'De Taliban zijn het kleinste probleem van Afghanistan'

Analyse

'De Taliban zijn het kleinste probleem van Afghanistan'

'De Taliban zijn het kleinste probleem van Afghanistan'
'De Taliban zijn het kleinste probleem van Afghanistan'

2015 moest het begin worden van een nieuwe toekomst voor Afghanistan: zonder westerse troepen, maar met onderhandelingen tussen de opstandelingen en de nieuwe regering. Gie Goris zag in Kaboel een verdeelde regering van nationale eenheid, een groeiend veld van opstandelingen, blijvend grote inmenging van buitenaf  en een bevolking die waardig probeert te leven, tegen de wanhoop in.

Dit artikel is het resultaat van een bezoek aan Kaboel half april. Met 23 mensen had ik een gesprek van minstens een uur. Ik vond het onmogelijk op deze beperkte ruimte recht te doen aan hun genuanceerde en vaak complexe analyses, en tegelijk een toegankelijk artikel te schrijven. Vandaar de keuze de neerslag van al die gesprekken onder eigen verantwoordelijkheid uit te schrijven, in de vorm van een klein alfabet van een groot probleem. De namen van de gesprekspartners vindt u hier.

Veertien jaar na de inval van het Westen en de verdrijving van de Taliban, blijft Afghanistan betwist gebied.
© Brecht Goris

A van Abdullah en Ashraf

De regering van nationale eenheid is hopeloos verdeeld. Het machtsvacuüm maakt vooruitgang onmogelijk.

De vorming van een nieuwe regering was sowieso een van de moeilijkste opdrachten voor Afghanistan in 2014, het jaar dat ook de militaire aanwezigheid van de Navo beëindigd zou worden en de economische gevolgen van die terugtrekking duidelijk werden.

Op 5 april 2014 won de coalitie rondom Abdullah Abdullah de eerste ronde met 14,5 procent voorsprong op de tweede, Ashraf Ghani. Bij de tweede ronde, op 14 juni, kreeg de coalitie rondom Ashraf Ghani bijna 13 procent meer dan Abdullah Abdullah. Die laatste sprak over fraude op industriële schaal en weigerde de uitslag te aanvaarden.

Onder zware Amerikaanse druk werd op 19 september een compromis bereikt. Ashraf Ghani werd president, Abdullah Abdullah kreeg de titel “CEO van de regering”, met de afspraak dat een grondwetswijziging de post van eerste minister zou creëren en dat hij die dan zou invullen.

So far, so good. Alleen slaagden de twee politieke rivalen er niet in om een begin van samenwerking te realiseren. Zo werd pas op 18 april 2015, zeven maanden na het aantreden van de twee regeringsleiders, een tweede groep ministers goedgekeurd door het parlement. Daarmee is de regering trouwens nog niet volledig, want voor de cruciale portefeuille van Defensie was op dat moment nog niemand voorgedragen.

Het Abdullah-kamp wijt de vertraging aan de weigering van president Ghani om te overleggen en zich aan de oorspronkelijke afspraak te houden: de minister zou uit het Ghani-kamp mogen komen, de stafchef van het leger uit het Abdullah-kamp. Beide posten zijn dus nog vacant, en dat voor een land in oorlog.

Intussen neemt de onveiligheid hand over hand toe, verdwijnt buitenlands én Afghaans kapitaal uit de economie, en piekt de drugsproductie voor het zoveelste jaar op rij.

Eind mei werd eindelijk een kandidaat voor Defensie voorgedragen: Masoom Stanekzai, de man dit tot dan de Hoge Vredesraad leidde en al drie zelfmoordaanslagen overleefde. ‘Een dik jaar geleden waren er nog meer dan 150.000 buitenlandse militairen in Afghanistan, vandaag zijn het er ongeveer 10.000. In de meeste provincies en op de meeste basissen zal je geen buitenlanders meer vinden. Eigenlijk kunnen de Taliban gerust zeggen dat 80 procent van hun voorwaarden om te praten al vervuld zijn. Als ze nu nog niet bereid zijn om rond de tafel te komen zitten, dan zijn ze niet ernstig’, stelde Staznekzai in een exclusief interview.

Er zijn nog wel meer sleutelposten die nog niet ingevuld zijn, nadat president Ashraf Ghani heel wat gouverneurs en andere beleidsverantwoordelijken die verdacht werden van corruptie of machtsmisbruik kort na zijn aantreden ontslagen had.

In het Westen kon dat besliste optreden op applaus rekenen en organisaties als Human Rights Watch vonden dat hij nog veel te terughoudend was.

In Afghanistan zelf is de twijfel intussen groter dan de opluchting. Om te beginnen is ontslaan blijkbaar makkelijker dan benoemen – waardoor het land onthoofd dreigt te worden op het moment dat het voor moeilijke jaren van zelfstandige heropbouw staat.

Bovendien wil de president alle touwtjes zelf in handen houden en micromanagen, waardoor Afghanistan paradoxaal genoeg in een machtsvacuüm terechtkomt, al was het maar omdat één man dat niet allemaal aankan – hoezeer hij ook overtuigd is van zijn eigen kunnen.

Intussen neemt de onveiligheid hand over hand toe, verdwijnt buitenlands én Afghaans kapitaal uit de economie, piekt de drugsproductie voor het zoveelste jaar op rij en kijkt de bevolking meer cynisch dan gelaten toe hoe de nationale eenheidsregering het land tot stilstand brengt.

In Kaboel groeit de onzekerheid over de toekomst. Niemand wil dat de oorlog verdergaat, maar wie wil een overeenkomst met de Taliban? En onder welke voorwaarden?
© Brecht Goris

B van burgeroorlog

De parallel tussen de terugtrekking van de Sovjettroepen en de terugtrekking van Navo-troepen. Lessen uit het verleden, verschillen tussen toen en nu.

Het grote spookbeeld voor gewone Afghanen én voor internationale waarnemers is de burgeroorlog uit de jaren negentig. Na de ondertekening van een vredesakkoord in Genève, waarbij de strijdende moedjahedien niet rechtstreeks betrokken waren, trokken de Sovjettroepen zich in 1989 terug uit Afghanistan. Moskou bleef wel de regering van ex-communist Najibullah steunen tot 1992, waardoor die verrassend goed kon standhouden tegen de moedjahedien.

Er zijn parallellen tussen 1989 en 2015. De wereldmacht die moet toegeven dat er in Afghanistan geen militaire overwinning te behalen valt, de plotselinge desinteresse van een internationale gemeenschap, de alomtegenwoordigheid van wapens.

Toen ook de Sovjet-Unie ophield te bestaan en de kraan vanuit Moskou dichtgedraaid werd, klapte het regime in Kaboel in elkaar en begon de bloedigste en verwoestendste fase van de nu 37 jaar durende oorlogen: de burgeroorlog onder voormalige bondgenoot-moedjahedien. De totale afbraak van infrastructuur, economie en tradities die daarmee gepaard ging, zette de deur wijd open voor Pakistaanse inmenging en legde de basis voor de opkomst en machtsovername door de Taliban in 1996.

Er zijn natuurlijk parallellen. De wereldmacht die moet toegeven dat er in Afghanistan geen militaire overwinning te behalen valt, ondanks het verpletterende overwicht in militairen en middelen. De plotselinge desinteresse van een internationale gemeenschap die meer dan een decennium Afghanistan in het middelpunt van haar handelen zette. Het wantrouwen tussen diverse groepen en de alomtegenwoordigheid van wapens.

Maar er zijn ook grote verschillen. Het Westen kan vandaag wat de Sovjet-Unie 25 jaar geleden niet kon: het Afghaanse leger en de Afghaanse administratie nog zeker tien jaar blijven financieren.

Dat is een hoge kostprijs – volgens Mahmoud Saikal, bijzonder vertegenwoordiger van CEO Abdullah Abdullah, heeft de regering jaarlijks ongeveer 2 miljard dollar inkomsten en 10 miljard dollar uitgaven – maar niet onmogelijk voor de rijke landen samen.

Bovendien is Pakistan vandaag vele keren zwakker dan een kwarteeuw geleden én de verschillende fracties in de Afghaanse samenleving, inclusief de Taliban, staan veel minder onder buitenlandse controle. De kans dat Islamabad zijn belangen kan opleggen in Kaboel is dus veel geringer. Daar hebben de Afghanen trouwens een gezegde voor: ‘Een man mag zich niet tweemaal laten bijten door dezelfde slang.’

C van China

Peking is een nieuwkomer op het diplomatieke front. Economisch belang en binnenlandse veiligheid. Driehoeksrelatie met Pakistan.

China is, zeker in Azië, de nieuwe supermacht. Maar het land heeft zich altijd strikt gehouden aan een politiek van non-interventie en respect voor nationale soevereiniteit. Het is dan ook verrassend dat Peking zich in het Afghaanse wespennest begeeft om de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel te krijgen.

Na wat aarzelen gaf Peking in 2014 toe dat het al verschillende malen contact had met de Taliban. Ook van Talibanzijde werden de gesprekken bevestigd. Daar bleef het voorlopig bij.

Voor China is vrede en stabiliteit in Afghanistan op de eerste plaats een binnenlandse aangelegenheid.

Voor China is vrede en stabiliteit in Afghanistan op de eerste plaats een binnenlandse aangelegenheid. De Afghaanse opstand werkt immers al 25 jaar als een magneet op allerlei geradicaliseerde moslims, ook op Oeigoerse islamisten die zich verzetten tegen de sinisering van hun regio Xinjiang – goed voor een zevende van het huidige Chinese grondgebied.

Al sinds midden 2001 werkt China aan regionale militaire samenwerking tegen wat de Chinese pers de Drie Kwade Krachten noemt: terrorisme, separatisme en religieus extremisme.

De leiders in Peking weten natuurlijk dat de trainings- en schuilplaatsen van de Oeigoerse jihadi’s zich op Pakistaans grondgebied bevinden. De diplomatieke demarches van China vinden dan ook plaats in een trilateraal verband. Want als Pakistan niet beter samenwerkt met Afghanistan, dan maakt zelfs Chinese druk op de Afghaanse Taliban geen kans. En China kan er beter dan wie ook voor zorgen dàt Pakistan zijn beleid herziet.

Afghanistan heeft immense grondstoffenreserves, waar de Chinese groeieconomie behoefte aan heeft.

Voor Pakistan is China de vriendelijke supermacht in het noordoosten, een soort levensverzekering tegen de grootmacht in het oosten, India, én een strategisch tegenwicht tegen de Verenigde Staten, waarmee Pakistan een haat-liefdeverhouding cultiveert.

Dat president Xi Jinping eind april in Pakistan infrastructuurcontracten kwam afsluiten ter waarde van 46 miljard dollar, met een looptijd van meer dan tien jaar, is tegelijk een bevestiging van de speciale relatie én een hefboom om het beleid in Islamabad langdurig te beïnvloeden.

Afgezien van de binnenlandse veiligheid heeft China ook economische redenen om de opstand in Afghanistan niet op zijn beloop te laten. Afghanistan heeft immers immense grondstoffenreserves, waar de Chinese groeieconomie behoefte aan heeft. De concessie voor de Aynak-kopermijn, die de China Metallurgical Group Corporation (MCC) in 2007 verwierf, wordt nog altijd niet actief ontgonnen.

De geschatte 6 miljoen ton koper, ter waarde van ongeveer 62 miljard euro, kon door een combinatie van technische, archeologische en veiligheidsredenen niet geëxploiteerd worden. En dus wil China opnieuw over de winstafspraken onderhandelen, ten nadele van Afghanistan. Zodra het land gestabiliseerd is, hopen Chinese bedrijven nog veel meer bij te dragen tot de ontginning van lithium, koper, gas, olie en edelstenen.

Het leven zoals het is: Jalalabad. De kleurrijke draaimolen van multi-etnisch Afghanistan dreigt tot volledige stilstand te komen.
© Brecht Goris

D van Durand Line

Wat wil Pakistan nu eigenlijk: vrede en stabiliteit, of instabiliteit en controle?En deelt de regering in Islamabad de lakens uit of is het de legertop in Rawalpindi?

‘De Taliban vormen het kleinste probleem dat we moeten oplossen’, zegt Faramarz Tamanna, directeur-generaal van het Center for Strategic Studies op het ministerie van Buitenlandse Zaken. ‘De Durand Line is het grootste probleem. Daarmee moeten we wachten tot de Afghaanse staat sterker is.’

Wie de menselijke, economische en financiële kosten van de strijd tegen de Taliban gedurende de voorbije veertien jaar optelt, en dan beseft dat dit als een secundair probleem beschouwd wordt, die beseft hoe onoverzichtelijk het Afghaanse-Pakistaanse conflict over de 2430 kilometer lange grens is.

Zal Ashraf Ghani de Durand Line erkennen, om de Pakistanen gunstig te stemmen? De kans is zo goed als onbestaande, tenzij hij politieke zelfmoord wil plegen.

De Durand Line werd in 1896 opgelegd door de Britse kolonisator aan de Afghaanse koning Abdurrahman, maar sinds het ontstaan van Pakistan in 1947 werd die “grens” door geen enkele Afghaanse regering erkend. Niet door de Taliban, niet door Hamid Karzai. Zal Ashraf Ghani dat wel doen, om de Pakistanen gunstig te stemmen? De kans is zo goed als onbestaande, tenzij hij politieke zelfmoord wil plegen.

Er is wel een hemelsbreed verschil tussen de manier waarop de nieuwe president met Pakistan omgaat en hoe de vorige president dat deed. Hamid Karzai beschuldigde Pakistan er geregeld van de Taliban en andere opstandelingengroepen te steunen en te dirigeren.

De nieuwe president Ashraf Ghani heeft het op het publieke forum alleen over de vriendschap tussen beide landen. Hij schortte het militaire samenwerkingsverband met India op en nodigt om de haverklap de hoogste militaire verantwoordelijken uit Pakistan uit.

De onderliggende analyse wordt wel gedeeld: de regering van Pakistan heeft af te rekenen met dezelfde extremistische vijanden als Afghanistan, maar de Pakistaanse legertop blijft nauw verbonden met de Afghaanse Taliban en hoopt via hen invloed te kunnen uitoefenen op het toekomstige Afghaanse beleid. Ghani wil die legertop verleiden tot samenwerking, Karzai wilde hen dwingen hun spelletjes te staken.

Bovendien zet de nieuwe regering met voorrang in op economische samenwerking als speerpunt van haar buitenlands beleid. Het bezoek van de Pakistaanse minister van Handel aan Kaboel, half april, past daarin. Als Pakistan economische winst haalt uit een stabiel Afghanistan, dan verdwijnt het voordeel van een zwak en instabiel buurland – ook voor het Pakistaanse leger, dat zelf grote commerciële belangen heeft.

In eerste instantie leek de nieuwe aanpak vruchten af te werpen. De Pakistaanse overheid ontkende jarenlang dat ze banden of contacten had met de Talibanleiders, ook al opereren die sinds eind 2001 vanaf Pakistaans grondgebied.

Na het aantreden van Ashraf Ghani beloofde Pakistan plots wél zijn invloed op de Taliban aan te wenden om hen tot echte onderhandelingen met de regering in Kaboel aan te zetten. Tegen begin maart zouden de gesprekken echt van start gaan, kondigde zowel Islamabad als Kaboel aan.

Zowel voor de Taliban als voor het Pakistaanse leger geldt dat ze pas bereid zijn hun kaarten op tafel te leggen als er in Kaboel een sterke regering is die haar beloften en afspraken ook kan waarmaken.

Maart en april kwamen en gingen, zonder dat er iets bewoog op het diplomatieke front. Maar begin mei zaten vertegenwoordigers van de Taliban en de regering samen rond de conferentietafel in Qatar, al mocht die samenkomst zeker geen onderhandeling genoemd worden. Toch werden er betekenisvolle stappen gezet -zoals de gezamenlijke erkenning van het recht op onderwijs voor meisjes- op weg naar wat –wie weet, ooit– vredesgesprekken zouden kunnen worden.

Nogal wat waarnemers stellen dat president Ashraf Ghani een grote fout begaan heeft door zich meteen helemaal over te leveren aan de Pakistaanse goodwill. Anderen denken dat de Taliban zelf te verdeeld zijn om te onderhandelen, zeker nu ze de ideologische concurrentie met IS moeten aangaan.

Beide redenen spelen wellicht, maar zowel voor de Taliban als voor het Pakistaanse leger geldt dat ze pas bereid zijn hun kaarten op tafel te leggen als er in Kaboel een sterke regering is die haar beloften en afspraken ook kan waarmaken.

Dat is de huidige verdeelde regering zeker niet. Bovendien heeft de president geen eigen machtsbasis: geen partij – iets als politieke partijen bestaat bijna niet in Afghanistan –, maar ook geen diepgeworteld netwerk van tribale en historische loyaliteiten. En laat dat nu net bepalend zijn voor de politieke overlevingskansen in Afghanistan.

K van Khorasan

Het verschijnen van IS en de pogingen om daar betekenis aan te geven. Nationalisme versus islamisme; fundamentalisme versus salafisme.

De Islamitische Staat eiste half april een aanslag in de grensstad Jalalabad op, waarbij dertig doden en 120 gewonden vielen. En al werd die opeising een week later door een andere woordvoerder ontkend, toch was de naam IS onmiskenbaar op de kaart gezet als een factor van belang in de toekomst van strijd en eventuele vredesgesprekken.

De “nationalistische” agenda van de Taliban heeft meer draagvlak bij de Afghanen dan de “antinationalistische” agenda van IS.

De meeste waarnemers, zowel in regerings- als Talibankringen, zijn het erover eens dat de “nationalistische” agenda van de Taliban meer draagvlak heeft bij de Afghanen dan de “antinationalistische” agenda van IS.

De bevrijding van Afghanistan van de buitenlandse bezetting en het installeren van islamitisch bestuur dat ook recht doet aan de tribale cultuur van de Afghanen is zeker populairder dan een terugkeer naar een prekoloniaal rijk dat volgens salafistische gestrengheid geregeerd zou worden.

Die tegenstelling maakt een echte samenwerking tussen de twee organisaties op korte termijn wellicht onmogelijk.

Er wordt druk gespeculeerd over de vraag welke buitenlandse macht achter de plotselinge opkomst van IS zit. Pakistan en Saoedi-Arabië spelen een prominente rol in die speculaties. Zij zouden er voordeel in zien dat er naast de Taliban, waarvan men hoopt dat ze willen onderhandelen met Kaboel, een nog extremistischere variant ontstaat die al te snelle compromissen zou voorkomen. De meer gevorderde samenzweringstheorie vermoedt zelfs de hand van de VS achter de schijnbaar ongehinderde opkomst van IS.

Hoe verknocht de Afghanen ook zijn aan hun cultuur en tradities, de “Khorasan-agenda” van IS is niet geheel gespeend van aantrekkingskracht in de regio. Khorasan was de naam van de regio die zich, tijdens de gouden eeuw van de islam, uitstrekte over delen van hedendaags Oezbekistan, Tadzjikistan, Turkmenistan, Iran, Afghanistan en Pakistan.

Volgens de Amerikaanse inlichtingendiensten bestaat er trouwens ook een “Khorasan-groep” binnen Al-Qaeda in Syrië, en die groep wordt minstens even gevaarlijk geacht als de ideologische concurrenten van IS.

Afghaanse vriendelijkheid op de weg naar de grensovergang tussen Pakistan en Afghanistan. Die grens vormt het grootste probleem voor vrede in Afghanistan.
© Brecht Goris

M van multi-etnisch en multicultureel

Pasjtoenen, Tadzjieken, Hazara’s en Oezbeken zijn de belangrijkste etnische groepen in Afghanistan. Is die multi-etniciteit de oorzaak van conflict? Pasjtoens verzet tegen IS, Tadzjiekse kwetsbaarheid?

Er zijn weinig verhalen over echte etnische conflicten in het vooroorlogse Afghanistan. Niet dat er nooit problemen waren, maar onder de heerschappij van enkele Pasjtoense clans was er voldoende lokale autonomie om samenleven mogelijk te maken. De moedjahedienorganisaties die in de jaren tachtig de strijd tegen de Sovjetunie voerden, kregen echter wel een overwegend etnisch karakter.

Toen deze organisaties in de jaren negentig onderling om de macht in Afghanistan gingen strijden, werd het geweld steeds nadrukkelijker als etnisch gemotiveerd  ervaren. De etnische fragmentering van de samenleving is dus eerder het resultaat dan de oorzaak van de opeenvolgende conflicten.

Anno 2015 ligt de sluimerende tegenstelling tussen Pasjtoenen, Tadzjieken, Hazara’s, Oezbeken en anderen als een tijdbom onder de samenleving.

Anno 2015 ligt de sluimerende tegenstelling tussen Pasjtoenen, Tadzjieken, Hazara’s, Oezbeken en anderen als een tijdbom onder de samenleving. President Ashraf Ghani krijgt het verwijt dat hij zich met bijna uitsluitend Pasjtoense medewerkers omringt en dat sommige documenten nog alleen in het Pasjtoens verschijnen – een radicale breuk met het verleden waarin, zelfs aan het hof van de Pasjtoense koningen in Kaboel, Dari of Perzisch werd gesproken.

Abdullulah Abdullah heeft Tadzjiekse ouders en vertegenwoordigt de Noordelijke Alliantie, de coalitie van Tadzjiekse, Hazara- en Oezbeekse milities die tegen de Taliban zijn blijven vechten. Daardoor krijgt de impasse binnen de regering ook al snel een etnische bijklank.

Ook in het verzet lijkt de identitaire factor belangrijker te worden. De Taliban, op de eerste plaats een islamistische militie, is tegelijk bijna helemaal Pasjtoens. Dat belet hen niet om ook buiten de regio’s met Pasjtoense meerderheid actief te zijn, maar het tekent wel de ideologie waarmee gevochten wordt.

Vaak is te horen dat voor Pasjtoenen de eigen culturele erecode –de pasjtoenwali – belangrijker is dan alle religieuze sermoenen die ze houden. Die etnische identiteit is meteen de grootste barrière voor verregaande samenwerking met de salafistische IS-groepen, die geen enkele culturele traditie erkennen en enkel de letter van de openbaring en van de traditie van de profeet erkennen.

Daarmee kan IS wel aanspraak maken op de internationalisten die oorspronkelijk in Afghanistan verbleven in het kader van Al-Qaeda en die na 2001 overleefd hebben in en verder gerekruteerd hebben vanuit Pakistan: de Oezbeken van de Islamic Movement of Uzbekistan (IMU), de Oeigoeren, de Tsjetsjenen, de Arabieren.

Hoe meer de Taliban zich opwerpen als verdedigers van de Afghaanse zaak, hoe minder die internationalisten toekomstperspectieven hebben, waardoor ze dus sneller geneigd zijn om aan te sluiten bij een beweging die nationale grenzen verwerpt.

Alles wijst er op dat IS het bloedige soennitisch-sjiitische conflict ook in Afghanistan wil introduceren.

Waarnemers vrezen trouwens dat ook de Afghaanse Tadzjieken en Oezbeken vatbaarder zijn voor de sirenezang van IS dan de Pasjtoenen. De economische uitzichtloosheid, de etnische marginalisering en de verbondenheid met radicale groepen in de Centraal-Aziatische republieken verklaren die bezorgdheid.

De positie van de Hazara is altijd al bijzonder geweest, al was het maar omdat ze er opvallend anders uitzien en ze bovendien de sjiitische variant van de islam aanhangen. De Hazara vochten in de jaren negentig mee met de Noordelijke Alliantie tegen de Taliban, wat een aantal bloedige represailles tot gevolg had.

Sindsdien werd de Hazara in Afghanistan echter het trieste pogromlot bespaard dat hen in de Pakistaanse grensstad Quetta wel te beurt valt. Tot dit voorjaar.

Op 24 februari werden 31 terugkerende vluchtelingen gekidnapt bij een overval op hun bus. Alleen de Hazara’s werden meegenomen. Eind april kwamen meer ontvoeringen én onthoofdingen van Hazara’s aan het licht, onder andere in Ghazni.

Alles wijst er op dat IS het bloedige soennitisch-sjiitische conflict, dat de organisatie succesvol aanwakkert in het Midden-Oosten, ook in Afghanistan wil introduceren.

R van regionale inmenging

Rol en belang van India, Iran, Saoedi-Arabië, Rusland en het Westen.

‘De Afghaanse oorlogen en conflicten zijn geen zaak van Afghanen, maar van buitenlandse machten die hun belangentegenstellingen uitvechten op Afghaans grondgebied, met Afghaanse strijders en ten koste van Afghaanse levens.’ Die overtuiging hoor je overal in Kaboel, soms als een onopvallend moderato, dan weer als een overdreven fortissimo, maar het refrein wordt altijd gezongen.

Dat is niet verwonderlijk, na meer dan 36 jaar van al te reële inmenging in Afghaanse zaken door zowat elke denkbare regionale en mondiale macht. Tegelijk is deze nationale reflex een manier om de oorzaak van alle destructie en ellende op een ongrijpbare andere af te wentelen en zo het geloof in eigen waardigheid te kunnen behouden.

Pakistan wil de eerste viool spelen in Afghanistan en krijgt daarvoor volop steun uit Saoedi-Arabië, dat de soennitische meerderheid graag zou bekeren tot het eigen wahabisme.

Pakistan wil sowieso de eerste viool spelen in Afghanistan. Het krijgt daarvoor volop steun uit Saoedi-Arabië, dat de soennitische meerderheid graag zou bekeren tot het eigen wahabisme.

China is de noodzakelijke, maar twijfelende derde op deze belangenas: het steunt Pakistan, als tegenwicht voor India, maar is het fundamenteel oneens met de strategie om islamistische milities te bewapenen en de strijd om invloed aan hen uit te besteden.

India en Iran delen hun afkeer van de Pakistaanse strategie, om verschillende redenen. India heeft zelf af te rekenen met door Pakistan gesteunde gewapende groepen in Kasjmir, en het vreest dat de combinatie China-Pakistan zowel commercieel als geopolitiek nadelig zal uitvallen voor de Indiase belangen.

Iran wil niets weten van al te assertieve en gewapende groepen soennitische islamisten aan zijn grenzen, en het vreest dat de combinatie Pakistan-Saoedi-Arabië de machtsstrijd in het Midden-Oosten in het nadeel van Teheran zal doen kantelen. Sinds de Sovjetterugtrekking in 1989 sluit Rusland zich aan bij deze anti-Talibancoalitie, die de Noordelijke Alliantie altijd met woord en wapens gesteund heeft.

De VS en de door hen geleide Navo wedden op verschillende paarden tegelijk. Op India, als tegenwicht voor China. Op Pakistan en Saoedi-Arabië, als tegenwicht voor Iran. Op de Noordelijke Alliantie als tegenwicht voor de Taliban.

De inherente tegenstellingen van die positie maken succes zo goed als onmogelijk. Tenzij, zoals veel goed geplaatste Afghanen blijven herhalen, de eigenlijke doelstelling van de Navo een instabiel maar beheersbaar Afghanistan is. Maar dat wordt in Evere uiteraard met klem ontkend.