera af. Het was verschrikkelijk. De pijn was erg, maar veel erger dan de fysieke pijn was dat de mensen voor wie ik me dagelijks inzet mij in elkaar sloegen. De gemeenschap had me verraden. Het mijnbouwbedrijf had hen overtuigd, met geld, met werkmogelijkheden.’

Op die manier wilde het mijnbouwbedrijf verhinderen dat Merma de gemeenschappen nog bezoekt. Dat hij nog meer over hen publiceert, of de gemeenschappen nog meer verenigt. Verdeling binnen de vereniging. En even leek hun opzet geslaagd te zijn.

‘Twee weken lag ik in het ziekenhuis. Er was een moment waarop ik dacht: nooit. Nooit ga ik nog terug naar die gemeenschap, laat ze allemaal maar verrekken. Maar tijdens die twee weken heb ik tijd gehad om na te denken. Wat zit er achter deze daden? En ik kon hen niet laten vallen. Het is niet hun schuld. We zijn allemaal wanhopig. De gemeenschappen grijpen de kansen die zich voordoen. Al was dat nu ten koste van mij. Zodra ik genezen was, keerde ik gewoon naar hen terug.’

©

Gemeenschappen in Espinar en Paruro doen aan watermetingen in de gebieden rond de mijn.

©​

Van wanhoop naar verzet

De wanhoop van de gemeenschappen rondom de mijn maakt hen echter ook strijdlustig. Zo doen de gemeenschappen in Espinar en Paruro sinds 2013 watermetingen. Samen controleren ze de kwaliteit en kwantiteit van het water, en houden ze veranderingen in de gaten. ‘Ooit stond de rivier helemaal droog, midden in het regenseizoen. De mijn had alles leeggepompt’, vertelt Margoth Quispe, die in een van die comités zit.

De lokale bevolking kent niet alleen haar rechten niet, ze begrijpt ook dikwijls de weinige informatie die ze krijgt niet. Om die reden heeft Elsa Merma, die zich via de organisatie Asociación de Defensoras del Territorio y la Cultura K’ana al jaren inzet voor de bescherming van haar grondgebied, sinds kort een radioprogramma waarin ze de gemeenschappen in het Quechua op de hoogte houdt van alle ontwikkelingen en acties in de mijnbouw.

Haar programma heeft succes. ‘Mijnwerkers luisteren ook naar ons programma. Ook al denken ze dat ik betaald wordt om deze dingen te zeggen, toch willen ze op de hoogte blijven. Zij weten ook dat wat ze doen onrechtvaardig is, maar om het volk te blijven verwarren moeten ze blijven volhouden dat ze gelijk hebben. Het programma helpt, maar het is eng. Het maakt ons zichtbaar, kwetsbaar. Mij vooral. De andere vrouwen helpen me wel altijd, maar zij durven niet op de voorgrond te treden.’

© Vidal Merma

Vidal Merma

© Vidal Merma​

Protesteren is dan ook niet zonder risico. ‘We worden opgepakt voor dingen die we nooit hebben gedaan, zoals ontvoering. Enkele dagen nadat de foto’s van Vidal viraal gingen, kregen we een notariële brief in de bus. Indien we de “laster” tegenover de Nationale Politie van Peru niet rechtzetten, zouden we gerechtelijk vervolgd worden’, vertelt Jaime Borda, directeur van de ngo Derechos Humanos Sin Fronteras (DHSF), die gemeenschappen rond de mijnen steunt.

Geen wonder dat iedereen sindsdien zo mogelijk nog voorzichtiger te werk gaat. Tegen een corrupte regering is het moeilijk opboksen. De nakende regionale verkiezingen op 7 oktober lijken ook geen hoop te bieden.

‘De empresas hebben alles in handen in Peru, de gemeenschappen doen er niet toe. Ze hebben alle politici in hun zak.’

‘Hoop?’ Elsa lacht schamper. ‘Hoop is er al lang niet meer. De hele lijst bestaat uit mensen die altijd corrupt zijn geweest. Zij beschermen de mijnbouw en in ruil daarvoor financiert het bedrijf hen. De empresas hebben alles in handen in Peru, de gemeenschappen doen er niet toe. In hun campagne beweren de kandidaten dat ze ons zullen helpen, maar dat zijn alleen maar mooie woorden.’

De enige kandidaat die wel waarde hecht aan het leven van de lokale bevolking, is Oscar Mollohuanca. Net als Vidal Merma komt hij zelf ook uit een van de gemeenschappen die getroffen werden door de komst van de mijn.

In 2012 steunde hij als toenmalig burgemeester dan ook de protesten tegen de mijnbouw. Meteen werd hij gearresteerd en opgesloten, en na jaren vechten won hij vorig jaar de rechtszaak. Maar in april dit jaar werd die eerdere uitspraak in hoger beroep nietig verklaard. Ze beginnen van voren af aan, wat niet in het voordeel speelt van iemand die zich net opnieuw kandidaat heeft gesteld. Al blijft Oscar positief. ‘Waarom zou ik minder kans maken dan een ander? Ik doe wat ik kan. Al gebruiken ze het natuurlijk tegen me. “Willen jullie een burgemeester die in de gevangenis zit?” klinkt het. Dat kan natuurlijk gebeuren, maar het volk kent mij.’

Als burgemeester heeft hij de mensen altijd in beweging gehouden. ‘Word ik opnieuw verkozen, dan wil ik zorgen voor nog meer kennis onder de bevolking. Mensen kennen hun rechten niet, en daar maken mijnbouwbedrijven handig gebruik van. En ik wil nog meer mobiliseren. We moeten ons permanent blijven verzetten. Verslapt onze aandacht een maand, dan gebruikt de empresa die maand onmiddellijk om meer veranderingen door te voeren. En zijn we weer terug bij af. In mijn eentje kan ik niet voor verbetering zorgen. De gemeenschap moet met me mee strijden.’

Water voor maagkanker

Meer en meer mensen strijden ook mee. Vidal Merma doet in zijn vrije tijd aan vrijwilligerswerk op scholen in Espinar. Daar laat hij de jongeren documentaires zien over de mijnproblematiek. Iets wat het Ministerie van Onderwijs opviel, dat hem nu zelfs betaalt om daarmee door te gaan. En wat zien we op Wereldwaterdag? De straten vullen zich met jonge protesterende scholieren.

Daarna zetten de watermetingscomités zelfs een standje op in de drukste straat van de stad. Op een ludieke manier proberen ze flesjes water met lood, zink of kwik aan de man te brengen. ‘Dit raden we aan als je graag wilt sterven aan maagkanker’, klinkt het onder meer. Zelfs mijnwerkers luisteren met open mond naar de gevolgen van het drinken van zulk water – en het is onvoorstelbaar hoe weinig mensen zelf weten wat zij elke dag naar binnen krijgen.

En ook in andere regio’s zien we hoe organisatie vruchten afwerpt. Zo weigerde Máxima Acuña, net zoals de familie Alvarez in Alto Huarca, in 2011 weg te gaan uit haar huisje in Celendín, in het noorden van het land. Ze werd bedreigd, haar huis werd verwoest, haar dieren werden gedood en camera’s hielden haar dag en nacht in de gaten. Maar Máxima hield voet bij stuk, en met de steun van de rest van de gemeenschap zorgde ze ervoor dat het nieuwe Congaproject werd afgelast.

‘De waarheid zeggen is een delict geworden.’

Maar wanneer de gemeenschappen vooruitgang boeken, vindt de regering weer nieuwe manieren om hen tegen te werken. ‘De waarheid zeggen is een delict geworden’, meent Vidal Merma. ‘Maar dat is mijn persoonlijke mening hè’, voegt hij er nog snel aan toe. Maar is het echt een mening, of gewoon een feit?

Al bijna een jaar lang is er in de mijnbouwgebieden van Peru de noodtoestand afgekondigd. Dat betekent dat er niet meer geprotesteerd mag worden en dat de regering de rechten van de burgers mag beperken of zelfs opschorten. Hardhandig manifestaties afbreken wordt plots legaal. En de waarheid spreken lijkt dus inderdaad een delict te zijn geworden.

Protesten en activisten worden onbestraft gecriminaliseerd. Emperatriz is een van die activisten. Niet alleen werden haar dieren vermoord na haar protest, niet alleen vond ze een kogel terug in haar handtas, maar toen ze eindelijk hulp dacht te hebben gevonden, bleek haar advocaat omgekocht te zijn. Plots waren al haar papieren met bewijsmateriaal “verdwenen”. En nooit kon ze nog bewijzen welk onrecht haar was aangedaan.

Mirtha Vasquez zet zich in voor activisten zoals Emperatriz. In haar eentje biedt ze zowat alle mensenrechtenverdedigers in Cajamarca bescherming. ‘Activisten verdedigen is moeilijk. Het is ook gewoon absurd, ik moet iemand verdedigen tegen wie geen bewijsmateriaal bestaat. Erger nog, er bestaat bewijsmateriaal dat het tegenovergestelde bewijst. En dat weten de aanklagers zelf ook. Ik had ooit een rechtszaak die al jaren aansleepte, toen het Openbaar Ministerie zelf besloot de aanklacht in te trekken, aangezien er inderdaad geen enkel bewijs was. Dat zegt toch genoeg? Maar zo zitten mensen soms lange tijd onschuldig in de gevangenis.’

Een mier tegen een olifant

In theorie is er regelgeving in Peru omtrent ruimtelijke ordening en bescherming van natuurlijke hulpbronnen. Overleg met alle belanghebbenden is zelfs verplicht. In de praktijk heeft niemand iets tegen de regering, en dus de mijnbouwbedrijven, in te brengen. In Espinar mag de lokale bevolking zelfs niet werken in de mijn, aangezien ze dan van te dichtbij zouden zien hoe de mijn te werk gaat.

‘Het is als een mier die tegen een olifant vecht’, zegt Vidal Merma. ‘Toch kunnen we zoveel meer doen. We moeten ons goed organiseren. En een manier zoeken om samen te kunnen leven met de mijnbouw. Inzetten op duurzame mijnbouw. Als het in Bolivia kan, waarom dan hier niet? Daar hebben ze gewoon gezegd dat 82 procent van de inkomsten van de mijn voor hun land was, de rest voor het bedrijf.’

Merma lacht en schudt zijn hoofd, alsof hij het nog niet kan geloven. ‘En dat werd geaccepteerd! Het bedrijf krijgt achttien procent en maakt nog altijd winst! Wij hebben nog altijd waterbronnen die nog niet getroffen zijn door de mijnbouw. Als we ons organiseren, ben ik er zeker van dat we die bronnen kunnen beschermen. Alleen kunnen wij daar niet voor op onze regering rekenen. Wij kunnen zelfs niet eens op onze medeburgers rekenen! In de stad kijken ze niet eens op van de beelden van geweld. We zijn ons menselijk gevoel helemaal kwijt aan het raken. Alles wordt opgegeven voor geld. Ik zou die grote meneren zo graag eens willen zeggen: wat als we eens van plaats wisselen? Ik ga naar jouw huis en boor een put in je woonkamer. Je krijgt geen water meer en ik geef je een plekje in je badkamer om te wonen. Hoe zou jij je voelen?’

Soms lijkt de verdeeldheid de overhand te nemen in Peru. Maar even snel trekt iedereen weer samen door de straten. ‘Que se vayan todos’ klinkt hun kreet. Weg met alle corruptie. Voor een land waar iedereen hardhandig hardhandig het zwijgen wordt opgelegd, wordt er best hard geroepen.

Dit artikel werd geschreven voor het herfstnummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!